Boekpresentatie

Woensdag 27 september: feestelijke presentatie Hemelse dieren, de nieuwe roman van Barber van de Pol
kaldenbach  hemelse dieren
Inleiding door hoofdredacteur Jasper Henderson. Barber van de Pol leest voor. Het eerste exemplaar wordt uitgereikt aan Hans Croiset.
Aanvang 17.30 uur. Inloop vanaf 17.00 uur.
Barber van de Pol, Lebowski Publishers en Linnaeus Boekhandel nodigen u uit om hierbij aanwezig te zijn. Aanmelden via lili.burki@lebowskipublishers. Lees meer

BOEKEN IN DE MEDIA

“Verhalen zoals Strikken komen allemaal voort uit eenzelfde oerverhaal, namelijk het verhaal van Jason en Medea. Mijn boek is daarom vergelijkbaar met alle andere boeken die als thema verlating hebben.
[…] Het enige wat ik erover kwijt wil is dit: Ik ben niet Elena Ferrante! Schrijf je dat op? Ik. Ben. NIET. Elena. Ferrante.” – Domenico Starnone in gesprek met Jarl van der Ploeg in de Volkskrant.

‘Gaandeweg ontstond het idee om uit de 23 ordners vol materiaal die Van Kootens opruimdrift had opgeleverd, alle waardevolle kattebelletjes en pennenvruchten te bundelen – samen met zijn favoriete vormgever Piet Schreuders. Niet alleen om een mooie verzamelbundel te kunnen nalaten, maar ook als afsluiting van zijn schrijfcarrière. Want een vers geschreven boek, Van Kooten weet niet of dat er nog van komt.
[…] “Het was soms best emotioneel, van die ‘ach, wat dacht ik toen?’- momenten, weet je wel. Maar ik heb ook vreselijk gelachen, om van die gekke zinnetjes die ik tegenkwam. Dat ik nog precies wist wanneer ik die had opgeschreven en toen net zo hard moest lachen, omdat mijn hoofd sneller ging dan mijn pen.” –  Kees van Kooten in gesprek met Claudia Ruigendijk in Het Parool.

‘Natuurlijk is Kafka onbereikbaar voor ons. Hoe kun je ooit een ander kennen? Maar Melissen toont hem uiteindelijk wel aan ons. Zoals híj hem ziet. Aan het eind van het boek was ik ontroerd, ondanks mijn altijd zo afstandelijke zelf (een trekje dat ik met Kafka gemeen heb). – Arie Storm in Het Parool.

De acht bergen is een moderne psychologische roman met vriendschap in de hoofdrol waarin jongens op soms roekeloze wijze bergen bedwingen, waarin eenzaamheid een eigen betekenis krijgt en tragische gebeurtenissen niet uit de weg worden gegaan.
Met de beschrijving van de ‘elastische rotsen’ en de kleur van het ijs in de gletsjerwand, heeft Cognetti een eigen stijl ontwikkeld om het immense berglandschap te beschrijven: liefdevol, rauw en meer dan betrokken.’ – Margot Poll in NRC Handelsblad.

‘Espedals gebruik van de eigen biografie is nergens gratuit. Integendeel, hij zet zijn eigen levensverhaal in om grondig na te denken over grote gebeurtenissen in het leven. En hoewel zijn uitgangspunt intens verdriet is, weet de schrijver dat via ingenieuze verhaalconstructies en associaties om te zetten in melancholische aanvaarding.’ – Sofie Messeman in Trouw.

“Sommige mensen zeggen: als ik mijn vrienden drie maanden niet zie, zijn we nog steeds even goede vrienden. Ik heb echt het tegenovergestelde: ik voel me gekwetst als ik iemand drie maanden niet zie. Ik heb maar een paar heel goede vrienden en die vriendschappen zijn heel intens. Daar gaat mijn roman over, over intense vriendschap. En hoe belangrijk ik dat blijkbaar vind.” – Alma Mathijsen in gesprek met Maarten Moll in Het Parool.

‘Het essay, op verzoek geschreven bij een tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, is zoals een essay moet zijn. Ogenschijnlijk losjes denkend, zonder een al te zichtbare rode draad aan te brengen, komt Heijne tot belangrijke inzichten.’ – Koen Haegens in de Volkskrant.

‘Een sappige soap vol geslijm, geroddel en gekonkel. Over macht en onmacht. Maar ook een mild verhaal over moederliefde, eenzaamheid en loyaliteit, in koninklijke hoeveelheden. Over, net als aan het Nederlandse stadhouderlijke hof, hoe afhankelijk meesters en knechten van elkaar kunnen zijn.’ – Marijke Laurense in Trouw.

‘Het lijkt onbegonnen werk om een oordeel te herzien dat gedurende vele jaren zo unaniem en zo negatief was. Toch is de Australische historicus Christopher Clark, auteur van (onder andere) het fenomenale boek Slaapwandelaars – over de voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog – erin geslaagd de laatste Duitse keizer te bevrijden van veel van de adjectieven die aan hem kleven. Met zijn boek Wilhelm II heeft hij geen apologie willen schrijven. Want ook Clark ontkomt niet aan de vaststelling dat het Wilhelm aan tact en beoordelingsvermogen heeft ontbroken en dat hij ‘vaak handelde vanuit een besef van zwakte en het gevoel te worden bedreigd’. Ook Clark is, kortom, van mening dat Wilhelm slecht was toegerust voor zijn hoge positie in een jonge en rusteloze natie.’ – Sander van Walsum in de Volkskrant.

“We houden zo van bakken omdat het de ultieme huiselijke activiteit symboliseert. Je staat in je eigen keuken en maakt voor anderen van losse ingrediënten een mooi gebak. Zij waarderen dat en dat voelt voor jezelf als een beloning. Tegelijk bezorgt bakken je in deze turbulente tijden een gevoel van veiligheid. Er is van alles aan de hand, maar straks komt wel die cake uit de oven, die je opeet met een kop thee erbij. Dat biedt troost.” – Yotam Ottolenghi in gesprek met Annemart van Rhee in Het Parool.

‘Kettingverhalen, daar is Vonne van der Meer bedreven in. Personages uit de ene roman die we in de volgende terugzien, of vier verhalen later in een en dezelfde bundel. Het lijkt erop dat die karakteristiek niet alleen een aardigheidje is; het hoort bij Van der Meers wereldbeeld om benieuwd te blijven naar het wedervaren van haar personages, hen niet los te laten, om een wending in hun latere bestaan te signaleren waarmee ze de lezer, en misschien ook zichzelf, verrast.’ – Arjan Peters in de Volkskrant.

‘Het huis van de namen laat, net als Aeschylus, door de beschrijving van het tegendeel zien wat beschaving waard is. En doet dat door zich een machtig verhaal toe te eigenen dat aan het begin van onze eigen beschaving staat. Lees het.’ – David Rijser in de Volkskrant.

‘De auteur analyseert scherp, is uitstekend geïnformeerd, trekt interessante verbanden, en kan bovendien heel goed schrijven (de vertaling is ook prima). En ze geeft de lezer aan het eind van haar interessante en waardevolle boek toch hoop.’ – Co Welgraven in Trouw.

‘Nog een paar weken wachten, dan zijn ze er weer. De groep van vijftig meerkoeten, die elke herfst en winter weer postvat bij de pontsteiger aan de Buiksloterweg in Amsterdam-Noord. Daar aan de overkant van het IJ op een paar honderd meter lange grasstrook tussen het Noord-Hollandsch Kanaal en de pontsteiger overwinteren ze, elk jaar weer. En ze weten waar eten valt te halen: bij de wandelaars en de fietsers die op weg zijn naar of van de pont.
[…] De meerkoeten die Daalder heeft geobserveerd in zijn buurtpark en op de grachten maken vaak meerdere broedsels per seizoen. Uit onderzoek blijkt dat jongen alleen goede overlevingskansen hebben als ze de eerste tien dagen voldoende dierlijk proteïne binnenkrijgen.’ – Peter de Brock in Het Parool.

‘Benali kijkt niet op een woord meer of minder, hij is geen fijnslijper, en meer dan dichter is hij uiteindelijk een verhalenverteller. Een tamelijk onbekommerde, die ook cynisch kan zijn, een die ervan smult om een sportief verlies in een gedicht goed te maken: ‘hier doe ik waartoe mij de macht ontbrak: jouw hoogmoed // afstraffen door je achter me te laten.’ – Janita Monna in Trouw.

‘Er staat nogal wat op het spel voor Max Pam, columnist en schrijver, bij het verschijnen van Leviathan of Het hart in de steen. Het is zijn grote roman, zijn magnum opus. “Zoiets moet ook weer met ironie worden uitgesproken. Maar inderdaad: ik heb nog nooit een roman van vijfhonderd pagina’s geschreven, dus in die zin is het waar. In dit boek zit veel van mezelf, van mijn voorouders, mijn familie, mijn leven. Het zou me erg kwetsen als er maar tweehonderd van worden verkocht. Wat heb ook dan te zoeken in dit toch al uitstervende vak?
[…] Ja, dit boek is belangrijk voor mij. Ik heb hier acht jaar aan gewerkt. Ik wilde een grote roman schrijven, met verschillende verhaallijnen die op dramatische wijze bij elkaar komen. Op het einde zou de hoofdfiguur met lege handen komen te staan. En dat geschreven op een manier die voor iedereen verstaanbaar is, wars van literatureluur.”‘ – Max Pam in gesprek met Sara Berkeljon in de Volkskrant.

‘Je krijgt met deze Verbogt de vertrouwde Verbogt-elementen: het gaat over tijd, over de glibberigheid van geluk, en natuurlijk over de liefde. Dat is, zoals altijd bij hem zou ik bijna zeggen, prachtig gedaan. Als schrijven te maken heeft met het scheppen van een atmosfeer, zoals sommig schrijvers beweren, dan zit je bij Verbogt geramd.’ – Sebastiaan Kort in NRC Handelsblad.

‘Volgens Goethe moet de criticus onderzoeken wat de schrijver bedoeld heeft en vervolgens vaststellen of hij in die bedoeling geslaagd is.
[…] Het is niet eenvoudig om dit soort visioenenromans te schrijven zonder belachelijk of onwaarschijnlijk te worden maar Van Essen krijgt het voor elkaar. Het is allemaal bijzonder bevreemdend, die mix van waarheid en verzinsels, je voelt voortdurend dat je op drijfzand loopt, maar toch word je tot het einde meegesleept.
[…] Zo brengt Van Essen ons iets essentieels van literatuur bij, namelijk dat het aan natuurkundige, biologische wetten ontstijgt, waar en onwaar kan zijn. En dat zonder ons met theorieën te vervelen. Bedoeling geslaagd!” – Rob Schouten in Trouw.

“Het boek gaat over hoe het zover heeft kunnen komen, zonder dat het veel antwoorden geeft: sommige dingen lopen blijkbaar nu eenmaal zo. Ik heb mijn verhaal heel rauw opgeschreven. Zo is mijn schrijfstijl en zo is het leven soms: hard, naar en gemeen.
[…] Het boek is niet bedoeld om mensen anders te laten denken over euthanasie. Het klinkt misschien naïef, maar het is gewoon een heel persoonlijk verhaal over het leven en de ellende van mijn broertje. Nu met de kabinetsformatie euthanasie zo speelt, wordt het boek wel zo opgepakt. Maar ik ben zeker geen vaandrager voor euthanasie of de Levenseindekliniek; wel vind ik dat het leven geen verplichting is. Als mensen vanuit hun geloof denken: dit mag niet, dan snap en respecteer ik dat.” – Marcel Langedijk in gesprek met Marijke Laurense in Trouw.

‘De hogere burgerschool, ingevoerd door de liberale staatsman Thorbecke in 1863, was van begin af aan een daverend succes. Het schooltype groeide uit tot ‘de parel uit de Nederlandse onderwijsgeschiedenis’. Het trok, zeker in de begintijd, de crème de la crème van de jongens uit de burgerstand aan (meisjes gingen veelal naar de mms). Het leidde de leerlingen via een breed vakkenpakket op tot gewilde arbeidskrachten die hun talen spraken, die konden handelsrekenen en boekhouden of die alles wisten van meetkunde en algebra en die geen tijd hoefden te verdoen met dode talen als Latijn en Grieks.
[…] Al met al is het een leuk boek om te lezen, vooral voor mensen die zelf op de hbs hebben gezeten, zij zullen veel herkennen. De hoofdstukken zijn wisselend van kwaliteit en geven bij elkaar een aardig beeld van wat deze schoolopleiding was.’ – Co Welgraven in Trouw.

“Als iemand die professioneel verhalen vertelt, sta ik wantrouwig tegenover de verhalen die we onszelf voorhouden – daar gaat dit boek over. Het menselijk brein neigt naar coherentie. Neurologen die studie doen naar hersenbeschadiging weten: hoe beschadigd ook, de hersenen doen alles om coherentie te creëren, ook al is die strijdig met de werkelijkheden van anderen. We moeten dus accepteren dat de constructie van ons ‘zelf’ een verdichting is, en daarmee ook bevragen waarom we het ‘echte’ prioriteit geven. De verhalen die we onszelf vertellen over wie we zijn, van wie we houden en aan wie we ons committeren, moeten we óók als constructies zien, niet als waarheden. Want zulke verhalen kunnen ook schadelijk zijn.” – Nicole Krauss in gesprek met Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

Wormen en engelen is daarom niet de zoveelste roman over secularisering, maar een onderzoekend, tastend boek over wat religie in een seculier land nu nog betekent. Mooi is hoe de hoofdpersoon verlangt naar de christelijke gemeenschap van zijn jeugd, maar zich daar evenzeer tegen verzet.
[…] En zo is het boek veel meer dan de cliché-ingrediënten die het zelf al benoemt; wat raakt is die menselijke hunkering, die niet alleen de hunkering van hoofdpersoon Bram is. Niet in het minst dankzij Van der Graaffs beeldende stijl, fantastische observaties en rake typeringen.’ – Persis Bekkering in de Volkskrant.

‘Wormen en engelen 
staat bol van ideeën, is geweldig geschreven en alles staat er op zijn plaats. En het is een geëngageerde roman die verder gaat dan het beschrijven van wat al is, die wil blijven broeien in het hoofd van de lezer. En zo versterkt hij het geloof in de literatuur.’ – Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

‘Ja, de dichter als draaideurinstallateur. En de lezer die ieder gedicht opnieuw via die deur een wonderlijke, gruwelijke, grappige, pijnlijke wereld in stapt, om er na de laatste punt met een flinke draai weer uit te worden gezwiept.’ – Janita Monna in Trouw.

‘Alle gedichten van Hans Verhagen, meer dan zevenhonderd pagina’s, dat mogen we een pontificale presentatie noemen. Tegelijkertijd maakt de monumentale verzamelbundel van de P.C. Hooftprijswinnaar 2009 pas goed duidelijk dat hij de grootste verdwijnkunstenaar onder de dichters is. Zo’n tegenstelling is dan weer typerend voor de maker, die midden in Amsterdam zijn verzen schrijft en alles in de gaten heeft, zonder dat wij hem opmerken.
[…]  De laatste cyclus uit de verzamelbundel heet Implosie en stamt uit 2009, met deze strofe als finale: ‘Mooi weer spelen is alles wat ik deed/ en mijn lievelingen gaven evengoed de geest/ Ooit zullen haar ogen mij hebben gezocht/ maar ik moet ergens anders zijn geweest.’
Hopelijk zijn deze regels niet de voorbode van Verhagens totale verdwijning. De tijden zijn te bar om het ook nog zonder hem te moeten stellen. Laten we denken dat hij zich in het verborgene opnieuw oplaadt, om ons te gelegener tijd weer te tonen dat lyriek ook in onttoverde tijden bestaansrecht heeft, en zelfs verbluffend vitaal kan klinken.’ – Arjan Peters in de Volkskrant.

“Ik voel me niet per se loyaal aan mijn eerdere werk of verplicht om daarop voort te borduren. Dat gebeurt vanzelf wel. Ik heb maar een paar principes: open staan voor de wereld, politiek alert blijven, en… een soort vat zijn.
Het is de taak van een schrijver – als die al bestaat, ehm… ja, natuurlijk bestaat die, er zitten plichten en verantwoordelijkheden aan het schrijverschap – om een soort vat te zijn. Om iemand te zijn die in staat is de cruciale zaken te absorberen en tegelijkertijd de ruis weg te filteren, de noise. En dan alles weer in elkaar te zetten op een manier die het hart en hoofd van iemand anders bereikt. En dan zo dat je niet méér ruis genereert, maar juist ruimte geeft aan helderheid en stilte en reflectie. Ik denk dat ik één taak heb, en dat is mijn hoofd in een staat van helderheid te houden, zodat ik een vat kan zijn.” – Valeria Luiselli in gesprek met Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

‘Een roman die zich niet in de eerste plaats laat lezen als een satire op een politicus die nauwelijks nog te persifleren valt. Wat Rushdie doet is het op virtuoze wijze in beeld brengen van de wereld waarin een figuur als Donald Trump het uiteindelijk tot president kon schoppen. Het resultaat is een grimmig, virtuoos geschreven, zoals altijd veel van de lezer vragend portret van een verward, verwarrend en meedogenloos tijdperk.’ – Hans Bouman in de Volkskrant.

‘Sterk punt is dat de auteurs Kloos goed neerzetten als dichter en tijdschriftredacteur. Kloos’ gekte wordt goed gedocumenteerd. Alleen al het hoofdstuk over zijn opname in een inrichting, een zelfmoordpoging en zijn totale ontreddering maakt dit boek het lezen waard.’ – Aleid Truijens in de Volkskrant.