Linnaeus leesclub

linnaeus leesclub
De Linnaeus Leesclub: tien leesliefhebbers en een geheimzinnige fietsenmaker komen bij elkaar in de kelder van Linnaeus Boekhandel. Lees hier het artikel over de Linnaeus Leesclub op Oost online.

Welke boeken gaan er mee op vakantie?

florida  muur  omwenteling  otmars zonen 2  heilbot op de maan wat moet je doen als je over een nijlpaard struikelt
A small step
Vijftig jaar geleden, op 20 juli 1969, landden de eerste mensen op de maan. Tenminste, dat denken we. We hebben beelden, geluidsfragmenten, maanstenen. Ik denk ook wel dat het echt was hoor, maar destijds waren er serieus mensen die dachten dat Buzz Aldrin en Neil Armstrong rondstapten in een studio en dat de hele maanlanding in scène was gezet. Het leek me zoveel moeite en voor wat precies? Om indruk te maken op de Russen? Een soort spierballenrollen voor gevorderden.
Het is de eeuwige strijd tussen feit en fictie. Het spel dat gespeeld wordt met willen geloven, aannemelijkheid en verbeeldingskracht.
Lees verder

BOEKEN IN DE MEDIA

‘Op haar best is Minor in het verhaal ‘Tuin der droefenis’, over een jonge vrouw wier man hersenletsel overhoudt aan een auto-ongeluk. Je moet het verhaal minstens twee keer lezen om het te begrijpen. Het is een technisch hoogstandje van deze veelbelovende schrijfster, die er in deze bundel op uit is om zoveel mogelijk aan de verbeelding van de lezer over te laten, en erin slaagt die verbeelding aan het werk te zetten.’ – Laura van Baars in Trouw.

‘Hoe pakt dat hervertellen uit? In Millers geval in een erg prettige roman. (…) Miller toont het vermogen om zich de symboliek waar mythes bol van staan eigen te maken. Net als dat ze de klassieken eer aan doet door het geroddel, de drama’s en de intriges die op de godenberg Olympus hoogtij vieren, intact te laten.’ Roos van Rijswijk in NRC Handelsblad. 

Hars  is een uitmuntende thriller. Hoogst origineel, met fascinerend personages en uitzonderlijk goed geschreven. Het zou een kandidaat voor het boek-van-het-jaar zijn (en niet per se alleen in het thrillergenre), ware het niet dat het uit 2015 dateert. Waarom heeft de vertaling zolang op zich laten wachten? Hopelijk volgen snel de vertalingen van haar eerste, eveneens bekroonde thriller, De slager van Liseleje (2013), en het voor oktober aangekondigde derde boek,  Beest.‘ Arjen Ribbens in NRC Handelsblad.

Het feest is een heerlijke standensatire en een meeslepende thriller ineen’ – Judith Eiselin in NRC Handelsblad.

“Als lezer hou ik erg van gothic novels. Hiervoor heb ik historische romans geschreven. Ik ben afgestudeerd en heb lang gewerkt als optometrist, maar inmiddels heeft het schrijven het overgenomen. Ik was toe aan een nieuwe uitdaging en besloot daarom van genre te veranderen. De politieroman voegt een extra laag toe. Je moet ongelooflijk veel plotten, zeker met de keuze die ik heb gemaakt voor een seriemoordenaar die in de gevangenis zit, terwijl de reeks moorden die hij is begonnen ineens wordt voortgezet met alle symboliek van dien. Is de seriemoordenaar in de gevangenis de spin in het web en stuurt hij anderen aan? Is er iemand die hem nabootst? Om de lezer telkens weer op het verkeerde been te zetten, moest ik veel meer van mijn eigen denkvermogen aanwenden, het was voor mij echt next level. Omdat het mijn vierde boek was, had ik het vertrouwen dat ik genoeg bagage had om deze exercitie tot een goed einde te brengen.” – Eva García Sáenz de Urturi in gesprek met Marjolijn de Cocq in Het Parool.

‘Wat een vrolijk, sprankelend, lief, wijs boek is de nieuwe roman van Elizabeth Gilbert.
[…] In Stad van de meisjes vangt Gilbert de historische tijdgeest met een lichtheid die zoiets makkelijk doet lijken.’ – Ellen de Bruin in NRC Handelsblad.

‘Er zijn maar heel weinig schrijvers die het construeren van grappen op schrift tot in de puntjes beheersen. Thomas Verbogt is er een van, en misschien wel de beste. Sinds ik hem vier jaar geleden ontdekte, kijk ik reikhalzend uit naar nieuw werk en haal ik tussen de nieuwe uitgaven de schade van mijn tot voor kort jammerlijk Verbogtloze leven in. En nu is er Olifant van zeep, een bundeling nieuwe verhalen: hoera!
[…] Dat een schrijver me kan laten schaterlachen is bewonderenswaardig, maar dat een schrijver me binnen een alinea van lachen naar huilen kan bewegen is zeldzaam. Verbogt kan het. Wie een roman van Verbogt leest, heeft vaak lang het idee een licht niemendalletje te lezen, tot ineens blijkt dat je in iets hartverscheurends gelokt bent en niet meer terug kunt. Het is allemaal zó verfijnd, zo tot in de puntjes verzorgd. Nergens wordt de lezer lastiggevallen met taalstunterij of andere ijdeltuiterij. De taal staat in dienst van het verhaal zonder dat de taal daaronder moet lijden.’ – Leonie Bos in de Volkskrant.

‘Voor de rijpere supporter is Nederland heeft weer de gele trui ontegenzeggelijk een aanwinst. Als je de beschreven periode 1961-1985 bewust hebt meegemaakt en je de karakteristieke koppen van de renners nog voor je geest kunt toveren, weegt het feest der herinnering ruimschoots op tegen de verpletterende volledigheid van het standaardwerk. Hoe langer iets geleden is, hoe mooier het wordt. Het patina van het verleden geeft de heldendaden van vroeger extra glans. Benjo Maso is nu 74. Zou hij lang genoeg leven om ooit nog de wonderbaarlijke capriolen van Mathieu van der Poel te vereeuwigen?’ – Jef Rademakers in de Volkskrant.

Onvoldoende liefdesbrieven heet het boek, en inderdaad: liefdesbrieven staan er strikt genomen niet in. Of toch? Dit boek leest als een liefdesverklaring aan zo ongeveer alle fauna op de aarde: van vis tot dichter, van insect tot mensaap. Goldschmidt heeft een nieuwsgierige, veelzijdige geest en stelt belang in uiteenlopende zaken. Het boek heeft iets verslavends: brief na brief wil je meer weten van wat er omgaat in zijn hoofd.
[…] Mensen houden van vlooien, net als apen, staat ergens in een brief. Ook vocaal en verbaal vlooien bestaat, naar Goldschmidts idee. Daarom zijn mensen zo graag met hun mobiel in de weer. ‘Ik heb [voor het eerst] mobiel getelefoneerd!’ schrijft hij in 2007 triomfantelijk. Heerlijk, pielen op kleine knopjes. Hopelijk blijft Goldschmidt de rest van zijn leven toch ook ouderwetse brieven schrijven.’ – Judith Eiselin in NRC Handelsblad.

‘”Wel, ik leef. (Lacht) Ik ben geen kluizenaar. Ik moet de wereld in, omdat ik iets moet hebben om over te schrijven. Ik loop rond als een spons. Die wring ik uit aan de schrijftafel. Als op straat iemand doodgeschoten wordt, is mijn eerste gedachte: hoe zou ik dit beschrijven? Die praktische waarneming is er altijd. Ik weet dat het onfatsoenlijk is, maar er zit nu eenmaal altijd één schrijversoog in mijn kop. Het zal ook wel vreemd zijn om met mij naar bed te gaan.
Met de privacy van geliefden ga ik niet aan de haal. Maar ik kan al heel lang niet meer geen schrijver zijn. Dimitri Verhulst is twee instanties tezelfdertijd. Als je de mens wilt, moet je de schrijver erbij nemen. Anders valt er met mij niets te beginnen. Schrijven is mijn levensvorm. De mens Dimitri heeft de schrijver nodig en de schrijver Dimitri de mens. Veertig jaar samenleven cijfer ik niet weg. Erger nog: ik wil dat niet. Als je de schrijver kapot wilt schieten, moet die kogel ook door mijn eigen kop.” – Dimitri Verhulst in gesprek met Daniela Hooghiemstra in de Volkskrant.

Metropolis is vermaakliteratuur op zijn best. Gebruikmakend van historische feiten en personages heeft Kerr weer een spannend, intelligent en buitengewoon geestig boek afgeleverd.
[…] Kerr is onbetwist een van de allergrootste thrillerauteurs. Met zijn Bernie Gunther-reeks maakte hij duidelijk dat in tijden van oorlog bijna iedereen vuile handen maakt, óók degenen die zich verzetten tegen het nazi-regime.
Het besef dat Metropolis de allerlaatste Gunther thriller is stemt weemoedig. Dat Kerr met de dood op zijn hielen – hij had kanker – in vliegende vaart nog zo’n schitterende zwanenzang schreef, is een groot geschenk aan zijn fans. Een geste waarop maar één antwoord past: het herlezen van zijn vele prachtboeken.’ – Arjen Ribbens in NRC Handelsblad.

‘De bundel toont de makers in vol ornaat. Van der Linden blinkt uit als illustrator, die vele stijlen beoefent. Van de Vendel combineert al het goede van zijn eerdere werk als kinderdichter: de lichtheid van zijn Superguppie-dichtbundels, de speelsheid van Ik juich voor jou (2013) en de bundels stripgedichten en de vurige gevoeligheid van zijn jongerenpoëzie. Zijn technische beheersing is voorbeeldig: rijm en ritme kloppen zonder te nadrukkelijk te zijn, zijn liefde voor speelse neologismen tiert welig (en niet té).
[…] Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt is niet alleen de beste dichtbundel die Van de Vendel ooit maakte, maar ook een boek dat precies toont waar onze kinderliteratuur nu staat – een boek dat de heersende idealen voorbeeldig belichaamt. Namelijk: zo veel mogelijk op gelijke hoogte met kinderen, zónder te vergeten dat de schrijver volwassen is en de lezer kind.’ – Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

‘Hier en daar deden Julians tochten en ontdekkingen door Parijs me aan de grootmeester Patrick Modiano denken, maar dat is beslist geen diskwalificatie, het is juist die onverwachte mix van Hermans, Coetzee en Modiano die maakt dat ‘Trocadéro’ op eigen benen kan staan.’ – Rob Schouten in Trouw.

‘Meeslepend prachtproza.’ – Dirk-Jan Arensman in
Het Parool.

“Zoveel als we van de stadscultuur in de Gouden Eeuw weten, zo weinig weten we over het Nederlandse platteland in die tijd. Er zijn nauwelijks schilderijen van gebouwen of personen gemaakt, en naar een gebied als de Tielerwaard is weinig historisch onderzoek gedaan. Het was een kadootje dat ik 25 jaar geleden ineens op heel persoonlijke brieven stuitte van mij eigen voorouders van tien generaties geleden, boeren uit Herwijnen.” – Enny de Bruijn in gesprek met Laura van Baars in Trouw.

‘Coetzee, die volgend jaar 80 wordt, beseft dat de lezer hunkert naar antwoorden op een elementaire vraag: hoe te leven. Maar hij begrijpt ook dat de ene hunkering, naar rechtvaardigheid, dikwijls haaks staat op het andere verlangen, naar de onbetamelijke hartstocht, de sensatie in leven te zijn. Zijn enorme kracht als schrijver, die niet is afgenomen, is vooral te danken aan de ernst waarmee hij verhalen benadert, aan het belangrijke inzicht dat de verhalen die wij nodig hebben voor onze waarheid én onze hartstocht altijd ook ‘instrumenten voor onze eigen vernietiging’ zijn. Aan dat besef, dat een dilemma is, ontleent zijn oeuvre zijn schoonheid, zijn huiver, de indringende geur van het net uitgebrande vuur van de begeerte.’ – Arnon Grunberg in de Volkskrant.

Liefde, als dat het is nestelt zich in je en doet twijfels opborrelen over heersende normen, in het bijzonder over dat ‘gebeitelde verband’, het huwelijk.
[…] Marijke Schermer is hard op weg een van de interessantste schrijvers van Nederland te worden. Al het technische vernuft dat ze aanwendt voert je als lezer succesvol in een fuik. Schermers literatuur is zo’n belevenis omdat je alert moet blijven: er zit – net als in haar voorganger Noodweer – een geheim in Liefde, als dat het is, een geheim waar je zó overheen kunt lezen, dat je dus zelf moet onthullen, door je blinde vlekken onder ogen te zien, en dat volgens je aannames knap kan laten kantelen.’ – Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

‘Echt bijzonder aan deze roman is dat hij aantoont hoe je mensen van hun vooroordelen over hun Joodse buren kunt genezen door ze op hun schuldgevoel te wijzen. Hun Jodenhaat blijkt vooral gebaseerd te zijn op afgunst en hebzucht ten aanzien van mensen die het iets beter hebben.’ – Michel Krielaars in NRC Handelsblad.

“Daarom heb ik dus dat boek geschreven. Er zullen mensen zijn die zeggen: daar heb je Karin Bloemen weer met haar incest. Een meneer zei zelfs, wat was het woord nou, ze kokettéért ermee. Dat je denkt: echt waar, joh, noem je dat nou zo? Maar ik moet het aankaarten, het is mijn plicht te laten weten: het is niet jouw schuld als het gebeurt. En daarom moet ik erover schrijven, en Manon Uphoff moet erover schrijven en Erna Sassen, die het op de Kleinkunstacademie meemaakte, moet erover schrijven, zodat er nooit meer iemand zegt tegen een slachtoffer: en wat was jóúw aandeel?
Je zei: er spreekt woede uit je boek. Je zou het kunnen interpreteren als een soort laatste wraakactie. Maar dat is het niet. De woede zit erin dat het heeft kunnen gebeuren. Dat niemand in de omgeving de verantwoordelijkheid heeft genomen om in te grijpen. Die woede blijf ik altijd houden. Daarom vertel ik mijn verhaal.” – Karin Bloemen in gesprek met Evelien van Veen in de Volkskrant.

‘Net als in de rest van haar werk stelt Smith grenzen en lijnen ter discussie, van landsgrenzen en gender tot de vorm van een citroen. Ze laat zien dat het grote en het kleine niet te scheiden zijn, dat het een niet belangrijker is dan het ander, dat er altijd nieuwe verbanden mogelijk zijn, of zelfs een metamorfose. De taal draagt dit allemaal al in zich. De vorm die je kiest om iets te vertellen – een scenario, reclameboodschap, Tweet, e-mail, ansichtkaart, liedje, gesprek, roman – beïnvloedt wat je precies zegt. Smith maakt gebruik van al deze vormen, en andere, op een manier die tegelijk ingenieus en volkomen vanzelfsprekend is. Volgens Wittgenstein gebruiken filosofen taal die vervormd is, om de wereld te duiden, als lopen met schoenen die te krap zitten. En misschien doen we dat allemaal vaak wel. Smith trekt onze schoenen uit, en laat zien dat in, naast en achter alle woorden en verhalen andere schuilen, en dat die onze leefwereld vormen.’ – Eva Meijer in Trouw.

Frankusstein zit dan ook vooral intelligent in elkaar. Bewonderenswaardig is hoe de hoofdstukken uit het heden over Ry en het verleden over Mary elkaar afwisselen, hoe feit en fictie zich al even vlug vermengen. Winterson weet de twee tijdlijnen fantastisch met elkaar te verweven. Dat doet ze door plotwendingen waarvan het zonde zou zijn om ze in een recensie weg te geven, maar ook door diverse motieven in beide verhalen te laten overlappen. De liefde voor een ander. Vrouw-zijn, man-zijn, geen van beide zijn. De industriële en technologische revoluties. De liefde voor het leven, de drang dat leven te scheppen, of de dood te verslaan.’ – Roos van Rijswijk in NRC Handelsblad.

‘Lieke Kézér weet de even alledaagse als wonderbaarlijke gezinsdynamiek prachtig in beeld te brengen. Onder iedere terloopse opmerking, elk gebeurtenisje van schijnbaar niks gaat een enorm woud aan menselijke complexiteit schuil. Kézér vertelt objectief en rustig, zonder effectbejag.
[…]
Het is misschien een niet erg moderne schrijversopvatting die zegt dat onder de oppervlakte van het verhaal een diepere boodschap moet zitten, maar deze geboren schrijfster laat zien dat het nog altijd een geldig devies is.’ – Rob Schouten in Trouw.

Mocro maffia, ons vorige boek, is een van de eerste boeken over de subcultuur van jonge, kansarme en beïnvloedbare jongens met een veelal Morarokkaanse achtergrond, die bereid zijn voor luttele berdagen grof geweld te gebruiken, en ik denk dat veel mensen daar benieuwd naar waren. Zelfs al woon je naast dit soort jongens, je krijgt niets mee van die parallelle samenleving in Amsterdam. We merkten ook dat het boek enorm aansloeg onder jongeren. Nog steeds krijgen we vragen van scholieren voor boekverslagen.
[…] Het is bikkel-, bikkel-, bikkelhard. Het zijn zulke jonge jongens, ze weten helemaal niet wat dit voor de rest van hun leven gaat betekenen. Ik dacht vaak: doe dit nou niet! Ze doen het wel, en riskeren nu een levenslange gevangenisstraf.
Ik vond het schrijven dit keer ook veel zwaarder. Bij het vorige boek hadden we nog weleens de slappe lach – in het contrast tussen de straatcultuur en de witte Amsterdammer zit veel humor. Nu lukt het me niet meer om te lachen. Het is één bak ellende.” – Marijn Schrijver en Wouter Laumans in gesprek met Hannah Stöve in Het Parool.

‘Balzano moet grondig onderzoek hebben gedaan en ooggetuigen gesproken hebben. Niet dat hij belerend wordt, dit is een literair verhaal gebaseerd op literaire stijlmiddelen, prachtig geserreerd geschreven en zorgvuldig onromantisch vertaald door Edwin Krijgsman. En toch wolkt het van de pagina’s op hoe hard het toeging, hoe het voelt om weerloos te zijn, hoe politieke verwarring voelt voor mensen die aan eeuwen stilstand gewend waren.’ – Joyce Roodnat in NRC Handelsblad.

“Mijn boek gaat erover hoe wij herinneringen maken en hoe herinneringen ons maken. Maar als je een personage haar herinneringen laat vertellen, voeg je daar nog een filter aan toe. Elke verteller past haar verhaal gedeeltelijk aan de luisteraar aan.” – Sarah Meuleman in gesprek met Arjan Peters in de Volkskrant.

‘Afgelopen jaar verschenen twee klassieke romans uit de Afro-Amerikaanse literatuur van de jaren zestig en zeventig in vertaling: William M. Kelly’s ‘Uit de maat’ en James Baldwins ‘Als Beale Street kon praten’. Colson Whitehead toont zich in deze roman de erfgenaam van deze auteurs: hij bezit een poëtisch register en een drang tot experimenteren waarmee hij aan Kelly schatplichtig is, en een harde, realistische toon die aan Baldwin doet denken. Van beiden heeft hij de warm-menselijke ondertoon die toch prevaleert in een snoeiharde wereld vol onrecht.’ – Gerwin van der Werf in Trouw.

‘Dit helder gecomponeerde boek biedt niet alleen een aangename leeservaring, maar is ook een lust voor het oog. De prachtige kleurenafbeeldingen laten zien dat onweeer ook een favoriet thema voor schilders was. We zien bliksemschichten in woeste landschappen, de mythologische figuur Prometheus die het vuur aan de mensen geeft, en angstaanjagende Bijbelse taferelen die het einde der tijden aankondigen.’ – Lotte Jensen in de Volkskrant.