Het einde van de liefdesroman

‘Na twee verbroken huwelijken en een doodgebloede affaire met een getrouwde man zwoer Vivian Gornick (1935) de romantische liefde af. Meer dan dat ze troost boden, hadden de relaties haar denkruimte ingeperkt. En denken betekende alles voor haar. Het door haar moeder beleden geloof, begreep ze nu, was niet het gevolg van een natuurwet, maar van een sociaal-cultureel cliché – en dat cliché was schadelijk, met name voor vrouwen. Liefde was een waantoestand. Liefde maakte je afhankelijk. Liefde stond gelijk aan zelfverlies. Voor wie, zoals voor Gornick, het doel van het leven er in de eerste plaats uit bestond zelfinzicht te vergaren, had de romantische liefde niets te bieden. Sterker: ze was je grootste vijand.
[…] Dat ik over het privilege beschik om vanuit een onderzoekende houding na te denken over de baten van de liefde, hangt nauw samen met de kracht waarmee Vivian Gornick ze verwierp. Het lijkt me aannemelijk dat Gornick zich, door haar inspanningen om een paternalistische conventie te ontmantelen, gedwongen zag een deel van haar eigen verlangens te negeren, en op te geven. In de schrille toon waarmee ze zich in Het einde van de liefdesroman tegen de romantische liefde keert, klinkt door hoeveel kracht haar dat gekost moet hebben. Dat is onvoorstelbaar moedig te noemen. Wat Gornick ertoe bracht de stem te verheffen, was niet haar afkeer van de liefde, of een paradoxaal streven naar intimiteit. Het was een meedogenloze liefde voor het denken.’ – Shira Keller in NRC Handelsblad.