Linnaeus las sinds 2013

Max, Mischa ballade van het treurige café schorshuiden dingen die we verloren in het vuur billie en seb inham  oude hotel  troep

Wat lazen de Linnaeusmedewerkers in het verleden?

Max, Mischa & het Tet-offensief – Johan Harstad
Max, Mischa
Nu is Johan Harstad mijn favoriete auteur en wil ik elke letter die hij schrijft lezen. En toen ik begon te lezen was het boek nog niet af – ik kreeg dus steeds plukjes via de uitgeverij en had daardoor niet echt weet van de werkelijke omvang. Dat zijn grote voordelen, u als argeloze voorbijganger ziet misschien alleen maar een intimiderende kolos van een onbekende auteur.
En dan maakt Harstad het de lezer ook nog eens niet echt gemakkelijk. Het boek opent met hoofdpersoon Max, vijfendertig inmiddels, theaterregisseur, die door de VS toert met wat wel eens zijn laatste voorstelling kon zijn, en in zijn auto slaapt omdat hij het niet meer uithoudt in hotelkamers. Hij vertelt vrijwel meteen dat Mischa terug is naar Canada en dat Owen dood is. En voor je je kunt afvragen wie die mensen zijn, start hij een verhandeling over zijn toneelstuk over het kapitalisme waarbij elke avond wel mensen uit de zaal lopen (de hoofdrolspeelster hoopt op de keer dat de héle zaal voortijdig opstaat en wegloopt).
Harstad lapt de uitgeefregel ‘de eerste vijftig pagina’s zijn de schoenlepel van het boek’ heel erg aan zijn laars. Er is geen redacteur geweest die hem heeft kunnen overtuigen iets liever te zijn voor zijn lezers. ‘De mensen moeten maar een beetje moeite doen,’ was zijn antwoord toen ik hem ernaar vroeg (hij was gewoon bij ons in de winkel!).
Als je die moeite wilt doen, zul je rijkelijk worden beloond. Al snel vertelt Max over zijn jeugd in Stavanger, zijn verhuizing op zijn twaalfde naar Long Island, de moeite die het hem kostte zich aan te passen, het sluiten van vriendschap met Mordecai, de eerste ontmoeting met Mischa.
Er is niet echt een plot, geen moord, geen mysterie, het boek laat zich niet makkelijk samenvatten of navertellen. Het omspant vier mensenlevens (dat van regisseur Max, zijn beste vriend Mordecai (acteur), zijn vriendin Mischa (kunstenares) dus en zijn oom Owen (jazzpianist)) en dat is ook precies wat Max probeert te doen: hun levens omspannen, vasthouden, ze bij zich houden, tegen de vergetelheid in.
Geheel in overeenstemming met de omvang is het een boek waar ik uren over kan praten, pagina’s over vol kan typen. Het is een rijk boek, vol, overvol, zeker, ik zie ook de zwaktes, maar als ik straf zou krijgen en geen nieuwe boeken meer zou mogen lezen, dan zou ik dit boek lezen en herlezen en tevreden zijn.
Ik weet het, ik loop hopeloos vast, dit is een bespreking van niks, u weet nu nog steeds niet waar het boek nou over gaat. Ik kan nu zeggen dat het over alles gaat: kunst, muziek, theater, verliefdheid, scheiding, dood, orkanen, Vietnam, leven in New York na 9/11, het eten van kreeft, het breien van truien, het kijken naar de regen. Het gaat over het leven.
Ik heb het boek gelezen en herlezen en kan het nu op een willekeurige pagina openslaan (het valt echt heerlijk open) en dat geluksgevoel weer oproepen. Dat gevoel dat je alleen bent, maar niet eenzaam, dat je alleen bent, en gelukkig.
(Edith, juni 2017)

De ballade van het treurige café – Carson McCullers
ballade van het treurige caféGeen idee of deze rubriek trouwe lezers heeft, laat staan dat ik weet of die lezers mijn adviezen ter harte nemen. Mocht dat wel het geval zijn, en bent u een van hen, dan bent u vorige maand naar de boekwinkel in de buurt gegaan en heeft u Schorshuiden van Annie Proulx aangeschaft. En met een beetje goede wil bent u meteen begonnen. En als het u net zo verging als mij, heeft u al uw afspraken afgezegd en het boek achter elkaar uitgelezen. In dat geval – ik gun mezelf die illusie – bent u nu toe aan een ‘tussenboek’, een bumper, iets kleins, om los te komen uit de fascinerende wereld van de houthakkers en pelsjagers. Een verhalenbundel biedt dan doorgaans soelaas, maar na 795 pagina’s is alles snel te veel.
Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep heeft speciaal voor dit soort gelegenheden een verhaal van Carson McCullers los uitgegeven: De ballade van het treurige café. Na de 1,3 kilo is dit jaszakboekje een verademing. En wat een verhaal.
Miss Amelia – lang, gespierd, slim, onafhankelijk, zorgzaam maar stug – heeft een winkel, die ’s avonds verandert in een dorpscafé waar ze haar zelfgestookte whisky schenkt.
Op een dag komt er een gebochelde dwerg het dorp binnen die beweert haar neef te zijn. Amelia is – op een huwelijk van tien dagen na – altijd alleen geweest, maar neemt neef Lymon onverwacht liefdevol in huis en bloeit helemaal op. Als haar ex-echtgenoot terugkeert naar het dorp, komt alles op scherp te staan.
Het is een fantastisch verhaal met een fascinerende hoofdpersoon, een mooi melancholieke sfeer en een stijl om te zoenen. Er is één probleempje: nu wil ik eigenlijk alles van Carson McCullers lezen, tot en met haar autobiografie (google haar maar even, dan begrijpt u wel waarom), dus echt op adem komen na Proulx is er niet bij.
(Edith, april 2017)

Schorshuiden – Annie Proulx
schorshuidenHet was alles politiek de laatste weken. Voorbeschouwingen, duidingen, achtergronden, konksi’s en zorgen. Kranten, actualiteitenprogramma’s, gesprekken bij de bakker – het is natuurlijk goed dat politiek leeft, maar ik had het gevoel nergens veilig te zijn. Ik had steeds dat liedje van Jenny Arean en Frans Halsema in mijn hoofd, u weet wel, ‘Vluchten kan niet meer’.
Tot ik een week of twee geleden begon in Schorshuiden van Annie Proulx. En na tien pagina’s (oké, ik overdrijf: na twee) wist ik dat Jenny en Frans ongelijk hadden: vluchten kan nog wel!
Proulx schreef het ultieme vluchtboek: ze trekt je vanaf pagina 1 de woeste wouden van Nieuw Frankrijk in (we schrijven 1693), achter een groepje houthakkers aan die de natuur proberen te bedwingen en steeds meer mogelijkheden zien. (De televisie gaat en blijft uit.) Kapten ze eerst nog om een huis te kunnen bouwen en wat mais te telen, al snel lonken de handelsbelangen en het grote geld. (Het boek wint het van de krant.)
Je volgt de nazaten van het eerste groepje (er wordt wat afgesneuveld in dit boek). Ze waaieren uit, komen in Amsterdam terecht, reizen naar China (je neemt het boek nu toch overal mee naar toe voor het geval je lang moet wachten bij diezelfde bakker), drijven handel met de gehate Engelsen, de belangen worden groter, hun netwerken complexer en Proulx verzaakt nergens. (Je leest nu ook onder het eten.) Geen moment zakt het verhaal in, ze schrijft alsof ze erbij was, de stijl is levendig en bijna nonchalant, om dan elke pagina minstens één keer toe te slaan met een magistraal beeld. Een kapitein die hoge golven ‘honden die voor hun meester uit rennen’ noemt en een man met een baard ‘als een tarweveld’ en dat dan op één pagina – gelukkiger krijg je me niet.
Na een kleine 800 pagina’s levert Proulx de lezer keurig af in 2013 en als u nu begint, denk ik dat tegen die tijd het gesteggel over de formatie wel achter de rug is en het gewone leven weer een beetje zijn loop kan nemen.
Goed, ik ga weer af door de nooduitgang (nee, ik heb het nog niet uit, maar dit boek is zo goed dat ik voor het einde al durf te jubelen, dit kan niet meer misgaan), lekker verder vluchten.
(Edith, maart 2017)

Dingen die we verloren in het vuur – Mariana Enriquez
dingen die we verloren in het vuurAls ik dit stukje tik is de Week van het Korte Verhaal in volle gang, de winnaar van de J.M.A. Biesheuvelprijs is nog net niet bekend. Ik zit niet meer in de jury, dus ik kan alleen maar hopen dat mijn favoriet (Engels voor leugens van Bertram Koeleman) wint, weten doe ik het niet. Om mijn vingers desondanks niet te branden aan welke schijn van welke partijdigheid of voorkennis dan ook, kies ik hier voor de veilige optie iets vertaalds te bespreken en niet zo maar iets, nee, de briljante verhalenbundel van de Argentijnse Mariana Enriquez: Dingen die we verloren in het vuur.
Ik begon een paar maanden geleden voorzichtig aan deze bundel en omdat het boek nog niet gedrukt was en ik losse A4’tjes las, las ik de verhalen braaf op volgorde. Normaal kies ik de verhalen op lengte (afhankelijk van mijn leestijd), maar een stapel A4’tjes laat zich bij mij doorgaans nauwelijks dresseren, dus ik nam geen risico.
Dat pakte buitengewoon goed uit. Net zoals je sommige platen absoluut nooit via de shufflefunctie mag afspelen (nee, dit kan niet, maar jullie weten wat ik bedoel) moet je de verhalen uit deze bundel op de volgorde lezen die Enriquez bedacht heeft. Langzaam maar zeker lokt ze je mee naar de duistere uithoeken van haar bizarre fantasie. De eerste verhalen zijn nog redelijk ‘normaal’ maar gaandeweg worden de settingen gekker, gebeuren er steeds meer dingen die eigenlijk niet kunnen, of toch wel? Juist het feit dat je gaat twijfelen aan de geestesgesteldheid van de personages (vrouwen die voor gek verklaard worden door hun echtgenoot, maar jij als lezer bent er nog niet zo zeker van of er niet misschien wel een steekje aan hém loszit) maken de verhalen zo geweldig.
De manier waarop Enriquez schrijft geeft mij het gevoel dat ik in haar kielzog door de straten van Buenos Aires loop, haar tempo net iets hoger dan het mijne, zodat ik moeite moet doen haar bij te houden, maar zij vertelt en vertelt maar, desnoods half over haar schouder als ik iets te ver achteropraak. En ja, tegen de tijd dat ze dan eindelijk even stilstaat om mij op adem te laten komen, ja, dan gaat zelfs een verhaal over zombies er bij mij in.
Wat ook nog eens heel erg pleit voor deze bundel – en de uitgever – is dat er ‘verhalen’ op het omslag prijkt. Uit angst voor tegenvallende verkoopcijfers wordt dat vaak maar weggelaten. Hier niet, hulde! En dat er ook een quote op het omslag staat, nou ja, dat neem ik dan maar voor lief (quotes op omslagen vind ik nog erger dan stickers). Het is overigens een aanbeveling van Dave Eggers. Omdat het Eggers is en wat hij zegt heel erg waar, sluit ik af met het quoten van de quote: ‘Mariana Enriquez is een hypnotiserende schrijver die erom schreeuwt gelezen te worden.’
(Edith, februari 2017)

Billie en Seb – Ivo Victoria
billie en seb‘Jemig, wat mooi,’ verzuchtte mijn collega na de laatste zin die Ivo Victoria voorlas tijdens de presentatie van zijn nieuwe roman bij ons in de winkel. Victoria schrijft prachtig en verstaat de kunst van het voorlezen als geen ander, dus ik kon niet anders dan bevestigend knikken.
Billie en Seb is de vierde roman van de Amsterdamse Vlaming Ivo Victoria. En hij flikt het weer. Bij sommige auteurs denk ik na twee of drie boeken ‘nu weet ik het wel’, Victoria houdt mij nieuwsgierig.
Billie, de raadselachtige geestverwant van de zeventienjarige Seb ligt in coma na een ongeluk. Haar adoptiefouders wachten op het moment waarop ze met goed fatsoen de stekker eruit kunnen trekken, Seb wacht op een wonder.
Seb is een naar binnen gekeerde puber zoals je ze niet graag ziet. Eigenlijk was hij dat al als kleuter, toen hij het liefst dag en nacht een bivakmuts droeg om maar zo onzichtbaar mogelijk door het leven te bewegen. Seb zit binnen, ziet zijn vrienden nauwelijks, zegt niks, doet niks. Tot zijn ouders op het idee komen hem een geweer te geven met kerst, een airsoftgeweer, een Sniper. ‘Komt hij tenminste weer eens buiten, met zijn vrienden,’ is hun redenering. De vrienden van Seb hebben soortgelijke geweren en ‘spelen’ op een verlaten boerderij. Ze hebben strakke regels, maar voor Seb wordt het veel meer dan een spel.
Billie en Seb is een gelaagde roman: je hebt het ziekteverloop van Billie, het verhaal van Seb en zijn vrienden, de geschiedenis van de boerderij van Urbain, het huwelijk van de ouders (o, die ouders!) en de bespiegelingen van de oom, de broer van vader, die regelmatig op visite komt en in zijn eentje de rol van het koor uit een Griekse tragedie vervult: hij stelt de juiste vragen en geeft zo indirect commentaar op de loop van de gebeurtenissen.
Ivo Victoria heeft een tijdloze en toch heel actuele roman geschreven. Ja, er is internet, de jongens posten filmpjes op Facebook, maar dat is ondergeschikt. Het gaat over grote thema’s, wie heeft er nog idealen, waarvoor zou je willen vechten, kun je schuldgevoel te boven komen. Hij lokt je naar het fictieve plaatsje Gaspel en voor je het weet struin je door de gaspeldoornvelden, hoor je de golven beuken tegen de rotskust en denk je na over je eigen idealen. Waar zou jij voor willen sterven?
Er is heel veel over deze roman te zeggen, het is er een die zich moeiteloos twee keer laat lezen, zodat je er nog dieper in weg kunt zinken en nog meer ‘ziet’.
En mocht u de kans hebben Ivo Victoria te horen voordragen: grijp die kans, bijvoorbeeld op 1 februari in ‘Dwars door Oost’ in Jungle (voormalig Muiderpoorttheater).
(Edith, januari 2017)

Inham – Cynan Jones
inhamEigenlijk was ik van plan een kerstboek te kiezen, maar tegen de tijd dat u uw computer weer eens opstart om naar deze rubriek te klikken, is kerst alweer achter de rug. Dus geen mosterd na de maaltijd, maar een boek dat past bij de postkerstdip: Inham van Cynan Jones.
Cynan Jones is een Welshe schrijver die heel dunne boeken schrijft. Hij probeert het wel eens, een ‘proper book’ schrijven, maar het lukt hem gewoon niet. Bij een van zijn eerdere romans jokte hij over het aantal woorden, omdat zijn uitgever geen boeken onder de 30.000 woorden uit wilde geven. Het waren er maar 22.000 maar niemand heeft ooit iets gemerkt.
Ook nu, bij zijn vijfde boek, was de druk van de uitgever groot. Hij moest zich aan zijn contract houden en binnen een jaar na verschijnen van The Dig – vorig jaar verschenen in vertaling met de titel De burcht (ook verschenen bij uitgeverij Koppernik die de mooiste boeken maakt!) – met een boek van minimaal 35.000 woorden komen. Jones gooide zijn werkwijze om, zette alles op alles, maar eindigde na anderhalf jaar met een stapel kladpapier van ongeveer een meter. Hij kon het niet.
Uiteindelijk koos de uitgeverij eieren voor haar geld, gaf hem meer tijd en toen hij schoorvoetend op de proppen kwam met een roman van 11.500 woorden, waren alle werknemers unaniem enthousiast. 11.500. Inderdaad. De omvang van een lang kort verhaal. En toch is dit een roman en geen kort verhaal. Zelfs geen novelle.
Het verhaal is simpel: een man gaat met een kayak de zee op, wordt overvallen door een storm, getroffen door de bliksem en als hij weer bij bewustzijn komt blijkt hij halfverlamd. Hij is zijn geheugen kwijt, zijn richtingsgevoel, niks weet hij meer. Een verontrustend gegeven.
Gaandeweg kom je achter zijn verhaal, het motief van zijn tocht, je krijgt een glimp te zien van de mensen die op hem wachten, misschien zelfs wel naar hem zoeken.
En intussen zit hij in die kayak, hij wurmt zich uit zijn zwemvest, en trekt het toch maar weer aan, verwondt zich, probeert zichzelf te verbinden, en dat alles met maar één arm en wederom kans op storm.
Inham is een gelaagde roman, met peilloze diepten, onbereikbare vertes en veel lichamelijk ongemak. Jones schrijft zo precies en indringend dat ik tegen het eind opkeek en tot mijn verbazing merkte dat ik gewoon aan tafel zat en niet op zee. Ik had honger (want al die tijd dat ik las had ik niks gegeten) en had me toch even medeschipbreukeling gewaand die blootgesteld was aan zware ontberingen.
Zo voelen sommige mensen zich ook na twee dagen kerst met de familie. Waarmee dit toch nog een soort kerstboek is.
(Edith, december 2016)

In het oude hotel – Joseph Mitchell
oude hotelAfgelopen week kreeg Hendrik Groen de NS-Publieksprijs voor zijn boek Pogingen iets van het leven te maken. Dit is al het tweede boek van de vrolijk mopperende bejaarde Hendrik Groen dat zich op hoge verkoopcijfers mag verheugen. Tijdens het kijken naar de bekendmaking, live, bij DWDD, waarbij de publieksschuwe Hendrik Groen werd vertegenwoordigd door twee kloeke tachtigers uit Amsterdam-Noord, dreven mijn gedachten al snel naar een andere vrolijk mopperende bejaarde: meneer Hugh G. Flood, beter bekend als de oude meneer Flood, beschreven door Joseph Mitchell.
Joseph Mitchell is een beetje een writer’s writer en zoals u weet: dat zijn de beste. Mitchell (1908-1996) stond bekend om zijn straatreportages in New York – hij begaf zich graag onder de hardwerkende burgers – die hij maakte voor The New Yorker. In 1964 schreef hij ‘Het geheim van Joe Gould’ en daarna kreeg hij geen letter meer op papier. En dat is doodzonde, want wat mij betreft had deze man drie boekenkasten vol mogen schrijven, maar misschien is het voor de mythevorming wel beter. Het is in elk geval een goed verhaal. En zijn werk is mythisch.
De oude meneer Flood. Zelden trof ik een beter personage dan deze oude man van drieënnegentig die dolgraag honderdvijftien wil worden. Hij woont in een oud hotel, is gelovig maar gaat toch maar één keer per jaar naar de kerk, met Pasen: ‘“Ik ben een godvrezend man,” zegt hij, “en ik geloof in de gekruisigde en verrezen Jezus Christus en zijn wederkomst, maar meer dan één preek per jaar kan ik niet verdragen.”’ Daarnaast gelooft hij in een dieet van louter zeedieren. ‘Hij is ervan overtuigd dat het eten van vlees en groenten het leven verkort en houdt vol dat het enige verstandige voedsel voor een man, vooral voor een man die de honderdvijftien wil halen, vis is.’ En omdat hij overtuigd is van zijn theorie, voelt hij zich verplicht een spectaculaire leeftijd te bereiken om zijn gelijk te bewijzen.
De verteller zoekt meneer Flood op, loopt met hem mee als hij zijn rondje over de visafslag maakt, bezoekt hem op zijn verjaardag. Wat een heerlijk levenslustig personage die om het hardst moppert op de mopperaars, nooit naar de dokter wil en alles beter weet.
Mitchell lezen is een waar feest, ik ben uitgeverij Lebowski dankbaar dat ze de vertaling uitgebracht hebben. Uitgeverij Van Oorschot nam zijn non-fictie voor haar rekening – ook meer dan de moeite waard. Mitchell schrijft helder, zuiver. Hij geeft niet veel nagelaten, maar elke zin is een goeie in.
(Edith, november 2016)

Troep – Ilse Bos
troepEr zijn heel veel dingen leuk aan kinderen. Ik kan hier nu honderd-en-een dingen gaan opsommen, maar ik kom maar meteen to the point. Een van de leukste dingen aan kinderen is dat je ze kunt voorlezen.
Thuis heb ik er twee, eentje van zeven en eentje van negen en gelukkig mag ik ze nog steeds voorlezen. Ik weet eigenlijk niet wanneer je daarmee op moet houden, daar denk ik nog maar niet over na.
Het luistert nauw, niet elk kinderboek is een goed voorleesboek. Eigenlijk zouden alle auteurs hun eigen boeken minstens drie keer voor moeten lezen voor publicatie en prentenboekenauteurs minstens vijfentwintig keer. Een echt goed boek is namelijk ‘houdbaar’ en gaat ook bij de zoveelste keer voorlezen niet vervelen.
Het leuke van kinderboeken als genre vind ik dat er naast de tijdelijke bevliegingen door de jaren heen altijd boeken zijn en zullen verschijnen met een soort eeuwigheidswaarde. Mijn kinderen zijn net zo betoverd door Paul Biegel als ik destijds was, die magie gaat nooit verloren denk ik. Hoop ik.
En wat dan een fijne bijkomstigheid is, is dat je niet altijd boven op de actualiteit hoeft te zitten en niet altijd alleen maar het nieuwste van het nieuwste voor het voetlicht hoeft te brengen.
Goed. Een lange inleiding. Kennelijk heb ik toch het gevoel dat ik me moet verantwoorden voor het feit dat ik een boek ga aanprijzen dat al drie jaar oud is.
Drie jaar geleden kocht ik Troep van Ilse Bos. Het verhaal (een zootje kinderen zonder ouders op een binnenvaartschip) en de waanzinnig mooie illustraties van Linde Faas maakten dat ik het boek móést hebben. Voor de kinderen natuurlijk. Alles voor de kinderen. Maar ik begon erin en het verhaal was best ingewikkeld, veel personages en lange zinnen. Dus ik moest wachten. Wachten tot de zeven- en negenjarige zeven- en negenjarige waren. Maar het was het wachten meer dan waard, want wat een geweldig boek is Troep, wat was het fantastisch om voor te lezen. De zinnen van Ilse Bos zijn zo mooi, zitten zo vol kleine grapjes en mooie beschrijvingen, ze lopen zo goed, dat ik nergens bleef haken. En de kinderen hechten er niet meer zo aan bij andere boeken, maar hier wilden ze de plaatjes zien. Regelmatig betrapte ik er eentje overdag, met het boek in een hoek om stukjes terug te lezen en de plaatjes te bekijken.
Het verhaal? Het verhaal is als volgt: je hebt de Blauwtje, een binnenvaartschip, die aan het Vieze Landje ligt en waarop Pola, Vladimir, Wanja, Wolke, Nillem, Knut, Aznar, Mo, Wally, Trijn, Hidde, Flip en Tuitje wonen. Taatje, de moeder van Pola, Flip en Tuitje, is altijd op reis, op zoek naar Willem, haar grote liefde. De andere kinderen zijn aan komen waaien. Ze redden zich prima, gaan naar school, zorgen voor zichzelf en voor elkaar, maar mevrouw Wijfjes van het Zorgbureau loert naar ze. Ze maakt zich vre-se-lijk veel zórgen, om die schat-ti-ge kín-der-tjes die zonder móé-der óp-groeien. Ze wil niets liever dan ze in verschillende pleeggezinnen onderbrengen, maar de kinderen die elkaar ‘broertjes en zusjes’ noemen, willen bij elkaar blijven. Als er dan ook nog allerlei geheimzinnige gaten in de stad opduiken die verband houden met de aanleg van de nieuwe metrolijn (hoe actueel wil je het hebben!) is het de hoogste tijd dat de kinderen op zoek gaan naar een vader en er en passant proberen achter te komen hoe het nu eigenlijk zit met die gaten.
Het is een prachtig, magisch, surrealistisch, liefdevol, vrolijk boek, dat mij en de kinderen nog lang zal bijblijven en waarvan ik zeker weet dat zij het later aan hun kinderen zullen voorlezen. Pas drie jaar oud, nu al een klassieker.
(Edith, september 2016)

De misdaad van graaf Neville – Amélie Nothomb
misdaad van graaf nevilleEr zijn weinig schrijvers van wie ik alles heb gelezen. Er zijn schrijvers die ik heel goed vind, maar ik voel niet altijd bij elk nieuw boek de urgentie het direct te lezen. Nieuwe boeken van Vaste Waarden bewaar ik vaak voor ‘later’, als ik tijd heb.
Van wie ik wel altijd meteen het nieuwe boek koop én lees is Amélie Nothomb. Ze is enorm productief, minstens één boek per jaar, maar het zijn altijd dunnetjes, zo dun dat zelfs ik ze in een paar uur uit heb. Ik bewaar haar boeken graag voor de vakantie, het zijn voor mij goede ‘loswekers’.
Nothomb is een van de malste auteurs die ik ken. Er zijn er vast gekker, maar Nothomb heeft iets licht hysterisch over zich, ze is een beetje mensenschuw ook. Haar boeken zijn eigenlijk altijd idioot, ook nu weer.
De misdaad van graaf Neville gaat over een Belgische adellijke familie die bankroet is en het familiekasteel moet verkopen. Bij wijze van afscheid wil de graaf – die gastvrijheid hoog in het vaandel heeft en weet hoe je een feestje moet geven – nog één tuinfeest organiseren. Vlak voor het zover is loopt zijn dochter weg. De graaf krijgt bericht van een waarzegster die zijn dochter gevonden heeft. Als hij haar ophaalt, meldt de waarzegster en passant dat de graaf op het laatste tuinfeest een van zijn gasten zal vermoorden. Spoorslags gaat de graaf de gastenlijst af (hij gelooft net als veel mensen niet in voorspellingen tenzij ze hem zelf betreffen) om te bepalen wie het slachtoffer moet worden.
Goed. Een mal gegeven. Was het boek door een ander geschreven en had ik deze tekst op de achterflap zien staan, dan had ik het boek laten liggen. Maar nu is het een Nothomb en zij stelt me nooit teleur. Op bladzijde 10 was ik al om: de weggelopen dochter blijkt Sérieuse te heten. Dan ben ik aan boord hoor.
Wat volgt is een gek, klein verhaal, met geestige dialogen, onverwachte wendingen en rare details. Je kunt er van alles van zeggen: heeft het verhaal wel genoeg diepgang? Ligt de knipoog naar Wilde er te dik bovenop? Wat wíl ze eigenlijk met dit boek?
Waar ik vaak maar al te graag de discussie aanga over wat goede literatuur is, doe ik er hier graag het zwijgen toe. Nothomb is slim, gek, onaangepast en maakt mij per boek meermaals aan het lachen en dat zegt mij genoeg.
(Edith, augustus 2016)

Stad in brand – Garth Risk Hallberg
stad in brandMensen die mij een beetje kennen weten dat ik van korte verhalen houd. En als u mij een beetje beter kent, weet u ook dat ik me doorgaans niet zo laat meeslepen door hypes.
En waar kom ik nu mee? Een heel dik boek (1056 pagina’s) waar al voor verschijnen enorm veel over te doen is. (In Amerika vooral, hoor, u hoeft nu niet het gevoel te krijgen dat u iets gemist hebt.)
De laatste twee maanden werden mijn gedachten beheerst en gestuurd door Stad in brand van Garth Risk Hallberg. Ik ben er zo vol van, dat ik het erover móét hebben.
Stad in brand is een debuutroman (waar de auteur, de zevendertigjarige Hallberg, op basis van slechts een paar hoofdstukken een voorschot van twee miljoen dollar voor kreeg, u begrijpt waar de ophef vandaan komt) die heel dik is – het ademt een soort jeugdige overmoed – maar ik kan niet anders zeggen dat die omvang ook een van de sterke punten is. Het is overweldigend, wijdlopig en overdonderend – echt zo’n boek om in te wonen, om maar even een cliché uit de kast te trekken.
Het voert te ver het hele verhaal uit de doeken te doen, ik zal proberen het kort te houden: New York, halverwege de jaren zeventig, pakweg tien hoofdpersonages uit diverse milieus (van rijke projectontwikkelaars tot punkers) wiens levens elkaar kruisen, gelardeerd met typografische uitstapjes.
Tot zover niks nieuws onder de zon, maar wat mij zo raakte in dit boek is de stijl, de empathie, de liefde voor de taal en de personages. Hallberg geeft iedereen de ruimte, verdeelt zijn aandacht evenredig over de verhaallijnen. Hij lapt een van de Grote Schrijfregels ‘Show, don’t tell’ aan zijn laars, I will tell it all lijkt hij gedacht te hebben. En met al die aandacht voor details, het neerzetten van scènes, drukte Hallberg bij mij op allerlei knopjes. Ik liep anders door de stad, zag weer het mooie in kleine dingen, kon weer meer sympathie voor mensen opbrengen – iedereen doet zijn best – en kleine gebeurtenissen werden direct in volzinnen omgezet. (Die zinnen ben ik ook weer kwijt hoor, geen zorgen.)
Het boek sloot mij langzaam in. Voerde ik een gesprekje over het verschil tussen honger en trek? Een uur later ging het bij Hallberg over het verschil tussen honger en trek. Viel de naam Cecil B. DeMille bij Hallberg? Zat de rest van de dag het nummer ‘Starlight’ van Lou Reed in mijn hoofd. En zo heb ik een waslijst aan dingetjes die dit boek voor mij steeds dierbaarder maakten.
Een literair meesterwerk? Een beetje cynische recensent zal zeggen: nee. Maar na het lezen van Stad in brand ben ik ruimhartig. Dus zeg ik gewoon: ik hou van dit boek en mis het heel erg.
(Edith, december 2015)

Tsjik – Wolfgang Herrndorf
tsjikOp vakantie naar Spanje; Sevilla, Andalusië, de warmte tegemoet. Minder dan twee weken zouden we gaan, dus heel veel boeken mee hoefde niet. Bovendien, we komen altijd met meer boeken thuis dan we mee vertrokken zijn en Sevilla bleek een echte boekhandels-stad. Je zou kunnen zeggen, hoe minder je meeneemt, hoe belangrijker het wordt wat je wél meeneemt. Die minimale bagage moet dan wel kwaliteit hebben. Niet te moeilijk of zwaar, want vakantie, zon, ontspanning, et cetera. Maar ook geen niemendalletjes, want daar hou ik niet van. Een eeuwig terugkerend zomerdilemma dit, het oplossen waarvan ik stiekem wel geniet.

Het openingsboek werd deze zomer Tsjik van Wolfgang Herrndorf en het weerstond de druk glansrijk. Hier had ik ook op gehoopt, want ik kende het boek al een beetje. Vorig jaar was ik aan Tsjik begonnen in het Duits en tot ongeveer een derde gekomen. Hoewel de geestelijke worsteling van het lezen in een andere taal dan mijn gebruikelijke leestalen Nederlands en Engels mij wel beviel, werd dit toch overtroefd door mijn ongeduld; het schoot niet op en dat irriteerde me. Zeker omdat Tsjik juist een heerlijk vlot en lekker boek is. Daar moet je niet ploeterend doorheen, vijf woorden opzoekend per pagina, maar je laten meevoeren door de flow die Herrndorf zijn verhaal zo goed heeft weten mee te geven.
Toch maar Nederlands dus, en waarom ook niet, het boek is uitstekend vertaald. Gewoon weer opnieuw beginnen en nu schoot ik er ineens doorheen. Het is een prettig gek verhaal over de schuchtere Berlijnse jongen Maik die per ongeluk bevriend raakt met zijn Russische klasgenoot Andrej Tsjichatsjow, zeg maar Tsjik. Het is de grote zomervakantie in Duitsland (hoe toepasselijk) en Tsjik stelt voor om een reisje te maken in een aftandse Lada die hij heeft weten te jatten. Hij wil naar Walachije rijden, maar begrijpt niet helemaal dat dat in Duitse oren klinkt alsof hij een ritje naar Timboektoe voorstelt (overigens is Walachije gewoon de oude naam voor Zuid-Roemenië, alwaar ik regelmatig verblijf, maar Maik ziet dit anders).
Tsjik weet Maik toch zover te krijgen en zo begint hun roadtrip door Duitsland, richting het oosten of het zuiden of iets in die richting. Het enige probleem is dat Tsjik en Maik allebei pas veertien zijn en Tsjik nog niet zo veel ervaring als bestuurder heeft, laat staan een rijbewijs. Een ‘recipe for disaster’ zou je denken, maar ze brengen het er nog aardig vanaf. Ze ontmoeten interessante mensen en komen op aparte plekken in Duitsland. Walachije bereiken ze niet, want het gaat natuurlijk een keer mis. Toch hebben Maik en Tsjik een leukere zomer dan hun klasgenoten.
Tsjik is een origineel boek, dat door Herrndorfs geestige en taalrijke schrijfstijl een onweerstaanbare vaart krijgt. Ideaal om de vakantie mee af te trappen, voor eenieder vanaf pak ‘m beet zestien jaar die wel houdt van een gek verhaal.
(Casper, septemeber 2015)

De moord op Margaret Tatcher – door Hilary Mantel
Vuurpijlen vangen – Karen Köhler
Honingdauw – Edith Pearlman
Het zal u misschien verbazen maar ik ben een slordige lezer. Of nee, dat zeg ik niet goed: ik ben een rommelige lezer. Ik lees precies en langzaam, maar wel vaak meerdere boeken door elkaar. Meestal lees ik zo’n twee à drie romans naast elkaar, een boek per week voor mijn werk en dan heb ik nog een stapeltje verhalenbundels waarmee ik de gaten dicht.
En ineens realiseerde ik me dat ik de afgelopen tijd alleen nog maar verhalenbundels las (en dan dat ene boek per week voor mijn werk, maar dat kan alles zijn). Het lezen van korte verhalen is zo fijn omdat het altijd wel ergens tussendoor kan. Een mooi afgerond verhaal, in tien, twintig, dertig pagina’s, daar is altijd nog wel tijd voor. Ik gebruik korte verhalen ook vaak als ‘bumper’ tussen twee romans, om even los te komen van het vorige boek zonder dat je meteen weer vol aan de bak moet.
Maar. Het genre zit in de lift. Er verschijnen veel bundels. En dus heb ik ineens een hele stapel verhalenbundels naast mijn bed/bank/stoel/bureau/in mijn tas, en toevallig zijn het ook nog eens voornamelijk bundels van vrouwelijke schrijvers. En dat voor iemand die én nooit verhalen wilde lezen én altijd beweerde dat vrouwen niet kunnen schrijven (dit was vroeger hè, mensen, niet meteen boze brieven gaan schrijven).

moord op margareth thatcher
Ik zal er een paar uitlichten. De allermooiste besprak ik hier al eerder (Handleiding voor poetsvrouwen van Lucia Berlin) en de bizarste (Mens vs natuur van Diane Cook) besprak Carel van Pampus al in week 15. Ik noem nu Honingdauw van Edith Pearlman, Vuurpijlen vangen van Karen Köhler en De moord op Margaret Thatcher van Hillary Mantel.
Hilary Mantel kent u misschien van Wolf Hall, the grand old lady van de Britse literatuur, een keurige dame, dacht ik, die mooie historische romans schrijft, dacht ik, maar wat een vileine, ja, ronduit gemene verhalen schrijft zij! De verhalen hebben een licht ontwrichtende werking en moeten dus met mate geconsumeerd worden.
vuurpijlen vangenToen was daar ook ineens Vuurpijlen vangen van de Duitse actrice Karen Köhler. Negen totaal verschillende verhalen, van grappig tot hartverscheurend, van surrealistisch tot heel erg hier en nu. Ze experimenteert naar hartenlust met het genre (een verhaal in ansichtkaarten, goed gedaan) en laat de emoties van de lezer ook lekker alle kanten op schieten. Ook hier weer de waarschuwing: niet allemaal achter elkaar eten.
honingdauwDe laatste bundel die ik hier wil bespreken (nou ja, bespreken, het zijn wel heel korte stukjes allemaal) is Honingdauw van Edith Pearlman. Ik vond Handleiding voor poetsvrouwen van Lucia Berlin zo ongelofelijk mooi dat ik het niet uit wilde lezen omdat ik de gedachte het laatste verhaal van Berlin te hebben gelezen niet kon verdragen. Maar toen kwam Pearlman. Lees het eerste verhaal en u begrijpt dat ik Berlin nu wel uit durf te lezen.
(Edith, juni 2015)

Handleiding voor poetsvrouwen – Lucia Berlin
handlHet gebeurt me soms: dat ik een boek zo goed vind dat ik niet meer weet waar ik de woorden vandaan moet halen om uit te leggen waaróm ik het dan zo goed vind. En wat er dan precies zo bijzonder aan is. En waarom ik iedereen (nou ja, bijna iedereen) deze leeservaring gun. Ik ga blozen, stotteren en dingen roepen als: ‘Ja nou, het is dus écht zó móói’, waarbij zelfs mijn liefste collega’s in de boekhandel het hoofd schudden en weer over gaan tot de orde van de dag.
Handleiding voor poetsvrouwen van Lucia Berlin is zo’n boek. En uitgerekend dit boek wil ik graag tot Boek van de Week uitroepen. Terwijl ik dus eigenlijk niet zo goed onder woorden kan brengen waarom ik het zo mooi vind. Goed plan. Eén voordeel: u kunt mij nu niet zien blozen en dat ik dit heel stamelend getypt heb, is ook niet terug te zien.
Dat u misschien nog nooit van Lucia Berlin hebt gehoord is niet vreemd. Ik had in elk geval nog nooit van haar gehoord en dat vind ik nu dus onbegrijpelijk, ja, zelfs onuitstaanbaar. Lucia Berlin, geboren in 1936 in Alaska, schreef 76 korte verhalen en stierf in 2004, volgens velen als een van de best bewaarde literaire geheimen van Amerika.
Gelukkig was daar uitgeverij Lebowski (u weet wel, van Stoner) en hoe ze Berlin daar op het spoor zijn gekomen weet ik niet, maar ze hebben haar gevonden en twee weken geleden verscheen dan deze bundel, 29 verhalen en een waanzinnig mooi voorwoord van Maartje Wortel. Ook zoiets: ik hou niet zo van voor- en nawoorden, maar dit voorwoord is zo mooi, dat je alleen daarom al de bundel wilt blijven vasthouden.
En dat is wat ik dus nu al twee weken doe. Het boek (uitgegeven in het Book of the Month-stramien, gebonden en met een doorzichtig stofomslag, ook alweer zo mooi) is steeds in de buurt, in mijn tas, op mijn bureau, in bed. De verhalen spelen zich grotendeels af in verpleeginstellingen, eerstehulpafdelingen, in huizen van rijke mensen die een poetsvrouw in dienst hebben. Lucia Berlin schrijft totaal zonder effectbejag, in een heel terloopse stijl over gewone mensen, die aan de rafelranden van de maatschappij opereren, maar ze is nergens cynisch, nooit grof, het is warm en bovenal empathisch. Het is precies zoals Maartje Wortel schrijft in haar voorwoord: ‘Het is alsof een totale vreemde in een lege bus even heel dicht tegen je aan zit en je grappige, vreemde, lieve, ontroerende, ware, sexy, mooie dingen verteld. Het is verwarrend en warm tegelijk.’
Hiermee moet u het maar doen. En mijn rode wangen mag u erbij denken.
(Edith, mei 2015)

Dept. Of Speculation/Verbroken beloftes – Jenny Offill
verbroken beloftesEen boek herlezen is een luxe die ik mezelf nauwelijks gun. In een hopeloze poging een beetje bij te houden wat er zoal verschijnt, heb ik de rust niet een boek na lezing opnieuw op te pakken. (Een van mijn collega’s hier leest boeken die niet meer leverbaar zijn. Ik denk dat ik me dat pas toesta als ik tien jaar met pensioen ben.) Maar zo af en toe doe ik het. Soms heb ik gewoon best een goede smoes. Zo wilde ik heel graag weten of de vertaling van Dept. Of Speculation (dat ik twee maanden geleden in het Engels las) geslaagd was. Het was een echte smoes, want ik heb een groot vertrouwen in vertaalster Roos van de Wardt (die eerder al vrij briljante vertalingen afleverde van het inktzwarte Idiopathie van Sam Byers en de laatste Hornby). Het was met recht een smoes; dat ik dat boek nog een keer zou gaan lezen stond vooraf eigenlijk al vast.
Dept. Of Speculation gaat over een jonge vrouw, een tikkeltje cynisch, maar dapper – ze trouwt, krijgt een kind en is eigenlijk gewoon gelukkig. Maar onder die dunne deken van geluk brokkelt de hoofdpersoon steeds verder af. Ze doet echt haar best, maar ze raakt steeds meer losgezongen van haar man, haar kind, omgeving, vriendenkring, tot de onthechting bijna compleet is.
Wat het boek zo bijzonder maakt is niet zozeer de thematiek als wel de stijl. In korte hoofdstukken met heel veel witregels maakt Offill de verwijdering zo intens voelbaar, dat ik niet anders dan met buikpijn verder kon lezen. Het zijn vrij eenvoudige ingrepen: eerst heb je een ‘ik’ en een ‘jij’ – de ‘jij’ wordt een ‘hij’ en daarna ‘de echtgenoot’, de ‘ik’ ondergaat dezelfde behandeling. Simpel, maar o zo doeltreffend.
Dept. Of Speculation verschijnt bij De Geus onder de malle titel Verbroken beloftes, met een behoorlijk lelijk omslag (een hint naar een envelop – in het boek sturen de hoofdpersoon en haar man elkaar brieven met als retouradres Departement van Speculatie, vandaar de Engelse titel), en in een ijzersterke vertaling van Van de Wardt. Dus don’t judge this book by it’s cover nor it’s title en kom maar snel naar de winkel.
Ik sluit een derde lezing niet uit.
(Edith, april 2015)

Vrij – Willy Vlautin
Vlautin-Vrij@8.inddDe blaadjes zitten nog aan de bomen, maar de nachten lengen en gisteren dacht ik voor het eerst weer aan mijn wanten. Ik vind het wel een prettig jaargetijde, het najaar, de winter, lange avonden, koude nachten – meer tijd om te lezen, denk ik dan. Maar dat denk ik altijd. Meer tijd voor mistroostige boeken, denk ik dan. Maar dat denk ik ook altijd.
Een schrijver die prima in dit jaargetijde past is Willy Vlautin. Zijn boeken (Motel Life, Leane on Pete, Northline en The Free) kun je met recht mistroostig noemen, zijn personages scheren langs de afgrond van het leven, zijn zinnen zijn kaal.
Vorige week verkeerde ik in de gelukkige omstandigheid naar Willy Vlautin te mogen luisteren, op Crossing Border. Eerst naar Vlautin de gitarist, in een van zijn bands, The Delines, daarna naar Vlautin de schrijver, in een interview met Auke Hulst. Zelden hoorde ik een schrijver met meer bevlogenheid over zijn werk vertellen. Hij leeft echt met zijn personages, hij leeft niet met ze méé, hij leeft echt mét ze. Over Allison uit Northline (vertaald als Noordwaarts, met soundstrack!) zei hij: ‘Oh, that girl made me cry so many times.’ En de vijftienjarige wees Charley Thompson uit Leane on Pete (De ruwe weg) is zo ongeveer zijn motor. Als Willy niet uit bed kan komen of geen zin heeft om te werken, denkt hij: Charley was allang opgestaan, en hup, daar zwaaien de benen over de rand en daar gaat Willy aan de slag. Ik vond dat fascinerend. Hoe kon een schrijver zo intens opgaan in zijn personages en zich door hen laten toespreken terwijl hij ze zelf in het leven had geroepen? Helaas ging de interviewer daar niet op in.
Deze maand – altijd regen, altijd november, altijd dit lege hart, altijd – verscheen de vertaling van Vlautins laatste boek: The Free. Hij noemt het zelf een ode aan ‘de gewone mens’ – een verpleegster, een oorlogsveteraan, een gescheiden vader die letterlijk dag en nacht werkt om de alimentatie en de doktersrekening van zijn dochtertje te kunnen betalen.
Je kunt het boek lezen als een politieke aanklacht (tegen de militaire interventies, tegen de Amerikaanse gezondheidszorg), maar het is vooral een boek over mensen over wie het nooit gaat. De mensen die door hard werken de samenleving overeind houden.
Het fijnste van Vlautin is misschien nog wel dat zijn personages – hoe zwaar ze het ook hebben, hoe slecht het ook met ze gaat, en hoezeer ze een reden hebben om af te glijden – standhouden, ze houden moed, ze houden hoop. En daarom hou ik echt van die schrijver en daarom raad ik u zijn boeken van harte aan. Juist in deze tijd van het jaar.
(Edith, april 2015)

Morgen komt Liesbeth – Olivier Willemsen
morgen komt liesbethOké, ik biecht het meteen op: ik ken Olivier Willemsen, zij het via via, maar ik wist al van zijn bestaan voor ik dit boek in handen kreeg. Oké, ik kreeg het boek in handen omdat ik van zijn bestaan wist. Zo zal het ook zijn. Maar daarmee beland je nog niet boven op mijn te-lezen-boeken-stapel en word je zeker niet uitgeroepen tot Boek van de Week op oost-online. Daar is meer voor nodig.
Nee, de werkelijke reden waarom het boek direct boven op de stapel belandde, sterker nog: de stapel nooit bewoond heeft, is de ijzersterke eerste alinea:
Morgen komt Liesbeth. We wachten al twee weken op haar. Soms stapt er iemand uit de tram die op Liesbeth lijkt. Dan drukken we ons tegen het raam. Zodra het licht wordt, zitten we daar in het raamkozijn. We kijken de eerste trams in de Gürtel leeg. En we kijken naar de sneeuw. De verse sneeuw op de daken tegenover ons, of die in de Gürtel beneden. We weten zeker dat Liesbeth morgen komt, maar we hoopten op wat eerder, Ze had dit zelf gezegd. ‘Reken er niet op,’ zei ze, ‘maar misschien kom ik wat eerder.’
Een begin waar ik mee uit de voeten kan. Ik wil meteen verder. Ik wil weten wie Liesbeth is, wie er op haar wacht en waarom.
Echt makkelijk maakte Willemsen het me niet: mijn prangende vragen kregen geen panklare antwoorden. Maar Willemsen is ook helemaal niet bezig met de lezer, hij is geen pleaser, zijn empathie gaat uit naar de hoofdpersonen: twee broertjes, van een jaar of zes, zeven schat ik. Je moet het doen met hun blik op de wereld, hun interpretatie van de feiten. En daardoor begint Morgen komt Liesbeth als een lief sprookje.
Maar zoals u en ik weten: lieve sprookjes bestaan niet, sprookjes zijn gruwelijk. En dat geldt ook voor dit sprookje. Willemsen slaagt erin met minimale informatie de keel van de lezer langzaam dicht te schroeven. Ik moest het aan het eind echt meerdere keren wegleggen omdat (ja, ook omdat ik een watje ben) je het noodlot liever niet in de ogen kijkt. IJzig van hart degene die dit in één ruk uitleest.
Onderga dit stilistisch nagenoeg perfecte debuut.
(Edith, december 2014)

Wacht op mij! – Michele Serra
wacht op mijSlechts 112 pagina’s, maar ik zou er uren over kunnen vertellen. Wacht op mij! is zo’n boekje dat je graag met zoveel mogelijk mensen wilt delen. Je leest de ene geestige alinea na de andere anekdote en je hebt continu de neiging passages voor te lezen aan wie ze maar horen wil. En als je het boek niet bij de hand hebt, wil je erover vertellen. Je wilt vertellen hoe grappig het is, en hoe verontrustend, voor ouders van jonge kinderen (zoals ik, er staat mij nog iets te wachten!).
Wacht op mij is de monoloog van een gescheiden vader aan zijn puberzoon. De vader doet zijn best, dat moet gezegd. Hij probeert zijn puber lichtjes bij te sturen, met grappige briefjes te attenderen op kleine huishoudelijke karweitjes en hij wil hem o zo graag een aantal onvergetelijke herinneringen bezorgen.
Zo neemt hij zijn zoon en een neefje bijvoorbeeld mee naar de traditionele druivenpluk op het familielandgoed. Tijdens de autorit ernaartoe wil hij zich samen met de jongens vergapen aan het schitterende landschap, maar als hij omkijkt, zit de een met zijn telefoon en de ander met zijn tablet te pielen. En ook al lijken ze leuk mee te doen tijdens het diner, de volgende ochtend – iedereen is lekker vroeg opgestaan – geen spoor van de jongens natuurlijk.
Het allerliefst wil de vader met zijn zoon de Colle della Nasca beklimmen, zoals hij zelf met zijn vader ooit deed. Eerst vraagt hij het nog vriendelijk, maar zijn vraagstelling wordt allengs dwingender (‘Doe het niet voor mij, doe het voor jezelf!’) (‘Ik weet dat je het eigenlijk heel graag wilt, maar te trots bent om dat te laten merken.’) (‘Ik breek je je rug als je niet met me meegaat!’). En uiteindelijk lukt het hem – de zoon gaat mee. Slecht gekleed, in een erbarmelijke conditie, maar ze klimmen, samen. Wat volgt is een even hilarische als ontroerende tocht, in alles voelt de vader dat de zoon los is van hem, op eigen benen staat, zijn eigen leven leidt. Het enige wat hij nog kan roepen is: ‘Wacht op mij!’
Dit boekje is een hart onder de riem voor elke ouder met pubers, en dankzij de bescheiden omvang is er een gerede kans dat je het uit kunt lezen tussen de discussies met je kind door.
(Edith, december 2014)

Ripper – Isabel Allende
ripperIk had een paar dagen vrij en was op zoek naar een lekker leesboek. Niet te ingewikkeld, maar wel goed geschreven. Omdat ik door alle lyrische besprekingen toch nieuwsgierig was geworden, ging Ripper van Isabel Allende mee in de tas. Ik had in een ver verleden met veel plezier Het huis van de geesten van haar gelezen. Geïnstalleerd in mijn comfortabele stoel begon ik te lezen en ben niet meer opgehouden. Wat schrijft Allende goed! Ripper is spannend tot de laatste pagina, zit goed in elkaar, er zit humor in en haar personages zijn tot in de puntjes uitgewerkt. Ik ben blij dat mijn keuze op haar is gevallen!
Het boek gaat over Indiana Jackson, alleenstaande moeder die met haar dochter Amanda in het hippe, hedendaagse San Francisco woont. Indiana verdient haar kost met alternatieve geneeswijzen en ze houdt van twee mannen: Alan Keller, een rijke kunstliefhebber en Ryan Miller, een ex-marinier. Amanda houdt van de duistere kant van het leven en speelt (als gamemaster) met een aantal mensen het ‘Ripper-spel’ op internet. In dit spel proberen ze moorden uit de negentiende eeuw op te lossen. Maar als de groep haar aandacht verlegt op een aantal recente bizarre moorden in San Francisco, begint een dodelijk spel…
Een heerlijk boek voor het weekend, de vakantie, de paasdagen of gewoon op de bank!
(Anja, september 2014)

De heilige van de berg Koya – Kyoka Izumi
heilige-van-de-berg-koyaIn De heilige van de berg Koya vertelt een rondreizende monnik over een van zijn reizen door Japan. Hij was toen nog een jonge monnik en moest een lange, eenzame weg door de bergen afleggen. Natuurlijke obstakels komen op zijn pad, zoals slangen, bloedzuigers en een vreselijke hitte, maar ook menselijke belemmeringen.
Uitgeput klopt de monnik aan bij een verlaten berghut, voor onderdak en de mogelijkheid zich te verfrissen. Een wonderschone vrouw ontvangt hem en leidt hem naar een verfrissende bergbeek. De vrouw begint hem te verleiden. Hiertegen is de monnik maar amper bestand en het kost hem de grootste moeite zich van de charmes van deze vrouw los te rukken. Achteraf hoort hij wat voor lot hem bespaard is gebleven.
Kyoka Izumi schreef deze novelle in het jaar 1900, maar het verhaal zou ook duizend of tweeduizend jaar daarvoor kunnen spelen. Afgezien van een verwijzing naar een trein is dit een tijdloos, mythisch Japan. Het boek leest eigenlijk als een sprookje. De episode bij de verleidelijke vrouw doet denken aan Odysseus bij de tovenares Circe. Izumi schrijft alles op in korte, eenvoudige hoofdstukjes, maar geeft zijn verhaal tegelijkertijd een bovennatuurlijke draai. Met De heilige van de berg Koya transporteert hij de lezer voor even naar een mythische wereld. Ook de moderne Japanner anno 1900 zal daar behoefte aan hebben gehad. Dit boek is de laatste uitgave van Coppens & Frenks, uitgever van mooie literaire werken voor fijnproevers. Bedankt daarvoor.
(Casper, augustus 2014)

Ambulance – Johan Harstad
ambulanceIn de Week van het korte verhaal leest Linnaeus natuurlijk korte verhalen. En omdat we alles kort houden deze week, krijgt u een kortere bewieroking dan u van mij gewend bent.
In 2001 schreef Johan Harstad (hij was toen tweeëntwintig) zes maanden bijna onafgebroken aan wat in 2002 de verhalenbundel Ambulance zou worden. Tijdens warme nazomernachten luisterde hij naar de sirenes van de ambulances en in plaats van daar iets mistroostigs in te horen, hoorde hij iets anders: ‘Het leek bijna of iemand de hele stad in één keer probeerde te redden, […] alsof dit een zeldzaam moment in de geschiedenis van de mensheid was, waarop iedereen besloten had om zijn medemensen uit wat voor problemen waar die ook maar verzeild in waren geraakt te helpen.’
Hij schreef in een roes, in een ‘paniekerige gemoedstoestand, bang dat ik dat sterke positieve gevoel, dat gevoel dat alles uiteindelijk goed zal komen als we maar volhouden, zou kwijtraken’, zoals hij zelf schrijft in het nawoord (dat zich goed als inleiding laat lezen!).
Nu is er dan eindelijk de Nederlandse vertaling. Wat heb ik hier naar uitgekeken en wat wordt mijn geduld beloond. Eigenlijk zitten alle elementen die mij in zijn latere werk (Buzz Aldrin, waar ben je gebleven, Hässelby en Darlah) zo aanspraken hier al in: de eenzaamheid van de mens, het vinden van je weg in de wereld, maar wel met een positieve onderstroom. Er is redding onderweg, je moet alleen maar volhouden, je bent niet alleen.
Elf prachtige verhalen, die elkaar raken, soms frontaal, soms met een schampschot, maar alle elf even indringend.
(Edith, februari 2014)

IJstijd – Maartje Wortel
Opmaak 1Onlangs mocht ik meedoen aan de leesclub van Das Magazin. We zouden het nieuwe boek van Maartje Wortel bespreken. Nou ja, mocht: ik moest gewoon een kaartje kopen, maar daarna kreeg ik wel de drukproef van Maartjes nieuwe boek. En na afloop van de avond een exemplaar van het echte boek, vers van de drukker.
Ik had heel even een gevoel van spijt: ik had mezelf een week vrij beloofd en behalve dan dat ik per ongeluk toch werk had aangenomen, moest ik ook ineens nog ‘huiswerk maken’. Zo voelde het een beetje. Zeker toen ik die avond naar de geheime locatie fietste, terwijl ik het boek nog nét niet uit had. Nog maar een paar pagina’s, die ik makkelijk nog even kon lezen voor de leesclub zou beginnen, maar toch gaf het een nerveus gevoel: als je een proefwerk hebt en zeker weet dat je vragen over het laatste hoofdstuk niet zult kunnen beantwoorden.
Gelukkig was Maartje – dat is het concept van de Das Mag-leesclubs: de auteur is zelf aanwezig – een miljoen keer zenuwachtiger dan ik. Ik weet niet hoe het bij u is, maar bij mij werkt dat uitermate ontspannend. En het wrevelige ‘huiswerk’-gevoel viel ook snel van me af: de deelnemers waren stuk voor stuk lief en enthousiast en Maartje vertelde honderduit over het schrijfproces, de personages, en vooral over het leven zelf.
Over de verhaallijn van IJstijd kan ik vrij kort zijn: James ligt de hele dag in zijn hotelbed (zijn moeder heeft hem op een goed moment in een hotel ondergebracht omdat ze vond dat het tijd werd dat hij het huis uit ging. Zij betaalt wel de rekening.) en mijmert over het verlies van zijn grote liefde Marie. Dan komt er een telefoontje van ene Monica van een uitgeverij: of James niet een boek wil schrijven. Je springt heen en weer tussen zijn verleden met Marie en het nu.
Geen ingewikkelde plotlijnen, karakterologische ontwikkelingen, nee, Maartje Wortel lees je vooral om de stijl en de thema’s die aangeroerd worden. Een fijne combinatie in mijn ogen: je kunt het lezen als een luchtig, droogkomisch boek, maar ook nog lang kauwen op de dingen die her en der gezegd worden. Tussen alle grappige zinnetjes door gaat het wel over ambitie, het najagen van dromen, het uitvogelen wie je bent, wat je doet en vooral ook waarom.
En dan nog een bijkomend lokaal voordeel: het speelt zich grotendeels af in Amsterdam-Oost. ‘Omdat ik heel erg van Oost hou,’ verontschuldigde Maartje zich toen haar gevraagd werd naar het waarom van die plaats van handeling. Een heel goede reden lijkt mij.
(Edith, februari 2014)

De weg naar zee – Elke Geurts
Elke GeurtsOnlangs mocht ik bij de presentatie zijn van de roman van Elke Geurts. Esther Gerritsen las voor uit de mailcorrespondentie die Elke en Esther al jaren voeren. Esther had mails gekozen van de laatste drie jaar, waarin het nieuwe boek het hoofdonderwerp was.
Het was natuurlijk allemaal vreselijk privé en alle aanwezigen moesten plechtig beloven niets van de inhoud naar buiten te brengen. Dat zal ik ook niet doen, maar ik kan wel zeggen dat ‘twijfel’ een van de terugkerende thema’s was.
Diezelfde avond sloeg ik het boek open en werd aangenaam verrast: wat een rake, trefzekere schrijfstijl spatte er van de beginpagina’s! En hoe verder ik kwam in het boek, hoe onwerkelijker de gruwelijke twijfel werd die Elke meermaals met Esther had gedeeld.
De weg naar zee gaat over een moeder-dochter-relatie. Een overbekend thema, hoor ik u denken, een welhaast platgetreden pad misschien, maar dan heeft u De weg naar zee nog niet gelezen.
Tessa is met haar zevenjarige dochter Summer in een bolderkar op weg naar zee. Samen met haar beste vriendin Gina en háár dochter Milja vieren ze vakantie in de duinen. Het is zinderend warm en het duingebied is zwartgeblakerd dankzij het werk van een pyromaan. Al met al een vrij apocalyptische setting.
Het ritme in dit boek is verbluffend. Schijnbaar achteloos schakelt Geurts tussen heden en verleden. Langzaam maar zeker kom je erachter dat dit niet zomaar een moeder-dochter-relatie is. Wees voorbereid op de klap in het gezicht die dit boek uitdeelt, ik moest in elk geval wel even bijkomen toen ik het uit had.
En hoewel ik helemaal niet hou van dit soort aanbevelingen, ga ik er toch een doen: voor de lezers van Esther Gerritsen. Al was het maar omdat Elke Geurts zeker zo’n groot publiek verdient.
(Edith, februari 2014)

Het lam – Jannie Regnerus
C REGNERUS (lam) rug14mm.inddHet is de nachtmerrie van iedere ouder: je kind plast op een ochtend bloed en na enig onderzoek komt het bericht dat je kind zeer ernstig en waarschijnlijk ongeneeslijk ziek is.
Het overkomt Clarissa, moeder van de vijfjarige Joris. In heldere, korte zinnen schetst Regnerus wat er dan gebeurt – de ziekenhuisbezoeken, de angsten, de meewarige blikken op het schoolplein van andere ouders.
Stiekem zag ik nogal op tegen het boek vanwege de thematiek, maar Regnerus schrijft prachtig en houdt de dramatiek buiten de deur. Ik heb niet gehuild, maar ik ben er nog steeds niet helemaal uit of dat een goed of een slecht teken is.
(Edith, januari 2014)

De nacht van Lolita – Rob Waumans
CON_Waumans.inddSchrijver Luc Franzen vindt zichzelf briljant. Hij fietst door de stad en in zijn hoofd gonst zijn nieuwe roman: De nacht van Lolita. Luc heeft een probleem, of eigenlijk twee: hij zit te veel in de kroeg en hij kan zijn verleden niet loslaten.
De stijl van dit boek is heel erg Waumansiaans: korte zinnen, gortdroog, met een weemoedige ondertoon. De flashbacks naar de middelbare schooltijd van Luc en zijn eerste grote liefde, Lou, katapulteren lezers van bepaalde leeftijd terug naar hun eigen jeugd, eind jaren tachtig. Bij mij kwam alles terug: de muziek, de onzekerheden, de voor eeuwig lijkende vriendschappen, die ene wereldbeeldbepalende liefde.
De nacht van Lolita – ik heb het twee keer gelezen (en ik herlees eigenlijk nooit), om zo lang mogelijk in de sfeer te kunnen blijven hangen.
(Edith, december 2013)

Tijgereiland – Daan Remmerts de Vries (vanaf 13 jaar)
tijgereilandTijs is 13. Zijn ouders zijn net gescheiden, en hebben het ogenschijnlijk druk genoeg met zichzelf in deze nieuwe levensfase. Bovendien krijgt Tijs verantwoordelijkheden die eigenlijk te groot zijn voor een dertienjarige. Zo moet hij zijn labiele moeder een beetje in de gaten houden. De India-vakantie die hij samen met haar onderneemt, zet de dingen op scherp.
Daan Remmerts de Vries schrijft over het leven zoals het is, en niet zoals je het zou willen hebben!
Citaat:
Tijs zit aan tafel.’Ga nou ‘ns rechtzitten, Tijs’ zegt z’n moeder. ‘Je lijkt wel ‘n ouwe man!”Dat is dan in ieder geval één ding waar jij en pappa het over eens zijn’ denkt Tijs. Hij zegt het echter niet.
(Jeanine, oktober 2013)

Wonder – R.J. Palacio (vanaf 11 jaar)
palacio_Wonder_OM_27,5.inddDe 10-jarige August heeft een zeer ernstige gezichtsafwijking. Vanwege regelmatige ziekenhuisopnames is hij tot nu toe nog nooit naar een echte school gegaan. Nu de meest ingrijpende operaties achter de rug zijn, vinden zijn ouders het tijd om hem naar school te sturen. August huivert over de nieuwe wereld die aan zijn voeten ligt. Hij wil uiteraard het liefst als normaal kind behandeld worden, maar weet dat dat niet gaat gebeuren, omdat hij er vreselijk uitziet. Met vallen en opstaan komt hij het eerste jaar door. Daarover gaat dit prachtige boek, dat ons (ik las het voor aan mijn kinderen van 8 en 11) zeer ontroerd heeft. August beschrijft zijn strijd om geaccepteerd te worden, zijn oudere zus laat ons zien hoe zij met de nieuwe situatie omgaat en een aantal klasgenootjes vertellen hoe zij de nieuweling ervaren. Dat wisselende perspectief maakt het verhaal helemaal compleet. Een enerzijds hartverscheurend boek over (de psychologie van het) pesten en anderzijds ook hartverwarmend vanwege de schoonheid die de mens in zich heeft.
(Jeanine, oktober 2013)

Weg uit de USSR – Dato Turashvili
weg uit de ussrVolgens mij kwam Stalin uit Georgië. Net als de voormalige spits van Ajax, Shota Arveladze. Het moet een onherbergzaam land zijn, met sympathieke mensen, stel ik mij zo voor. Het grootste deel van de 20e eeuw hoorde Georgië bij de Sovjet-Unie. In die tijd speelt dit boek. Het is 1983. Het communisme in Oost-Europa en Rusland is aan zijn laatste decennium bezig, maar op dat moment lijkt het voor de mensen nog eeuwig te duren. Een groep Georgische jongeren is het zat. Zij willen spijkerbroeken dragen, vrijuit de liefde bedrijven en goeie sigaretten roken. Hiervoor moeten ze naar het vrije Westen. Om dit doel te bereiken besluiten ze een vliegtuig te kapen, de piloten te dwingen in een niet-communistisch land te landen en van daaruit de vrijheid op te zoeken. Helaas faalt dit plan jammerlijk.
De Georgische schrijver Dato Turashvili, zelf deelnemer aan de studentenprotesten van 1989, besloot het verhaal van deze noodlottige vliegtuigkaping op te tekenen. Ik ben blij dat hij dat gedaan heeft en, bovendien, dat een Nederlandse uitgever het heeft laten vertalen. Zo kunnen wij vrije Nederlanders het verhaal lezen van deze wanhopige jongeren, idealistisch maar naïef, die iets voor ogen hadden dat ook in 1983 al voor het grijpen leek. Een korte, aangrijpende episode uit de nadagen van de USSR.
(Casper, oktober 2013)

Ventoux – Bert Wagendorp
ventouxOver dit boek is al veel gezegd en geschreven. Discussies op tv en verhandelingen in de krantenkolommen: veel mensen hebben een mening over de mannenvriendschap die Bert Wagendorp in Ventoux centraal stelt.
Inderdaad is het leuk om te lezen over vier middelbare-schoolvrienden en hoe ze nu, als bijna-vijftigers, in het leven staan. En hoe ze de draad weer oppakken en terugkeren naar die genadeloze berg in Zuid-Frankrijk. Maar er is meer: dit is ook een fijn boek omdat het over fietsen gaat. En omdat er humor in zit (of een combinatie van die twee: een prachtige Theo Koomen-imitatie!). En vanwege de geweldige climax die mij, als voorzichtige afdaler in de bergen, deed huiveren.
O ja, dit boek is ook heel geschikt voor vrouwelijke lezers.
(Jan, augustus 2013)

De vlucht – Jesús Carrasco
vluchtAls in een nachtmerrie wordt een jongen van ik schat een jaar of elf achterna gezeten. Hij houdt zich schuil in de schamele kuilen van het gortdroge, stoffige en door de zon gegeselde landschap. Af en toe biedt een boom zijn schaduw aan. Het waarom van zijn vlucht wordt gedoseerd prijsgegeven. De ontmoeting met een oude geitenhoeder lijkt een lichtpuntje. Carrasco sleurt je mee de droogte in, doet je snakken naar een druppel water en houdt je alert voor mogelijke achtervolgers.
Ik was een paar dagen nadat ik het boek gelezen had, nog dolende. Fenomenaal.
(Jeanine, augustus 2013)

De vergeten zusjes – Sara Blaedel
Blaedel_meisjes_WT.inddNa wekenlang in het hoofd van Knausgård gezeten te hebben, had ik zin in een thriller. Ik lees niet veel thrillers, dus het is altijd even spannend of het ‘klikt’ tussen mij en het boek, maar bij De vergeten zusjes van Sara Blaedel was het meteen raak. Het boek begint met een doodsbange vrouw die in een bos vlak bij Kopenhagen op de vlucht is voor iets, van een steile helling valt en sterft. De politie staat voor een raadsel: wie is deze vrouw en waar was ze bang voor? Een paar dagen na het ongeluk wordt de streek getroffen door een serie verkrachtingen en moorden. Op het eerste oog lijken de misdaden los te staan van het ongeluk. Maar al snel blijken er toch verbanden te zijn…
De vergeten zusjes is een goed geschreven Scandinavische thriller, waarin je huiverend doorleest totdat je weet hoe het in elkaar zit. Heerlijk voor een regenachtig weekend of voor in de vakantiekoffer!
(De vergeten zusjes, augustus 2013)

Verloren vrouw – Gilian Flynn
verloren vrouwGillian Flynn is een van de weinige schrijvers van wie ik alles heb gelezen. Oké, er zijn pas drie boeken van haar hand verschenen, maar die zijn alle drie ijzersterk – intelligent en zeer goed geschreven. De laatste, Verloren vrouw (eerst verschenen als Donker hart), is een van de beste psychologische thrillers die ik ooit las.
Nick en Amy zijn op het oog gelukkig getrouwd. Op hun derde trouwdag verdwijnt Amy spoorloos – Nick is hoofdverdachte. Dagboekfragmenten van Amy worden afgewisseld met de pogingen van Nick zijn onschuld te bewijzen en gaandeweg word je meegesleurd in dit huiveringwekkende kat-en-muisspel. Al snel weet je niet meer wie je moet of kan vertrouwen en de plotwendingen zijn dermate verrassend dat ik af en toe letterlijk naar adem moest happen.
Gelukkig is er nu een mooie midprice-editie, de prijs kan dus geen bezwaar zijn en als je slim bent, doe je het boek ook meteen cadeau aan een goede vriend of vriendin, want ik weet zeker: als je dit boek uit hebt, móét je er met iemand over praten.
(Edith, augustus 2013)

IV – Arjen Lubach
ivIk ben fan van Arjen Lubach. Van de Arjen Lubach die Magnus schreef, en Bastaardsuiker en Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend. Van de Arjen Lubach van het Monica da Silva Trio, de rapservice van Koefnoen en Buro Renkema. En van de Arjen Lubach die altijd zo leuk CoxTales presenteert. Die Arjen Lubach heeft nu een thriller geschreven: IV. En nu ben ik dus ook fan van de Arjen Lubach die thrillers schrijft.
Ik ga hier niet vertellen waar het over gaat, dat is not done in de thrillerwereld, voor je het weet ben je de boel kapot aan het spoileren en dat wil ik niet op mijn geweten hebben. Wel wil ik zeggen dat het een echte pageturner is die voor een groot deel in Amsterdam speelt, heel spannend is en waarvan je nog iets opsteekt over de Nederlandse geschiedenis ook. Het boek heeft ongelofelijk veel vaart en er zijn dagen waarop ik hoopte dat het allemaal waar was…
(Edith, juli 2013)

Julia – Otto de Kat
julia‘Je mist meer dan je meemaakt’ zei Martin Bril ooit, en zo is het. Er komen te veel mooie boeken uit en je kunt niet alles lezen. Maar toch vraag ik me af waar ik in 2008 mee bezig was en waarom ik Julia van Otto de Kat toen heb gemist.
Julia is een prachtig en droevig liefdesverhaal. Chris Dudok vertrekt in 1938 naar Lübeck om meer ervaring op te doen voordat hij de machinefabriek van zijn vader over gaat nemen. In Lübeck ontmoet hij Julia, een eigenzinnig en onbevangen meisje. Ze tilt hem op en kruipt in de naden van zijn ziel. Dan ontspint zich een traag maar o zo mooi beschreven liefdesverhaal. Chris durft Julia nauwelijks aan te raken, maar haar aanwezigheid brengt hem terug naar de tijd waarin hij gelukkig was: als kleine jongen op de boerderij bij zijn opa.
Julia wordt aangezien voor een communiste. Als haar broer, die acteur is, na een voorstelling weigert der Führer te begroeten volgens het naziprotocol is Julia haar leven niet meer zeker. Zij dwingt Chris Duitsland te ontvluchten en afscheid van haar te nemen, omdat hij haar in gevaar kan brengen. Een besluit dat hij met tegenzin uitvoert en waar hij de rest van zijn leven mee zal worstelen. In de Kristallnacht zijn ze voor het laatst samen: ‘En zo was geen nacht ooit geweest, geen dag begonnen.’
Chris gaat terug naar Nederland, volgt zijn vader op in de fabriek en trouwt. In het boek wordt de naam van zijn vrouw niet genoemd en zo blijft zij op afstand. ‘Want Julia dreef in en uit zijn hoofd, toen en zoveel keren erna’. In de jaren vijftig gaat Chris opnieuw naar Lübeck en daar hoort hij uiteindelijk wat er met Julia is gebeurd.
Julia is een boek over liefde en geluk en over het ontbreken daarvan.
Met veel dank aan een goede klant, waardoor ik in 2013 dit boek alsnog ga aanbevelen als mooiste boek van dit jaar. Op de tiptafel van Linnaeus Boekhandel ligt het boek op stapel.
(Mieke, juni 2013)

De aaibaarheidsfactor van Rudy Kousbroek, voorgelezen door Midas Dekkers
Woord vooraf één: ik ben een groot kattenliefhebber.
Woord vooraf twee: ik heb nog nooit een luisterboek geluisterd.
aaibaarheidsfactorDie woorden vooraf: zo was de situatie vóór maart 2013. Inmiddels staat het er anders voor. Woord vooraf één is onverminderd van kracht. Ik ben niet plots een kattenhater geworden. Of mogelijk nog erger: een hondenmens. Nee, nog steeds ben ik een groot kattenliefhebber. Maar nú ben ik een kattenliefhebber in het bezit van het luisterboek De Aaibaarheidsfactor van Rudy Kousbroek, voorgelezen door Midas Dekkers.(Hoe kon ik zolang zonder vroeg ik me af toen ik de begeleidende tekst bij het luisterboek las: ‘Een luisterboek dat in niet één boekenkast van een poezenmens mag ontbreken.’) Goed, u heeft inmiddels wel door dat woord vooraf twee niet langer meer van toepassing is.
Overtuigd door een enthousiaste medekattenliefhebber (‘Kijk, het luisterboek heeft een aaibaar vachtje!’) begon ik met luisteren. Drie minuten. Zo lang duurde het voordat ik het luisterboek afzette. Een week lang keek ik niet meer naar het luisterboek om. Niets voor mij, dacht ik. Tot ik op ’n zekere dag op de fiets zat onderweg naar huis. Het was koud en de weg was lang; wellicht dat een luisterboek een en ander draaglijker zou maken zo redeneerde ik. En zo bleek. Jubelend kwam ik thuis. Ik had zo veel mooie zinnen gehoord. Het speet me dat ik niet alle zinnen kon onthouden; kon ik ze maar opschrijven, maar al fietsend was dat een moeilijke opgave. Thuis luisterde ik nogmaals om alle mooie zinnen en observaties die ik eerder hoorde te noteren. Wat te denken van deze observatie:
[…] de kat hanteert zijn aaibaarheid als een positief principe. De activiteit waar ik op doel is degene die in het dagelijks spraakgebruik ‘kopjes geven’ wordt genoemd. In feite is er geen sprake van iets geven, maar van iets nemen: de kat eigent zich iets toe, hij onttrekt een aai aan de buitenwereld, door gebruik te maken van het relativiteitsprincipe (de kat is dan ook de Einstein onder de dieren). Immers, de normale gang van zaken bij het aaien bestaat uit een contact tussen een bewegende hand en een stilstaand (-zittend, -liggend) dier. De kat evenwel heeft ingezien dat ook de conjunctie van een stilstaande hand (been, schoen, tafelpoot, koelkastdeur) en een bewegend dier een aai oplevert.
Zulke analyses vind ik nou werkelijk om van te smullen. Kousbroek beschrijft hier iets dat mij zelf meer dan eens is opgevallen wanneer ik naar mijn eigen katten keek, maar op deze wijze had ik het nooit kunnen verwoorden, zo veel is zeker.
Mijn eerste kennismaking met het luisterboek was een waar genot voor het oor. Mijn volgende luisterboek ligt al klaar: Heerlijk duurt het langst, de radiomusical van Annie M.G. Schmidt & Harry Bannink, met o.a. Tjitske Reidinga en Pierre Bokma.
Beluister hier een luisterfragment van De Aaibaarheidsfactor.
De Aaibaarheidsfactor is overigens ook ‘gewoon’ als boek verkrijgbaar.
(Roxanne, mei 2013)

Het uur van de dieren – Howard Jacobsen
uur van de dierenDit is een boek dat eigenlijk alle boekenvakkers zouden moeten lezen, maar ook voor ‘gewone’ mensen zeer de moeite waard is. Het gaat namelijk voor een groot deel over ‘Het Vak’ en dan met name de teloorgang ervan: uitgevers plegen zelfmoord, literair agenten durven de telefoon niet meer op te nemen uit angst voor auteurs die bellen met een voorstel voor een nieuw boek, schrijvers moeten ‘content’ gaan leveren voor apps, en de lezer… ach waar is de lezer toch gebleven? De lezer is allang afgehaakt. Lezen is dood. Weinig vrolijkheid, zou je denken, maar zelden heb ik zo vaak en hard gelachen om een boek. Misschien gaat dat juist ook wel goed samen.
Schrijver (en hoofdpersoon) Guy Ableman heeft het er maar moeilijk mee. Hij was ooit een redelijk succesvol debutant, maar op een gegeven moment moet hij toch onder ogen zien dat het daarna alleen maar minder is geworden. Hij laat zich te veel afleiden door zijn übergeweldige vrouw Vanessa, maar meer nog door haar moeder, Poppy, om tot een fatsoenlijke roman te komen. Dan besluit hij het heft in handen te nemen en zijn bron van afleiding om te vormen tot een bron van inspiratie. Ofwel: misschien is het hoog tijd eens iets te doen met zijn wilde fantasieën met schoonmoeder Poppy in de hoofdrol.
Het uur van de dieren – de langverwachte opvolger van De Finklerkwestie waarmee Jacobson in 2010 de Man Booker Prize won – is lekker vilein, erg geestig en onderhoudend. Zolang er nog uitgevers zijn die dit soort boeken durven uit te geven, zal het wel loslopen met die teloorgang en zullen er ook altijd lezers blijven.
(Edith, mei 2013)

Het onzichtbare geluk van andere mensen – Manu Joseph
JOSEPH_Geluk_WT.inddHet onzichtbare geluk van andere mensen is zo mooi als de titel. Het is een warm verhaal over het verdriet van ouders na de zelfmoord van hun zoon. Unni Chacko is de ideale zoon – knap, grappig, geliefd, slim. De ouders blijven dan ook met grote vraagtekens achter. Waarom heeft hij het gedaan? Een platgetreden pad, denk je dan misschien, maar als Manu Joseph dat pad betreedt, staan alle grassprietjes nog monter overeind.
Joseph is een echte verhalenverteller. Zijn personages wekt hij met een paar pennenstreken tot leven en voor je het weet leef je met ze mee. Met de hyperintelligente (maar wel beetje gekke) moeder (die in de verte doet denken aan de met deegrollers zwaaiende mama Tandoori van Ernest van der Kwast), het gevoelige jongere broertje Thoma en de nerderige schoolvrienden van Unni: je gaat van ze houden.
Laat je niet afschrikken door het feit dat het verhaal zich in India speelt (ik heb niets met India en weet er ook niets van, maar heb toch echt heel erg genoten) of door de omvang. De geestige en scherpe formuleringen van Joseph zijn verslavend. Je wilt maar één ding en dat is samen met vader Ousep het grote mysterie oplossen dat misschien helemaal niet op te lossen is…
Edith, april 2013)

Oorlogsparadijs – Nico Dros
oorlogsparadijsEen tip van een collega, die dacht dat dit wel iets voor mij zou zijn. Dat had ze goed ingeschat, want het boek beviel me zeer goed. Oorlogsparadijs is een klassieke roman, zowel qua vorm als stijl. Een man van middelbare leeftijd kijkt terug op zijn tijd als arts op Texel, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Flarden van herinneringen verontrusten hem dusdanig dat hij besluit terug te keren naar het eiland. Hier is hij sinds de oorlog, bijna twintig jaar geleden, niet meer geweest. Langzaam komen alle herinneringen terug en volgt het in flashback vertelde verhaal van zijn oorlogsjaren.
Aan het begin van de oorlog bevind de arts zich in Amsterdam, waar hij betrokken raakt bij een verzetsgroep. Nadat er na een mislukte verzetsactie een prijs op zijn hoofd is gezet moet hij Amsterdam ontvluchten. Onder een valse identiteit wijkt hij uit naar Texel. Vanwege zijn strategische ligging is Texel tot sperrgebiet verklaart, wat betekent dat het vrijwel van de buitenwereld is afgesloten. Hoewel er bijna dagelijks vliegtuigen overvliegen om Duitsland te bombarderen, verlopen de oorlogsjaren er betrekkelijk kalm. Er is wel een Duitse bezettingsmacht aanwezig, maar die gebruiken hun verblijf voornamelijk om uit te rusten voordat zij naar het front worden gestuurd. In het laatste oorlogsjaar komt aan deze rust een einde als een Georgisch bataljon op Texel wordt ingekwartierd. Krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers tijdens hun campagne in Rusland zijn zij ingelijfd in de Wehrmacht en op een Nederlands eilandje verzeild geraakt. Het gaat mis als dit Georgische bataljon te horen krijgt dat zij spoedig naar het front zullen worden gestuurd. Ze gaan tot muiterij over en ontketenen een ware guerillaoorlog op Texel.
Vanaf dit punt, ongeveer halverwege het boek, loopt de spanning flink op. Ineens zit je midden in de oorlog en, hoewel de strijd van korte duur is, is het er niet minder heftig om. De arts, die enkele hachelijke momenten meemaakt in het noodhospitaal waar hij werkzaam is, zit er middenin. Als de rook is opgetrokken en hij het eiland halsoverkop verlaten heeft is zijn leven onherstelbaar veranderd.
Nico Dros maakte van dit verhaal een zeer goede roman, die bij vlagen erg spannend is. Maar, niet alleen qua plot vind ik Oorlogsparadijs geslaagd, misschien vooral ook qua taal. Dros gebruikt een welhaast tijdloos Nederlands, waarin sommige woorden en uitdrukkingen tegenwoordig ouderwets zijn, zonder dat dit afleidt. Het past uitstekend en creeërt een prettige sfeer, als je er na ongeveer een bladzijde aan gewend bent. Toen het flashback-verhaal eenmaal echt begon had het boek me in zijn greep en las ik het in een paar avonden uit. Zo zie je, van de collega’s moet je het hebben.
(Casper, april 2013)

De verjaardagen – Hanneke Hendrix
verjaardagenHet nieuwe jaar is alweer twee weken onderweg en toch kan ik het niet laten nog even terug te kijken naar 2012. In de laatste nieuwsbrief van 2012 hadden we weer onze favoriete boeken bij elkaar gezet (klik hier). Onze Jan, die daar altijd weer een voortreffelijk geheel van maakt, wordt elk jaar strenger: maximaal drie titels en hou het kort! Regelmatige bezoekers van deze rubriek zullen inmiddels weten dat dat laatste niet mijn sterkste punt is, maar afgelopen jaar vond ik het ook nog eens heel moeilijk om me te beperken tot drie titels. Stiekem had ik er drie categorieën van gemaakt (beste Nederlandse romans/beste vertaalde romans/beste verhalenbundels), maar ik had er nog wel een paar categorieën aan toe willen voegen: beste fotoboeken, beste sportboeken en beste debuten.
Maar gelukkig heb ik nu op deze plaats weer alle ruimte voor het leukste debuut van 2012: De verjaardagen van Hanneke Hendrix. (‘Leuk? Leuk?! Leuk is een gefiguurzaagd paardje’, hoor ik dan meneer Verstappen meteen mopperen.)
De verjaardagen speelt zich af in een nietsvermoedend, rustig dorpje en gaat over de vriendschap tussen brokkenpiloot Boris en zijn buurmeisje Lies, die door een huidziekte geen aanraking verdraagt. De twee groeien – noodgedwongen, maar niet onwelwillend – naar elkaar toe en zorgen er uiteindelijk voor dat het brave dorp behoorlijk op stelten wordt gezet.
Het is geen debuut pur sang: Hanneke Hendrix schreef al veel toneelteksten en hoorspelen en houdt al jaren een heel leuke weblog bij (klik hier).
En nu is er dan haar roman. Het schrijfplezier is op elke pagina voelbaar. Hendrix schept er een zichtbaar genoegen in haar personages en hun levens vorm te geven (ik hoop tenminste heel hard dat ze het allemaal uit haar duim gezogen heeft!). De zinnen zijn mooi, fris en verrassend, scènes vaak erg geestig (laat u niet afschrikken door de heftige openingsscène, het boek heeft een inktzwart randje!). Kortom: meer dan de moeite waard. En mocht u in de gelegenheid zijn haar ergens te zien optreden: ga erheen, want ze is als mens ook nog eens heel erg grappig.
(Edith, maart 2013)

De handel in emotionele goederen – Maarten Inghels
handel in emotionele goederenDit najaar werd de boekhandel overspoeld met nieuwe titels. Veel grote jongens (Wieringa, Rosenboom, Japin, De Jong, Giphart, Maas). Ik heb ze allemaal (nog) niet gelezen. Ik ben niet tegen bestsellers, voor de winkel is het natuurlijk heel fijn, die steady sellers. Maar de urgentie is er voor mij af als een boek ineens overal juichend besproken wordt en goed verkoopt. Die redt zich wel, denk ik dan.
Nee, ik bekommer me liever om de boeken die bescheiden op een van onze schuine plankjes de winkel in turen en bedeesd flirten en bijna blozend de blik afwenden als je ze oppakt.
Een van die boeken was De handel in emotionele goederen van Maarten Inghels. Het ziet er mooi uit – mooi omslagbeeld, gebonden, stofomslag, typografische grapjes in het binnenwerk – (never judge a book by its cover, ik weet het, maar soms kan ik niet anders) en na een paar weken om elkaar heen draaien nam ik hem mee naar huis.
Ik heb geen spijt van deze flirt. De handel in emotionele goederen vertelt het verhaal van Luukas Kolibri die de bezittingen van dode mensen opruimt. Zijn werk varieert van het leeghalen van huizen, tot het schoonmaken van plaatsen delict. Hij is professioneel, degelijk en discreet. Alles gaat goed, tot zijn vriendin Robin plots overlijdt. Ineens kan hij niet meer zakelijk naar de dood kijken, maar raakt totaal ontredderd. Hij probeert uit alle macht Robin bij zich te houden en gaat hierbij ver, heel ver. Tot het eigenlijk niet verder kan.Maarten Inghels (1988!) schreef een ontroerend portret van de rouw. Fijne zinnen, grappige scènes, een rustig verteltempo en toch veel vaart. Uitermate geschikt voor een serieuze, langdurige relatie.
(Edith, maart 2013)

Dorst – Esther Gerritsen
dorstOngeveer een half jaar geleden was Esther Gerritsen te gast bij een college van Marja Pruis. Ik studeerde Nederlandse taal en cultuur aan de UvA en volgde de minor kritiek en journalistiek, waarvan Pruis het afsluitende practicum verzorgde. Centraal tijdens het gastcollege stond Gerritsens visie op kritiek: is kritiek wel of niet zinvol? En zo ja, voor wie: voor de lezer of de schrijver?
‘Niks zo kwetsbaar als het ego van de schrijver,’ concludeerde Marja Pruis na afloop. En zo is dat. Gerritsen lichtte voor ons studenten een tipje van de sluier op. Hoe ze telkens weer de eerste dag vreest waarop de kritiek(en) voor haar nieuwe boek binnenkomen. Hoe ze het liefst in totale ontkenning in bed wil blijven liggen, zich wil verstoppen voor de wereld. Of hoe ze na een negatieve bespreking de neiging heeft in puberaal verzet te schieten onder het mom: ‘Deze recensent begrijpt dus totaal niet waar het verhaal om gaat.’
Goed, dan nu terug naar Gerritsens nieuwste roman: Dorst. En naar kritieken. Deze roman is niets om je voor te schamen, niet iets waarvoor je in bed zou moeten blijven (hoewel, misschien u als lezer – het leest namelijk wel zo comfortabel in bed als u ’t mij vraagt) of waartegen je je puberaal dient te verzetten. Maar voor Gerritsen is dat niet van belang; een kritiek is volgens haar bedoeld voor een lezer, niet voor de schrijver. Dus hierbij richt ik mij tot u, beste lezer.
Dorst vertelt over de gecompliceerde verhouding tussen Elisabeth en haar dochter Coco. Wanneer ze elkaar onverwacht treffen meldt Elisabeth tussen neus en lippen door dat ze ongeneeslijk ziek is. Coco, amper van slag door deze mededeling, weet wat haar te doen staat. Ze trekt bij haar moeder in om tijdens de laatste dagen van haar leven voor haar te zorgen.
De scherpe, soms venijnige dialogen geven helder de onderhuidse spanningen weer. De moeder hecht meer aan materie dan aan haar bloedeigen kind, de vader hecht(te) meer aan drank dan aan zijn (ex)vrouw en de dochter hecht op een destructieve, nietsontziende manier aan het leven. De personages raken steeds verder van elkaar verwijderd terwijl de dood steeds dichterbij komt. Dorst is geschreven in Gerritsens kenmerkende droge en sombere stijl. Het verhaal is pijnlijk, maar Gerritsen vindt er de juiste woorden voor. Een rauw verhaal met een fluwelen randje.
(Roxanne, februari 2013)

Terug naar boven
Terug naar home

Klik hier om te lezen wat Linnaeus las voor 2013