Linnaeus leest

Opmaak 1  aantekeningen   wedervaring   untitled  Van Essen_Winter in Amerika.indd  kalligrafieles

Wat lezen de Linnaeusmedewerkers op dit moment?

Genoeg nu over mij – confessies van een ervaren schamer – Marja Pruis
Opmaak 1Ik schaam me. Ik heb spijt. Én berouw. Als kind was ik maar wat trots op het feit dat ik verschil wist tussen ‘berouw’ en ‘spijt’ (dankzij een liedje van Robert Long nog wel), nu ben ik minder blij met die kennis, omdat ik een van de twee al erg genoeg had gevonden. Maar eerlijk is eerlijk: ik heb iets gedaan (alleen boeken van mannen op mijn eindejaarslijstje genoemd – berouw) en ik heb iets niet gedaan (het boek noemen dat mij echt aan het denken zette – spijt).
Het was een bewogen jaar. Alweer eentje. Grotendeels door privégedoe, maar ook door de boeken die ik las. Twee boeken eigenlijk. Het ene raakte me in mijn hart: Max, Mischa & het Tet-offensief van Johan Harstad, ik zou er zo weer een stukje aan willen wijden, maar hou me in.
Het andere boek, het boek dat mij de ogen opende, aan het denken zette en mijn zelfbeeld deed kantelen was de essaybundel van Marja Pruis: Genoeg over mij – confessies van een ervaren schamer.
Jarenlang zei ik dat mensen niet zo moesten teuten over man-vrouw-verhoudingen, ik had nog nooit iets níét kunnen doen omdat ik een vrouw was. Mijn beste vriendin repliceerde steevast dat ik geen ambitie had, maar daar lachte ik dan om, want wat was daar nou toch weer mis mee? Als iedereen maar ambitie heeft om hogerop te komen, dan blijft er een hoop werk beneden liggen.
Maar goed, toen las ik dus de essays van Marja Pruis. Ik biecht ook maar meteen op dat ik ‘essays’ altijd een eng genre vond, waar ik met een boogje omheen liep. Doodsbang dat ik er niks van zou snappen, dat ik me ontmaskerd zou voelen als intellectuele onbenul. Dat ik deze bundel toch ging lezen kwam door mijn lieve collega Mieke die het boek herhaaldelijk onder mijn aandacht bracht en het uiteindelijk gewoon bij me door de brievenbus gooide. Toen moest ik wel.
En toen gebeurde er van alles. Ten eerste bleek het reuze mee te vallen met Het Essay an sich. Ik kon het prima aan. Er zijn vast doorwrochtere varianten denkbaar, maar deze gingen erin als goeie chips (per zak).
En toen kwam langzaam het inzicht dat het veel erger met me was gesteld dan ik ooit had kunnen bedenken of had durven toegeven. Ik heb het boek uitgeleend (ik hoop aan een man maar waarschijnlijker aan een vriendin die ook wel wat nieuwe inzichten kon gebruiken), en kan dus niet bladeren of citeren, u zult het moeten doen met het gevoel dat me na het lezen is bijgebleven. Een van ergste diagnoses was toch wel dat ik leed aan het gastvrouwsyndroom – altijd maar het iedereen naar de zin willen maken. Ik vond dat altijd normaal, waarom zou je het niet doen? maar het gaat ten koste van een hoop andere dingen en dat zag ik nooit. Nu wel. Marja Pruis liet me zien dat alle dingen waarover ik heel streng was voor mezelf niet eens zozeer typisch vrouwelijk, maar toch vooral heel menselijk waren. En dat er dus geen enkele reden was om mezelf bestraffend toe te spreken over bepaalde gedachten. Dat ik het mechanisme erachter doorzag was vele malen belangrijker. En ik was niet alleen! Essay na essay vielen er puzzelstukjes op z’n plaats, stukjes die jaren hadden rondgedwarreld op zoek naar een veilig heenkomen. Ik schoot van schaamte naar herkenning naar het bevrijdende gevoel van erkenning, sloeg met de vuist op tafel, maar bovenal voelde ik een soort innerlijke rust die ik niet kende.
Voor u nu naar de winkel rent om dit boek aan te schaffen in de hoop dit hele proces ook te ondergaan, waarschuw ik nog even: door Pruis ging ik ook een boel andere boeken lezen die mijn werdegang vooruithielpen, ik heb al een tijdje therapie en een fijne nieuwe liefde – ik wil maar zeggen dat Genoeg nu over mij geen zelfhulpboek is en geen instanthandleiding voor een beter leven.
Maar goed, ik noemde het boek dus niet in mijn eindejaarslijstje voor Linnaeus Boekhandel. Waarom niet? Een laatste restje vleierij? Schaamte? Was mijn gevoel zozeer met het boek op de loop gegaan dat ik het boek niet meer als ‘boek’ zag, maar als iets groters, iets wat je niet zo één, twee, drie op een lijstje zet?
Ik ga er niet meer over nadenken. Het is gebeurd. Ik hoop dat ik het nu een beetje goed heb gemaakt en zo niet, dan is het jammer.
Ik wens u, als laatst overgebleven lezer onder aan dit stukje een heel gelukkig, rustig en zelfbewust nieuwjaar toe.
(Edith, december 2017)

Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken – Arjen van Veelen
aantekeningenEigenlijk werkte Arjen van Veelen aan een boek over Alexander de Grote, maar na de plotselinge dood van zijn beste vriend – en jonge Vlaamse schrijver – Thomas Blondeau veranderde hij van koers. Alexander de Grote werd gedegradeerd tot bijfiguur: hij moest ruimte maken voor Tomas (in de roman zonder ‘h’), de veelbelovende Vlaamse hemelbestormer die geen genoegen nam met de middelmatigheid. Het is een prachtige vondst van Van Veelen om Tomas’ literaire vraatzucht en ambitie af te zetten tegen de veroverdrang van Alexander de Grote – Alexander vernoemde steden naar zichzelf om onsterfelijk te worden, Tomas’ schreef boeken. In een poging zijn overleden vriend te vereeuwigen, reist de ik-figuur af naar Alexandrië, waar hij het kleine oeuvre van Tomas onder wil brengen in de beroemde Bibliotheek van Alexandrië.
Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is het best geconstrueerde, meest ontroerende boek dat ik dit jaar las. Het is een monument voor een verloren vriendschap en een gevecht tegen het vergeten van details over die vriendschap. Van Veelen weet verschillende genres (reisverhaal, essay en requiemroman) elegant met elkaar te verbinden.
(Melle, november 2017)

Wedervaring – Bodo Kirchhoff
wedervaringRoken vind ik stom en ik heb een verkeersfobie, maar na het lezen van dit boek wilde ik twee dingen: roken en mijn rijbewijs halen. Mijn collega’s moesten hier eerst om grinniken, maar begrepen toen ook dat we hier te maken hadden met een bijzonder sterk staaltje literatuur.
De kracht zit ’m niet in de plot: Leonie Palm belt op een avond aan bij Julius Reither, ze raken aan de praat en besluiten een autorit te maken.
Wat het boek zo bijzonder maakt is de aftastende stijl die Kirchhoff hanteert (weergaloos vertaald door Josephine ‘Rummelplatz’ Rijnaarts). Hij gebruikt geen interpunctie waardoor je niet altijd precies weet wanneer iets hardop uitgesproken wordt en wanneer het bij een gedachte blijft. Daarbij komt dat Reither, uitgever in ruste, steeds zijn eigen woorden wikt, weegt, herneemt, bijschaaft, zoals hij gewend was te doen bij het redigeren van manuscripten.
Meteen in de eerste zin is het raak:

Dit verhaal, dat zijn hart nog altijd breekt, om een uitdrukking te gebruiken die hij nooit zou gebruiken, alleen hier bij wijze van uitzondering, waarmee zou hij het hebben laten beginnen?

En dan, op het einde van het eerste hoofdstuk (tegen mijn gewoonte in citeer ik een hele passage):

[…] En u rookt dus zonder filter.
Ja, altijd al.
Als u mij binnenvroeg, zou ik er eentje meeroken. Hoewel ik gestopt ben sinds ik hier woon.
Dat moet u dan ook zo houden.
Is dat u laatste woord?
Weet ik veel, zei Reither. Bovendien zie ik niets in lange dialogen. Ook in boeken heb ik er nooit van gehouden. Je vindt ze meestal bij luie vertellers.
Maar u en ik, wij zitten hier niet in een boek. Wij staan in uw deuropening.
Nee, alleen u. Ik sta binnen. Tenzij u ook binnenkomt. En we er eentje opsteken.

Zo simpel begint het dus. Zo eenvoudig kan het zijn.
Palm en Reither stellen elkaar rake vragen, ze roken, en binnen de kortste keren stappen ze midden in de nacht in haar auto om de zon te zien opkomen boven de Achensee. Ze komen te vroeg en besluiten door te rijden, zonder doel, zonder plan. Twee eenzame zielen in een auto, onderweg naar ergens, die roken en veel zwijgen en alleen op de juiste momenten het beste zeggen.
Van mij hadden ze dagen, weken, maanden door mogen rijden, maar vooruit, dat kan zelfs in boeken niet.
Uiteindelijk sluipt er nog wat engagement in: Reither en Palm nemen op Sicilië – ja, ze rijden helemaal door naar Sicilië – een vluchtelinge onder hun hoede. Ik moest me beheersen het meisje, stoïcijns zwijgend, niet als stoorzender te zien. Toen ze opdook was ik even wrevelig en jaloers: ze kwam tussen Leonie en Julius, maar ook tussen mij en het koppel. Pas in tweede instantie kon ik de ingreep van Kirchhoff op waarde schatten.
Wedervaring is een prachtig bedachtzaam verhaal over eenzaamheid, liefde, je hart openstellen voor jezelf en daarmee ruimte maken voor een ander. Het is ontroerend en intiem en in zekere zin ook geruststellend en verdrietig.
Mocht u na deze aanbeveling naar de winkel gaan: schrik niet van het voorkomen van dit boek. Dit boek had een stofomslagje verdiend, een leeslint, een rustige bladspiegel. Het mocht niet zo zijn, maar u weet ook: never judge a book by its cover. Stel u hart open en geef het een kans.
(Edith, november 2017)

Het intieme vreemde – Jente Jong
untitledEen gloednieuw jasje voor oost-online verdient een bespreking van een gloednieuw debuut. Een debuut dat ik eigenlijk alleen maar koos op het jasje – het trok bij binnenkomst meteen mijn aandacht.
Het intieme vreemde is het verhaal van Sarah die op jonge leeftijd haar moeder verloor. Haar vader Hendrik is niet in staat over haar moeder te praten, er zijn geen spullen, geen foto’s (Hendrik is nota bene fotograaf! dat geeft toch te denken), geen anekdotes, geen briefjes, niks. Sarah is inmiddels volwassen en actrice. Als ze op een dag denkt haar moeder te zien in de supermarkt, vallen voor haar de puzzelstukjes op hun plaats. Ze keert haar theatergezelschap de rug toe (en vice versa) en gaat in diezelfde supermarkt werken om de kans te vergroten haar ‘moeder’ weer te zien.
Sarah zit achter de kassa en ziet de winkel als haar toneel, de klanten figuranten, de schappen het decor. Op dat moment heeft Jente Jong me te pakken. Wie kent nu niet het gevoel in een film te figureren, het gevoel van distantie, dat je niet werkelijk deel uitmaakt van de wereld maar een rol speelt? Jente Jong verwoordt dit knap. En geestig, wat ook heel knap is, want als het over zo’n zwaar thema gaat, ligt het sentiment op de loer. Maar niet bij Jong dus:
‘Ik was een keer na schooltijd niet thuisgekomen, omdat ik een vrouw had achtervolgd naar haar huis en daar had aangebeld met de vraag of zij misschien mijn moeder wilde worden. Ze liet me binnen, sloot zichzelf op in de badkamer en belde daar de politie, waardoor ik nog voor het eten weer thuis was.’
Ik moest glimlachen toen ik deze alinea las, las ’m nog een keer en voelde toen pas de scherpe rand. Knap.
Op de achterflap staat dat Jente Jong haar moeder verloor toen ze twee was. Op voorhand weerhield me dat een beetje. Wat deed het ertoe?
Nu ik het gelezen heb, zeg ik: het doet er niet toe. Het boek wordt voor mij niet beter, waardevoller of echter nu ik weet dat het de schrijver zelf is overkomen. Ik neig bijna naar het tegenovergestelde. Sterker nog: als ik het niet geweten had, had ik misschien helemaal niet eens geloofd dat het autobiografisch is. Jong is erin geslaagd een particuliere zoektocht naar erkenning en liefde universeel te maken, dankzij haar lichte toon, originele stijl en subtiele humor. Een meer dan geslaagd debuut. In een prachtig jasje.
(Edith, september 2017)

Winter in Amerika – Rob van Essen
Van Essen_Winter in Amerika.inddIn Linnaeus Boekhandel sloten we de meteorologische zomer af met de presentatie van Winter in Amerika, het elfde boek van Rob van Essen. Het was een mooie nazomerdag en ik was blij dat we het boek van Rob ten doop hielden en niet de memoires van Benjamin Winter. Benjamin Winter, het ‘grote, blonde seksbeest’, de laatst overgeblevene van de Grote Vier, die ooit furore zou gaan maken in Amerika.
Ja, u raadt het al: Winter in Amerika gaat over het boekenvak, over een schrijver, zijn uitgeverij, en vooral over de hoofdredacteur die aan de aftakelende sterauteur zijn memoires moet ontfutselen om zo de uitgeverij van de ondergang te redden. Een roman over het vak: levensgevaarlijk terrein – dit soort boeken verzandt al snel in vileine navelstaarderij en binnenvetterige onderonsjes waar je je als lezer die niet toevallig tot over de oren in het vak zit al snel buitengesloten voelt.
Gelukkig is Winter in Amerika geschreven door Rob van Essen, een van de beste schrijvers die we hebben. Zo. Ik heb het gezegd.
Van Essen weet hoe hij een verhaal moet schrijven (hij won niet voor niets de J.M.A. Biesheuvelprijs voor zijn verhalenbundel Hier wonen ook mensen). Hij doseert, schakelt, laat het verhaal kantelen, zijn personages de controle verliezen, hij grijpt in en laat op tijd de teugels vieren. Dat laatste geldt ook hemzelf: waar hij vaak bedachtzaam en wat melancholiek overkomt, lijkt hij zich hier te hebben uitgeleefd in het verzinnen van boektitels, het bedenken van marketingplannetjes en het fantaseren van Katja over hoe ze haar boekwinkel zou noemen die ze het liefst zou beginnen.
Je zou het een sleutelroman kunnen noemen, maar er is geen sleutel die past. In het begin probeerde ik nog de code te kraken, al snel liet ik het los. (Grappig genoeg bleek het jeugdidool van hoofdredacteur Katja Ouwehand, Irmgard Smits van de Wittenravenpockets (Blijf lachen Irmgard en Irmgard schrijft door!), waarvan ik dacht: hoe verzín je het! wél weer echt te bestaan.)
Winter in Amerika is een boek om twee keer te lezen: één keer snel om te smullen van de intriges en je te verkneukelen om alle geestige scènes, en dan nog een keer langzaam, om de fijnzinnigheid en de precieze stijl vol tot hun recht te laten komen. Twee keer kopen mag ook.
(Edith, september 2017)

De kalligrafieles – Michaïl Sjisjkin
kalligrafielesMax, Mischa & het Tet-offensief van Johan Harstad maakte zo’n indruk en houdt me nog steeds zo bezig, dat alle boeken daarna mislukten. Ik probeerde eens wat, trok iets uit de kast, vroeg nog eens iets aan bij een uitgeverij, las iets ouds, las veel niet. Oké: ik deed niet heel erg mijn best. Ik wilde in de wereld van Harstad blijven; het was niet het Boek van de Week, het was het Boek van het Jaar.
Uiteindelijk bood de moeder aller genres uitkomst: het korte verhaal. Gek genoeg is het altijd iemand anders die mij op het idee moet brengen in dit soort ‘crises’ een verhalenbundel te kiezen.
Ik moest met de trein en nam De kalligrafieles mee, van Michaïl Sjisjkin.
Sjisjkin is een ‘moderne Rus’ – daar moeten er heel veel van zijn, maar hun werk wordt maar mondjesmaat vertaald. Wat daar de reden van is, weet ik eigenlijk niet, als je de verhalen in De kalligrafieles leest, is het in elk geval te betreuren dat er niet meer onze kant op komt.
Waar het precies in zit, weet ik ook niet (ja, ik zit heel erg in een aftastende fase, zonder al te veel zekerheden), maar ergens voel je na twee, drie bladzijden dat je hier met een Rus van doen hebt.
Een voorbeeld.
In het titelverhaal moet de verteller het lichaam van zijn overleden vrouw ophalen uit een andere stad. Hij reist per trein. ‘De reis duurde de hele nacht. Mijn reisgenoot klaagde over slapeloosheid en stelde voor dat we een partijtje schaak speelden. We verschoven de stukken tot de ochtend toe. Soms dutte ik wat in, maar wanneer ik moest denken aan wat er gebeurd was en waar ik naartoe reisde, begon ik te huilen. Mijn buurman huiverde en keek me geschrokken aan. De wagon schudde heen en weer, het schaakbord trilde en de stukken gleden voortdurend uit hun velden. Ik hield op met huilen en zette ze weer goed.’
Misschien is het het schaken, het feit dat je de hele nacht onderweg kunt zijn naar de dichtstbij gelegen stad, het huilen of juist het vermannen.
Typisch Russisch of niet, feit is: de verhalen in deze bundel zijn stuk voor stuk bijzonder. Sjisjkin vertelt losjes, springt van de hak op de tak, verbindt gedachten over zijn eigen schrijven met jeugdherinneringen, verhaalt over anekdotes uit de grote wereldliteratuur zonder je het omgevallen-boekenkast-gevoel te geven. Hij laat personages hun levensverhaal vertellen waarvan je mond openvalt, maar waarvan je elk woord gelooft.
De meeste verhalen zijn een pagina of dertig. De lengte waarbij je hoopt dat de trein vertraging heeft, de rij op Schiphol langer dan lang, het zwembadwater nog te koud.
In elk geval lees ik weer. En met plezier. Eens te meer is bewezen: als je vastloopt in de literatuur, brengt het korte verhaal altijd uitkomst.
(Edith, juli 2017)

Lees hier verder wat Linnaeus in het verleden las
Terug naar boven
Terug naar home