Linnaeus leest

stofomslag Glorie.indd  ik ben ik ben  laat me niet vallen  Opmaak 1  aantekeningen   wedervaring

Wat lezen de Linnaeusmedewerkers op dit moment?

Glorie – Patricia Jozef
stofomslag Glorie.inddSoms wordt die constante stroom nieuwe boeken me te veel. Dat is een fiks nadeel van in een boekwinkel werken. Ik wil van alles, ik wil alles bijhouden, voorblijven, op de hoogte zijn, zoveel mogelijk tot me nemen. En dat kan niet. (Als ik in een taartjeswinkel zou werken zou het probleem omgekeerd zijn: hoe blijf ik overal zo goed mogelijk af?)
Ik hou voor het eerst van mijn leven in een schriftje bij wat ik lees en de teller staat sinds 1 januari op het manische getal van 26, half gegeten essay- en verhalenbundels niet meegerekend.
Natuurlijk zwaait u graag aan de toonbank met een kakelvers boek en vraagt u of een van ons het al gelezen heeft. En natuurlijk vind ik het een sport om ja te kunnen antwoorden en er dan iets over te vertellen. Maar het is en blijft ondoenlijk. Dus heb ik besloten me iets minder te laten leiden door de waan van de dag en ook eens een boek van onder op de stapel te lezen. (U kent het wel, u koopt een boek, u krijgt een boek, u leent een boek, u koopt twee boeken en dan ontstaat er een serieuze stapel en moet u die van uzelf eerst weglezen voor u wat nieuws mag en dan is er altijd een boek dat iedereen rechts inhaalt en dat gaat u dan lezen en de stapel o zo verleidelijke boeken verandert in een stapel losers.)
En zo las ik ‘toch nog’ Glorie van de Vlaamse Patricia Jozef. Op de een of andere manier had dat boek zich in mijn geheugen gehaakt (zonder naam of titel, alleen een vage notie van het omslag en het thema, maar ik móést het lezen, dat wist ik zeker), maar ik had het na een te vluchtig gelezen recensie nooit meer teruggezien.
Het voordeel van in een boekwinkel werken is dat je dan tegen een lief uitgeverijmens kunt piepen dat er een boek was ‘met een mannetje op de voorkant dat ging over dat je bent wat je doet, of juist niet’ en dat je het dan de volgende dag in handen hebt.
En – ik hou van mijn intuïtie – wat wilde ik dit boek inderdaad ontzettend graag lezen!

Glorie is een tweeluik dat zich afspeelt in de kunstwereld. Het eerste deel wordt verteld vanuit Marcel Jacobs, die in alles lijkt te mislukken, maar zich als een ware baron von Münchhausen aan zijn eigen haren uit het moeras trekt en met name tot zijn eigen verbazing iets van carrière maakt op de prestigieuze Teniersacademie.
Het tweede deel is het verhaal van kunstenaar Bodine Bourdeaud’hui, gevierd, gevreesd en geprezen, maar sinds de geboorte van haar zoon krijgt ze geen kwast meer op het doek.
Wat deze mensen met elkaar te maken hebben houdt Jozef heel gewiekst achter. Dat is natuurlijk een trucje om je aandacht tot het einde vast te houden, maar de stijl is zo virtuoos en fris, dat ik alleen daarom al aan de pagina’s gekluisterd zat en door het boek vloog. Het is zo geestig en scherp, zo levensecht, ik heb gegniffeld en gegrinnikt, zacht gejuicht en me meermaals verbaasd dat dit een debuut is. Het gemak waarmee Patricia Jozef haar personages een geheel eigen stem en kleur geeft zie je niet vaak.
Dit boek heeft stilletjes negen maanden op mij liggen wachten, ik ben het dankbaar. En gelukkig is het geen taartje, taartjes blijven doorgaans niet zo lang fris.
(Edith, april 2018)

Ik ben ik ben ik ben
– Maggie O’Farrell

ik ben ik benWaarom maak ik het mezelf nou niet eens makkelijk? Waarom kies ik niet een overzichtelijke roman, vertel iets over de schrijver, de opbouw van het verhaal, zeg niet hoe het afloopt – ‘u moet het boek zelf maar gaan lezen’ – en benadruk nog een keer hoe mooi het was. En dan nog een handige tip erbij – ‘geschikt voor tussendoor’ / ‘voor de laatste lange donkere avonden van deze winter’ / ‘heerlijk voor op het strand’ / vul maar in.
Nee, het wordt weer een plotloos boek dat zich niet makkelijk laat navertellen en dat veel te veel gevoel blootlegt dat ik dan eigenlijk weer niet in dit stukje kwijt kan. Maar eerlijk is eerlijk, deze rubriek heet ‘Boek van de Week’ en dit is wel het boek waar ik de afgelopen weken vol was en nog ben, dus vooruit maar.
Maggie O’Farrell kende ik alleen als schrijver van wat ik dacht dat vrouwenboeken waren. En dan bedoel ik eigenlijk een beetje het soort Libelle-achtige boeken, vermaak van goede makelij, over het leven van gewone mensen, prima voor tussendoor maar je kunt ook prima zonder. Hoe ik daar nu weer bij ben gekomen, ooit? Misschien waren het de omslagen, de titels, de manier waarop de boeken ‘in de markt werden gezet’, hoe en door wie en waar ze werden besproken, mijn vooringenomenheid (zeker). Een van de leuke dingen van ouder worden is dat het steeds minder erg wordt om toe te geven dat je iets fout hebt gezien. Ik zat er helemaal naast bij Maggie O’Farrell.
Haar laatste boek is geen roman maar een memoir en laat zich niet makkelijk navertellen. En het woelde een boel los. De ondertitel is ‘zeventien keer rakelings langs de dood’ en dat is een zakelijke omschrijving van wat dit boek is. O’Farrell heeft in haar leven tot nu toe zeventien keer de dood in de ogen gekeken, of eigenlijk zestien keer, het laatste hoofdstuk gaat over haar dochter, maar aan het einde van het boek weet je: als haar dochter zou sterven, sterft Maggie mee, dus het is gewoon zeventien keer. De manieren waarop de dood zich manifesteerde zijn divers. Van een gewapende overval tot een horrorbevalling, van een verlammend virus tot een te hard rijdende vrachtwagen. O’Farrell kan putten uit een avontuurlijk leven en een indrukwekkend medisch dossier, ze vertelt er met precieze achteloosheid over. Ze dramatiseert niks, laat zich nergens op voorstaan, schept niet op, maar als je alles achter elkaar zet is het echt een wonder dat ze nog leeft. Het onnadrukkelijke maakt het boek licht, haar stijl en de accuraatheid van haar beschrijvingen van verschillende soorten pijn en verdriet, angst en woede, maken het boek ijzersterk.
Gek genoeg maken de ‘gewoonste’ verhalen nog het meeste indruk. De verhalen waarvan je in eerste instantie denkt: wat is hier nou zo bijzonder aan, dit overkomt me bijna elke week! Tot je je realiseert: dat maakt het juist zo bijzonder, het leven is zo ongelofelijk kwetsbaar en vrijwel dagelijks ontspring je de dans. Ik ben ik ben ik ben is een boek dat je laat voelen dat je leeft, dat je dieper laat ademen, vrijer ook. Het laat zich niet gemakkelijk samenvatten, maar het is echt heel goed.
Goed. Ik ga op zoek naar haar eerdere romans. Voor de laatste lange donkere avonden van deze winter.
(Edith, maart 2018)

Maalstroom – Sigrid Rausing
maalstroomWe zitten midden in de Week van het Korte Verhaal. Ik had me dan ook voorgenomen een verhalenbundel tot Boek van de Week te bombarderen. Ik wist ook al welke: De moord op Margaret Thatcher van Hilary Mantel, exclusief bij Linnaeus Boekhandel voor slechts €4,95! (Ik ben niet heel goed in reclamepraatjes, maar dit is wel echt een buitenkansje dat u niet mag laten lopen.)
Al mijn goede voornemens ten spijt: ik zit zo klemvast in een ander boek dat ik het daar nu over wil hebben. (De moord op Margaret Thatcher was mijn kennismaking met Mantel van wie ik tot dan toe dacht dat ze een keurige strenge dame was die dikke historische romans schreef, maar die in deze bundel haar scherpe, eigentijdse en o zo geestige kant laat zien, echt, lees haar verhalen!) Dat andere boek dus: Maalstroom van Sigrid Rausing. Memoires.
Korte schets: Rausing is telg van het Tetra Pak-imperium (u weet wel, van die handige melk- en sappakken), groeit in grote welvaart op, haar broer ontspoort, raakt verslaafd aan drugs, wordt verliefd op een medeverslaafde in een afkickkliniek, ze trouwen, krijgen vier kinderen, vallen terug, de vrouw overlijdt. Met name door de lugubere details rond haar sterven die later naar buiten kwamen was dit verhaal maandenlang voer voor de Engelse tabloids.
Jaren heeft de familie gezwegen, maar zus Sigrid (uitgever van Granta Books) trekt uiteindelijk toch de stoute schoenen aan en probeert aan de hand van haar eigen herinneringen te reconstrueren waar het misgegaan is bij haar broer. ‘Stoute schoenen’ klinkt misschien raar, maar er is echt moed voor nodig om te schrijven als Rausing doet. Ze zoomt in, neemt afstand, loopt eromheen, onderzoekt, tast af.
Ze schrijft met een zelfverzekerde onzekerheid, een stijl die me doet denken aan de essays van Katie Roiphe, aan het memoir Het bewijs van een lichaam van Alexandria Marzano-Lesnevich, en aan de aanpak die ik ook terugvind bij Marja Pruis. Het durven inzoomen op eigen falen, het met liefde kunnen kijken naar het falen van anderen, het durven toegeven dat je bepaalde antwoorden schuldig moet blijven: het is beklemmend en tegelijkertijd heel bevrijdend.
Het lukt Rausing om dit uiterst particuliere verhaal te ontdoen van de sensatie en om te vormen tot een universeler verhaal: wat gebeurt er met een gezin als een van de gezinsleden ontspoort?
Het is een pijnlijk boek met zinnen die sneetjes maken in je huid. En toch moest ik doorlezen, steeds voorzichtig weer een pagina aftasten, beducht voor de pijn, voor die van de ander en die van mezelf – de bevragende manier van schrijven stemt tot nadenken, overdenken, terugdenken.
We vieren deze week het korte verhaal (niet vergeten, Mantel nu voor maar €4,95!) en ik kom met een lang stuk over een bedachtzaam boek. Als u maar half zo barmhartig bent als Rausing vergeeft u me het vast.
(Edith, februari 2018)

Laat me niet vallen – Willy Vlautin
laat me niet vallenWilly Vlautin is een van de weinige auteurs van wie ik alles wil lezen. Gelukkig heeft hij precies het juiste tempo: vijf romans in twaalf jaar, dat kan ik bijhouden.
Vlautin schrijft geen vrolijke boeken, altijd gaan ze over mensen die zich staande proberen te houden in de marges van de maatschappij, waar drank, drugs en geweld oplossingen lijken. Vlautin laat zien hoe hard het leven kan zijn, hoe kostbaar ook en – en daarom hou ik oprecht van die man – dat je altijd hoop mag houden.
Toen ik hoorde dat zijn nieuwe roman over boksen zou gaan, moest ik even slikken. Ik weet dat boksen de beste verhalen oplevert, maar ik vind het verschrikkelijk. Ik kan er niet naar kijken, ik kan niet begrijpen dat mensen ernaar willen kijken, ik begrijp er niks van, echt niks.
Met enige terughoudendheid begon ik aan Laat me niet vallen (helaas is het niet gelukt ook maar iets van de schittering van de Engelse titel – Don’t Skip Out On Me – te bewaren in de vertaling): ‘Horace Hopper deed zijn ogen open en keek op de klok: vijf uur ’s ochtends.’
Ik glimlachte. Heerlijk vind ik dat, schrijvers die de regels van de romanschrijfcursus aan hun laars lappen. Iedereen weet dat je nooit een boek mag laten beginnen met iemand die wakker wordt, Vlautin trekt zich er niks van aan. (Ik vind het niet altijd leuk hoor, als schrijvers zich niet een beetje aan de regels houden.) En dan buitelen al snel de soapdialogen over elkaar. Soapdialogen noem ik die gesprekjes tussen personages die voor de lezer belangrijke informatie uitwisselen die ze zelf allang weten. Prima voor een soap, not done in een roman. Maar als je Vlautin ooit een keer over zijn werk hebt horen praten of hem hebt zien optreden, nu ja, dan kun je je gewoonweg niet aan hem ergeren.
Laat me niet vallen gaat over de jonge Horace Hopper die op de ranch van meneer en mevrouw Reese werkt maar droomt van een carrière als profbokser. Door alles wat je van Horace te weten komt heb je de neiging te roepen: ‘Doe het niet Horace! Blijf lekker op de ranch, je bent zo’n goeie jongen, waarom zou je jezelf dit allemaal aandoen?!’ Maar je weet ook: hij gaat het doen, hij móét het doen en hij doet het.
Hij verlaat de ranch en trekt in het tuinhuisje van zijn tante in Tuscon. En hé, hij vindt een baantje, hij vindt een trainer en hij bokst zijn eerste wedstrijden.
Had ik al gezegd dat ik niet van boksen hou? Volgens mij vindt Vlautin het ook een vreselijke sport. Zijn stijl is sowieso sober, maar hij doet geen enkele moeite het wereldje mooier te maken dan het is: de types zijn louche en boksen doet gewoon pijn, of je nou wint of verliest.
Toen ik op een kwart was appte ik een vriend: ‘Het is niet zijn beste.’ Halverwege begonnen mijn ribben pijn te doen. Op drie kwart wilde ik alleen nog maar stil in bed liggen en doorlezen. Het hele boek had ik het gevoel dat ik op punten voor had gestaan, in de laatste ronde ging ik door de knieën, een zuivere knock-out.
Pffft, wat een boek. Ik ga nog maar een keer mijn neus snuiten. En een plaatje draaien van Richmond Fontaine. Zoek die maar even op en kom anders 9 februari naar Tivoli, Utrecht. Hij neemt zijn gitaar mee en zal de titelsong ‘Don’t Skip Out on Me’ vast spelen.
(Edith, februari 2018)

Genoeg nu over mij – confessies van een ervaren schamer – Marja Pruis
Opmaak 1Ik schaam me. Ik heb spijt. Én berouw. Als kind was ik maar wat trots op het feit dat ik verschil wist tussen ‘berouw’ en ‘spijt’ (dankzij een liedje van Robert Long nog wel), nu ben ik minder blij met die kennis, omdat ik een van de twee al erg genoeg had gevonden. Maar eerlijk is eerlijk: ik heb iets gedaan (alleen boeken van mannen op mijn eindejaarslijstje genoemd – berouw) en ik heb iets niet gedaan (het boek noemen dat mij echt aan het denken zette – spijt).
Het was een bewogen jaar. Alweer eentje. Grotendeels door privégedoe, maar ook door de boeken die ik las. Twee boeken eigenlijk. Het ene raakte me in mijn hart: Max, Mischa & het Tet-offensief van Johan Harstad, ik zou er zo weer een stukje aan willen wijden, maar hou me in.
Het andere boek, het boek dat mij de ogen opende, aan het denken zette en mijn zelfbeeld deed kantelen was de essaybundel van Marja Pruis: Genoeg over mij – confessies van een ervaren schamer.
Jarenlang zei ik dat mensen niet zo moesten teuten over man-vrouw-verhoudingen, ik had nog nooit iets níét kunnen doen omdat ik een vrouw was. Mijn beste vriendin repliceerde steevast dat ik geen ambitie had, maar daar lachte ik dan om, want wat was daar nou toch weer mis mee? Als iedereen maar ambitie heeft om hogerop te komen, dan blijft er een hoop werk beneden liggen.
Maar goed, toen las ik dus de essays van Marja Pruis. Ik biecht ook maar meteen op dat ik ‘essays’ altijd een eng genre vond, waar ik met een boogje omheen liep. Doodsbang dat ik er niks van zou snappen, dat ik me ontmaskerd zou voelen als intellectuele onbenul. Dat ik deze bundel toch ging lezen kwam door mijn lieve collega Mieke die het boek herhaaldelijk onder mijn aandacht bracht en het uiteindelijk gewoon bij me door de brievenbus gooide. Toen moest ik wel.
En toen gebeurde er van alles. Ten eerste bleek het reuze mee te vallen met Het Essay an sich. Ik kon het prima aan. Er zijn vast doorwrochtere varianten denkbaar, maar deze gingen erin als goeie chips (per zak).
En toen kwam langzaam het inzicht dat het veel erger met me was gesteld dan ik ooit had kunnen bedenken of had durven toegeven. Ik heb het boek uitgeleend (ik hoop aan een man maar waarschijnlijker aan een vriendin die ook wel wat nieuwe inzichten kon gebruiken), en kan dus niet bladeren of citeren, u zult het moeten doen met het gevoel dat me na het lezen is bijgebleven. Een van ergste diagnoses was toch wel dat ik leed aan het gastvrouwsyndroom – altijd maar het iedereen naar de zin willen maken. Ik vond dat altijd normaal, waarom zou je het niet doen? maar het gaat ten koste van een hoop andere dingen en dat zag ik nooit. Nu wel. Marja Pruis liet me zien dat alle dingen waarover ik heel streng was voor mezelf niet eens zozeer typisch vrouwelijk, maar toch vooral heel menselijk waren. En dat er dus geen enkele reden was om mezelf bestraffend toe te spreken over bepaalde gedachten. Dat ik het mechanisme erachter doorzag was vele malen belangrijker. En ik was niet alleen! Essay na essay vielen er puzzelstukjes op z’n plaats, stukjes die jaren hadden rondgedwarreld op zoek naar een veilig heenkomen. Ik schoot van schaamte naar herkenning naar het bevrijdende gevoel van erkenning, sloeg met de vuist op tafel, maar bovenal voelde ik een soort innerlijke rust die ik niet kende.
Voor u nu naar de winkel rent om dit boek aan te schaffen in de hoop dit hele proces ook te ondergaan, waarschuw ik nog even: door Pruis ging ik ook een boel andere boeken lezen die mijn werdegang vooruithielpen, ik heb al een tijdje therapie en een fijne nieuwe liefde – ik wil maar zeggen dat Genoeg nu over mij geen zelfhulpboek is en geen instanthandleiding voor een beter leven.
Maar goed, ik noemde het boek dus niet in mijn eindejaarslijstje voor Linnaeus Boekhandel. Waarom niet? Een laatste restje vleierij? Schaamte? Was mijn gevoel zozeer met het boek op de loop gegaan dat ik het boek niet meer als ‘boek’ zag, maar als iets groters, iets wat je niet zo één, twee, drie op een lijstje zet?
Ik ga er niet meer over nadenken. Het is gebeurd. Ik hoop dat ik het nu een beetje goed heb gemaakt en zo niet, dan is het jammer.
Ik wens u, als laatst overgebleven lezer onder aan dit stukje een heel gelukkig, rustig en zelfbewust nieuwjaar toe.
(Edith, december 2017)

Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken – Arjen van Veelen
aantekeningenEigenlijk werkte Arjen van Veelen aan een boek over Alexander de Grote, maar na de plotselinge dood van zijn beste vriend – en jonge Vlaamse schrijver – Thomas Blondeau veranderde hij van koers. Alexander de Grote werd gedegradeerd tot bijfiguur: hij moest ruimte maken voor Tomas (in de roman zonder ‘h’), de veelbelovende Vlaamse hemelbestormer die geen genoegen nam met de middelmatigheid. Het is een prachtige vondst van Van Veelen om Tomas’ literaire vraatzucht en ambitie af te zetten tegen de veroverdrang van Alexander de Grote – Alexander vernoemde steden naar zichzelf om onsterfelijk te worden, Tomas’ schreef boeken. In een poging zijn overleden vriend te vereeuwigen, reist de ik-figuur af naar Alexandrië, waar hij het kleine oeuvre van Tomas onder wil brengen in de beroemde Bibliotheek van Alexandrië.
Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is het best geconstrueerde, meest ontroerende boek dat ik dit jaar las. Het is een monument voor een verloren vriendschap en een gevecht tegen het vergeten van details over die vriendschap. Van Veelen weet verschillende genres (reisverhaal, essay en requiemroman) elegant met elkaar te verbinden.
(Melle, november 2017)

Wedervaring – Bodo Kirchhoff
wedervaringRoken vind ik stom en ik heb een verkeersfobie, maar na het lezen van dit boek wilde ik twee dingen: roken en mijn rijbewijs halen. Mijn collega’s moesten hier eerst om grinniken, maar begrepen toen ook dat we hier te maken hadden met een bijzonder sterk staaltje literatuur.
De kracht zit ’m niet in de plot: Leonie Palm belt op een avond aan bij Julius Reither, ze raken aan de praat en besluiten een autorit te maken.
Wat het boek zo bijzonder maakt is de aftastende stijl die Kirchhoff hanteert (weergaloos vertaald door Josephine ‘Rummelplatz’ Rijnaarts). Hij gebruikt geen interpunctie waardoor je niet altijd precies weet wanneer iets hardop uitgesproken wordt en wanneer het bij een gedachte blijft. Daarbij komt dat Reither, uitgever in ruste, steeds zijn eigen woorden wikt, weegt, herneemt, bijschaaft, zoals hij gewend was te doen bij het redigeren van manuscripten.
Meteen in de eerste zin is het raak:

Dit verhaal, dat zijn hart nog altijd breekt, om een uitdrukking te gebruiken die hij nooit zou gebruiken, alleen hier bij wijze van uitzondering, waarmee zou hij het hebben laten beginnen?

En dan, op het einde van het eerste hoofdstuk (tegen mijn gewoonte in citeer ik een hele passage):

[…] En u rookt dus zonder filter.
Ja, altijd al.
Als u mij binnenvroeg, zou ik er eentje meeroken. Hoewel ik gestopt ben sinds ik hier woon.
Dat moet u dan ook zo houden.
Is dat u laatste woord?
Weet ik veel, zei Reither. Bovendien zie ik niets in lange dialogen. Ook in boeken heb ik er nooit van gehouden. Je vindt ze meestal bij luie vertellers.
Maar u en ik, wij zitten hier niet in een boek. Wij staan in uw deuropening.
Nee, alleen u. Ik sta binnen. Tenzij u ook binnenkomt. En we er eentje opsteken.

Zo simpel begint het dus. Zo eenvoudig kan het zijn.
Palm en Reither stellen elkaar rake vragen, ze roken, en binnen de kortste keren stappen ze midden in de nacht in haar auto om de zon te zien opkomen boven de Achensee. Ze komen te vroeg en besluiten door te rijden, zonder doel, zonder plan. Twee eenzame zielen in een auto, onderweg naar ergens, die roken en veel zwijgen en alleen op de juiste momenten het beste zeggen.
Van mij hadden ze dagen, weken, maanden door mogen rijden, maar vooruit, dat kan zelfs in boeken niet.
Uiteindelijk sluipt er nog wat engagement in: Reither en Palm nemen op Sicilië – ja, ze rijden helemaal door naar Sicilië – een vluchtelinge onder hun hoede. Ik moest me beheersen het meisje, stoïcijns zwijgend, niet als stoorzender te zien. Toen ze opdook was ik even wrevelig en jaloers: ze kwam tussen Leonie en Julius, maar ook tussen mij en het koppel. Pas in tweede instantie kon ik de ingreep van Kirchhoff op waarde schatten.
Wedervaring is een prachtig bedachtzaam verhaal over eenzaamheid, liefde, je hart openstellen voor jezelf en daarmee ruimte maken voor een ander. Het is ontroerend en intiem en in zekere zin ook geruststellend en verdrietig.
Mocht u na deze aanbeveling naar de winkel gaan: schrik niet van het voorkomen van dit boek. Dit boek had een stofomslagje verdiend, een leeslint, een rustige bladspiegel. Het mocht niet zo zijn, maar u weet ook: never judge a book by its cover. Stel u hart open en geef het een kans.
(Edith, november 2017)

Het intieme vreemde – Jente Jong
untitledEen gloednieuw jasje voor oost-online verdient een bespreking van een gloednieuw debuut. Een debuut dat ik eigenlijk alleen maar koos op het jasje – het trok bij binnenkomst meteen mijn aandacht.
Het intieme vreemde is het verhaal van Sarah die op jonge leeftijd haar moeder verloor. Haar vader Hendrik is niet in staat over haar moeder te praten, er zijn geen spullen, geen foto’s (Hendrik is nota bene fotograaf! dat geeft toch te denken), geen anekdotes, geen briefjes, niks. Sarah is inmiddels volwassen en actrice. Als ze op een dag denkt haar moeder te zien in de supermarkt, vallen voor haar de puzzelstukjes op hun plaats. Ze keert haar theatergezelschap de rug toe (en vice versa) en gaat in diezelfde supermarkt werken om de kans te vergroten haar ‘moeder’ weer te zien.
Sarah zit achter de kassa en ziet de winkel als haar toneel, de klanten figuranten, de schappen het decor. Op dat moment heeft Jente Jong me te pakken. Wie kent nu niet het gevoel in een film te figureren, het gevoel van distantie, dat je niet werkelijk deel uitmaakt van de wereld maar een rol speelt? Jente Jong verwoordt dit knap. En geestig, wat ook heel knap is, want als het over zo’n zwaar thema gaat, ligt het sentiment op de loer. Maar niet bij Jong dus:
‘Ik was een keer na schooltijd niet thuisgekomen, omdat ik een vrouw had achtervolgd naar haar huis en daar had aangebeld met de vraag of zij misschien mijn moeder wilde worden. Ze liet me binnen, sloot zichzelf op in de badkamer en belde daar de politie, waardoor ik nog voor het eten weer thuis was.’
Ik moest glimlachen toen ik deze alinea las, las ’m nog een keer en voelde toen pas de scherpe rand. Knap.
Op de achterflap staat dat Jente Jong haar moeder verloor toen ze twee was. Op voorhand weerhield me dat een beetje. Wat deed het ertoe?
Nu ik het gelezen heb, zeg ik: het doet er niet toe. Het boek wordt voor mij niet beter, waardevoller of echter nu ik weet dat het de schrijver zelf is overkomen. Ik neig bijna naar het tegenovergestelde. Sterker nog: als ik het niet geweten had, had ik misschien helemaal niet eens geloofd dat het autobiografisch is. Jong is erin geslaagd een particuliere zoektocht naar erkenning en liefde universeel te maken, dankzij haar lichte toon, originele stijl en subtiele humor. Een meer dan geslaagd debuut. In een prachtig jasje.
(Edith, september 2017)

Lees hier verder wat Linnaeus in het verleden las
Terug naar boven
Terug naar home