Wat als we niet waren betoverd

“Ik begin te schrijven, en ben nieuwsgierig naar wat er komt. Ik weet tevoren niet wat de laatste zin zal worden. Zou ik dat wél weten, dan is het als bij een schroefje dat te vaak is aangedraaid; dan wordt het lam. Van de 25 keer draait het 24 keer niet op een goede tekst uit, bij mij. Maar die ene keer is het raak.
Aan schrijvers wordt vaak gevraagd: ‘Waarom schrijf jij geen roman?’ Of ze zeggen: ‘In zo’n stukje van jou zit een roman van 375 bladzijden verborgen.’ Daar heb ik dan geen antwoord op, zoals op de meeste vragen van de meeste mensen. Maar ik zit dan wel op een wedervraag te broeden, en die komt er in zo’n stukje uit: ‘Waarom doet een romancier niet wat meer moeite, want dan kan hij een subliem miniatuurtje van 375 woorden maken.’
Ik weet het: kort proza, en zelfs korte verhalen zijn commercieel niet interessant. Maar het is zo’n mooi genre. Mensen kunnen onderweg naar hun werk of ergens in een rij een paar verhaaltjes lezen, en hebben dan de rest van de dag om er af en toe aan te denken.” – Sylvia Hubers in gesprek met Arjan Peters in de Volkskrant.