Opruiming

cafe-de-paris2-banner 2
Onze jaarlijkse OPRUIMING is begonnen. Veel boeken voor de helft van de prijs. Elke dag nieuwe aanvoer uit de kelder

Boekpresentatie

Dinsdag 17 januari in Linnaeus Boekhandel: feestelijke presentatie Billie & Seb, de nieuwe roman van Ivo Victoria
ivo victoria  billie en seb 2
Wat gaan we doen? Speechen, een kort interview met Ivo en Ivo zal voorlezen en… zingen. Aanvang 17.00 uur. Inloop vanaf 16.30 uur.
Ivo Victoria, Uitgeverij Lebowski en Linnaeus Boekhandel nodigen u uit hierbij aanwezig te zijn. Aanmelden via lili.burki@lebowskipublishers.nl.
Lees meer

BOEKEN IN DE MEDIA

‘Het is ‘t Harts meesterhand die zorgt dat je van deze krankzinnige geschiedenis vooral de komische kanten blijft inzien. Hij vertelt alles zo gortdroog, zonder met zijn ogen te knipperen, als een serieus verslag, dat je er enerzijds in blijft geloven, terwijl anderzijds de hilarische kanten steeds duidelijker in het oog springen. Wederzijds is bij dit alles natuurlijk ook een actuele satire, op de veiligheidsobsessie van Nederland, op de PVV-achtige angst voor overlastgevers, op de klacht van de mondige burger. Slapstick annex satire, ik ken geen Nederlandse schrijver die dit genre zo beheerst als Kees’t Hart.’ – Rob Schouten in Trouw

‘Levendig en ongrijpbaar laat Perquin het menselijke verlangen juist dat kennen wat zich niet laat kennen – toekomst, dood, groei, geluk – over de pagina’s slingeren. “Wat als het / niet is dan ontbreken, opgeruimde fietsenschuurtjes, / kelderboxen, aangeveegde aarde?” Pogingen dichterbij het raadselachtige begin van de wereld, mens en taal te komen, leiden zelfs tot een conversatie met God:
“Op een ochtend word ik wakker naast God. Hij draagt / een aan de randen versleten hoed en slaapt, zie ik, op zijn zij.”
Mooist zijn de gedichten die “dichtbij “de leegte” komen, waar ze zich, ooit “grappend” omheen bewoog.’ – Janita Monna in Trouw

‘In het derde deel van de serie Luisteren &cetera gaan Pieter Steinz en Bertram Mourits terug naar de bron: de jaren vijftig en zestig.
[…]Als je niet uitkijkt, wordt zo’n boek een saaie geschiedenisles waarin alle genres en hun oorsprong keurig op een rijtje worden gezet, inclusief een academische discussie over hoe rock-‘n-roll precies is ontstaan. Dat voorkomen Steinz en Mourits door de belangrijkste artiesten en groepen eruit te lichten, waarvan ze één album (of soms één single) uitgebreid bespreken. Vervolgens geven ze de lezer suggesties om verder te luisteren: andere platen van de betreffende artiesten, maar ook verwante muziek, onderverdeeld in “Invloeden op” en “Wat te luisteren na”. Daarmee is het heel informatief, maar vooral ook enthousiasmerend.’ – Sietse Meijer in NRC Handelsblad 

‘De Duitse journalist Wolgang Bauer interviewde voor zijn boek De geroofde meisjes in juli 2015 en januari 2016 meer dan zestig meisjes en vrouwen die ering slaagden uit Sambisa [het bos waarin Boko Haram het hoofdkwartier heeft] te ontsnappen. De reporter voor Die Zeit wil de meisjes zo hun stem teruggeven met hun verhalen over lijden, over geweld maar ook over moed. In de snelgroeiende literatuurlijst over Boko Haram is dit het eerste authentieke relaas.’ – Koert Lindijer in NRC Handelsblad

‘Dat de roman ruim een week geleden werd bekroond met de Costa Award, is dan ook niet meer dan terecht. “Een wonder van een boek.” stelde de jury, en inderdaad, het werk van Barry heeft altijd iets magisch. In zijn romans zit altijd wel een aantal magistrale, filmische scènes, en ook in Dagen zonder eind ontbreken ze niet; een bizonjacht, veldslagen, een vloedgolf die zich op een fort stort. In sommige romans hangen dergelijke scènes er een beetje los bij (zoals in De tijdelijke gentleman, 2014), waarin Dagen zonder eind zijn ze een hecht onderdeel van het verhaal.’ – Rob van Essen in NRC Handelsblad

“Chabot heeft zijn verhaal meeslepend geconstrueerd, met vernuftige perspectiefwisselingen, met gebeurtenissen waarachter je even blijft haken zonder te weten waarom. De roman kan zo verfilmd worden, alles is zeer zichtbaar, behalve dan wat niet zichtbaar mag zijn, maar alleen maar voelbaar.
[…] Op de achterkant staat dat de roman oergeestig is. Vreemd, want dat is hij allerminst. Hoeft ook helemaal niet. Een geweldig onheilspellend hoek, dát is het.’ – Thomas Verbogt in Het Parool.

‘De grondtoon van de bundel is treurig: de personages krijgen misschien wel nieuwe kansen, maar worden tegelijkertijd gegijzeld door hun eigen onvermogen. De wrede of ontbrekende twist in het plot laat de lezer regelmatig met een onbestemd gevoel achter.
Verbeke, die zich altijd al heeft opgesteld als voorvechter van het korte verhaal, is de gedroomde ambassadrice van het genre. Wat een fijn begin van een nieuw boekenjaar. Halleluja.’ – Diewertje Mertens in Het Parool.

‘Een categorie boeken waarop ik eveneens vrij boosaardig reageer, is die van ervaringsboeken voor jonge ouders. […] Maar halleluja, wat is dit anders. Geen cliché te bekennen, en waar andere boeken blijven hangen in oppervlakkige en olijke moederblaadjestaal is dit een bundel stevige bespiegelingen over ouderschap. Liefdevol, eigen, eerlijk en potverdorie ontzettend goed geschreven.
Binnen twintig pagina’s ben ik ontroerd geraakt, herik hardop gelachen en kreeg ik een idee voor een lied. En toen heb ik het maar meteen uitgelezen.’ – Katinka Polderman in de Volkskrant.

“Journalisten, politici en denkers van diverse pluimage hebben de afgelopen jaren de noodklok geluid over onze democratie. Ons bestel is ‘geen lang leven meer beschoren’ (schrijver David Van Reybrouck) of het is zelfs ‘helemaal kapot’ (oud-minister Hans Hoogervorst); volgens de Raad voor het openbaar bestuur is het ‘vijf voor twaalf geweest’.

Allemaal onnodige zorgen. Er ís helemaal geen crisis van de democratie. Op internationale ranglijsten over democratie, rechtsstaat en politiek vertrouwen staat Nederland steevast in de toptien, en uit opinieonderzoek blijkt dat het vertrouwen in de politiek niet structureel is gedaald.
[…] In de publieke opinie zit een pessimistische grondtoon, dat is van alle tijden. De politicoloog Jacques Thomassen zei in zijn afscheidsrede: er gaat geen decennium voorbij zonder dat de crisis van de democratie is uitgeroepen. De toenmalige West-Duitse bondskanselier Willy Brandt gaf de westerse democratie in de jaren zeventig nog tien jaar. Daarnaast heeft er in de media sinds 2002 een enorme correctie plaatsgevonden: media zijn nu heel gevoelig voor maatschappelijke onvrede. En nog iets: als je iets gedaan wilt krijgen in de politiek, helpt het om een crisis uit te roepen.”

“In alle steden waar de opstandelingen de macht grepen, beloofde Willem van Oranje met zogenoemde satisfacties de rechten van de katholieken te zullen respecteren, maar vrijwel nergens kwam hij die belofte na. En hij wekte niet de indruk daarover in gewetensnood te verkeren. Plunderingen waren integraal bestanddeel van de opstand.
[…] Nee, sympathie hebben we niet voor Willem van Oranje opgevat. Maar in zijn wendbaarheid was hij wel veel interessanter dan het gros van zijn tijdgenoten. Bij het lezen van zijn brieven waanden we ons in een aflevering van Game of thrones.” – Aron Brouwer en Marthijn Wouters in gesprek met Sander van Walsum in de Volkskrant.

‘Voor wie Reves De avonden ook alléén in december wil lezen, komt deze tip net te laat óf elf maanden te vroeg. Berg De goede herder (Lebowski) van de IJslandse schrijver/dichter Gunnar Gunnarsson (1889-1975) dan maar alvast zorgvuldig op bij de kerstballen. Een meditatieve (kerst)novelle over de herder Benedikt die elk jaar in de laatste adventsweek de bergen in trekt om verdwaalde schapen van anderen veilig naar beneden te leiden, samen met zijn trouwe hond Leo en zijn ram Knoest. Zijn 27ste toch wordt, als die “drie-eenheid” wordt overvallen door een sneeuwstorm, een hachelijk avontuur van honger en ontberingen. En bovendien een geserreerde, hartverwarmende parabel over mens en natuur, altruïsme en de vraag wat een leven bevredigend maakt.’ – Dirk-Jan Arendsman in VPRO Gids.

‘Er heerst een even merkwaardige als fascinerende stijfheid in deze roman, waarin ook nog eens tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid verleden tijd op onnavolgbare wijze door elkaar lopen. Het is kortom, ondanks de traditionele inzet, nauwelijks een traditionele roman te noemen, maar eentje die helemaal met het eigenzinnige taalgebruik van Roemer is gevuld. De flaptekst heeft het over “sculpturen van taal” en dat is bij wijze van uitzondering nu eens precies raak.’ – Rob Schouten in Trouw.

De rode anjer van schrijver-intellectueel Elio Vittorini (1908-1966) is een boeiend tijdsdocument van het fascistische Italië van 1924. Het is ook een roman die een lezer van nu laat voelen hoe het was om toen puber te zijn, het hoofd vol valse verwachtingen en hooggestemde idealen.
[…]
Vittorini’s invloed op de naoorlogse Italiaanse cultuur van enorm. Zijn rusteloosheid, zijn onvermoeibare hang naar het moderne leven, dreven hem naar steeds nieuwe experimenten. De rode anjer en zijn eigen jongensjaren laten in 1948 al zeer ver achter hem, iets wat hij in zijn inleiding maar al te graag onderstreepte, maar wat het boek zelf je niet laat voelen.’ – Ronald de Rooy in Trouw.

Het purperen land is bovenal een indringend portret van een moedige vrouw in een snel veranderende wereld. Een portret waar je zelfs ruim negentig jaar later nog van onder de indruk raakt.’ – Emilia Menkveld in Trouw.

‘Een bundel die het moderne, stadse leven ademt, met zijn film, variété, en vooral hoe de mens daarin zijn weg zoekt: O, mijn Music-Hall wieg m’op uw geluiden / Dat ik weer eens de ware wereld buiten / Treed; dat ik weer eens wone / In illusies hogere regionen.
Behalve om zijn taal, lees ik Van Ostaijen graag omdat hij je deelgenoot maakt van de menigte die dat Antwerpse theater in schuifelt. Voor de duur van de voorstelling, laat hij je “één” voelen met de rest van het publiek.
Van Ostaijen schreef in een veranderende wereld, het roerige, angstige maar ook opwindende begin van de vorige eeuw. Ook dat maakt het de moeite waard om zijn poëzie te blijven herlezen, iets van het levensgevoel dat eruit opstijgt is ook voelbaar in deze bange tijd.’ – Janita Monna in Trouw.

‘Hebben wij een soort plattegrond van ons lichaam in onze hersenen en kan een abusievelijke leemte daarin maken dat we lichaamsdelen als ongewenste indringers zien? Het is een van de hypothesen die Ananthaswamy uitwerkt in zijn boeiende bundeling verhalen over het zelf. Wat het zelf precies is, vragen we ons doorgaans pas af als er iets misgaat. […]
Aan de uiteenlopende gevalsbeschrijvingen voegt Ananthaswamy de neurologische achtergrond ervan, de stand van de wetenschap en filosofische (zowel westers als oosters) bespiegelingen toe. Met deze prettig leesbare mix toont hij zich een waardig beoefenaar van een genre dat zijn polariteit te danken heeft aan neuroloog Oliver Sacks.’ – Ranne Hovius in de Volkskrant.

‘Existentialisme gaat over vrijheid. Vrijheid van ervaren, van kiezen, zien, denken en voelen. De existentialisten vonden, in navolging van Heidegger, dat je je niet moest laten leiden door wat “men” vond of dacht. Je raakt jezelf al gauw kwijt in dit “men”. Het gaat er juist om dat je op zoek moet naar je mest eigen authentieke ervaringen en opvattingen. Volgens deze fenomenologische benadering dan zelf een cocktailglas aanleiding zijn voor filosofische bespiegelingen.’ – Jannah Loontjes in de Volkskrant.

‘Mörings grote kwaliteit is de beheersing van verschillende registers: van de aan de orale vertelcultuur verwante taal van de oude legenden tot de dialoog gedreven wittiness en het fragmentarisme van de eenentwintigste eeuw. Geleidelijk, met het verstrijken van de eeuwen in Eden, verandert de taal waarmee Möring de verhalen van zijn wandelende jood vertelt.’ – Arjen Fortuin in NRC Handelsblad.

‘Die essayachtige stukken zijn verluchtigd met tekeningen, foto’s teksten en voetnoten. Bijna allemaal zelf door Möring vervaardigd. “Ja, die kaarten, met een aansteker bewerkt, in de koffie gedrenkt, in de oven gelegd. Voor mij is dat belangrijk, omdat ik vind dat de roman zo’n gesloten vorm heeft gekregen. Zo’ rechthoek met alleen tekst. Daarvoor had je Dickens, geïllustreerd met gravures. En Gustave Doré illustreerde werk van Balzac en Dante. Dat is allemaal weg. Die ongelofelijke calvinistische opvatting dat plaatjes niet mogen! Ik neem die vrijheid om de lezer mee te nemen naar een andere wereld.”
En met die vrijheid geeft hij zijn boek ook weer weg. “Als jij als lezer begint te lezen is het niet meer mijn boek. Alle beslissingen die je neemt – wat je wel en niet gelooft, conclusies die je trekt, verbanden die jij legt – zijn jouw beslissingen. Daarmee maak jij het boek opnieuw.”‘ Maarten Moll in gesprek met Marcel Möring in Het Parool.

‘Dat wordt verteld in een smakelijke en oorspronkelijke stijl, vol geestige observaties en gevoel voor absurditeit, iets wat ook al sprak uit Van Wieringens debuut, de verhalenbundel De kermisvan Gravezuid (2013). Ook op de langere baan presteert ze nu weer […].
Technisch sterk dus, deze novelle, maar erg een novelle, in zijn beperkte ambitie en rijkweidte en vooral in z’n afgerondheid. […] Hoe dan ook: de belofte voor wat Van Wieringen gaat presteren als ze een roman schrijft, blijft groot.’ – Thomas de Veen, NRC Handelsblad.

‘Zo de Zwitserse Regina Ullmann (1884-1961) met íéts bekend was, dan wel eenzaamheid en armoede. Die kan ze dan ook met meesterhand beschrijven in de verhalen die ze in 1921 bundelde in Die Landstrasse, destijds door mentor Rainer Maria Rilke enigszins bekend geworden, en nu als De Landweg verschenen in een Nederlandse vertaling bij uitgeverij Lebowski. […] Als het je weg is om alleen te zijn, dan kun je onderweg je aandacht geheel richten op kinderen en de natuur die zich belangeloos aandienen. […]
Met verwondering en zonder klagen scheef Regina Ullmann een klein oeuvre van verhalen en gedichten. Misschien was ze nooit echt alleen. Van de eenzaamheid maakte ze een metgezel die haar altijd trouw bleef.’ – Arjan Peters in de Volkskrant.

‘Biograaf Andersen had veel nieuw materiaal uit het familiearchief tot zijn beschikking. Het resultaat is een genuanceerde, verbeeldingsrijke biografie, die vooral gaat over Lindgrens drijfveren. Andersen weet zich volkomen te verplaatsen in haar tegenstrijdige karakter, zonder een kwijlerige bewonderaar te zijn.
[…] Andersens boek loopt niet over van Bolderburen-romantiek, de sfeer van knusse kerstversiering met zelfgebakken koekjes, in kraakheldere houten huizen, omringd door weelderige natuur, de sfeer waarin Lindgren opgroeide. Hij heeft oog voor de donkere kanten van haar leven. Ze was geen stoere grapjas, ze was melancholiek.’ – Aleid Truijens in de Volkskrant.

‘De auteur probeert in de eerste plaats een meeslepend verhaal te vertellen, onder meer door zich te richten op het persoonlijk leven van zijn personages – zo lijdt Joseph Goebbels, de nazi-minister van Propaganda, onder het feit dat zijn vrouw een affaire heeft.
Ook de manier waarop Hilmes spanningsopbouw nastreeft, maakt dat we van literaire non-fictie moeten spreken, al staat hij zichzelf minder vrijheid toe dan veel andere auteurs in het genre. Zijn gewoonte om zelfs de kleinste uitlating van zijn personages onmiddellijk in een noot te verantwoorden, heeft het voordeel van historische punctualiteit, maar het nadeel dat de lezer zich bij onschuldige observaties waarvan de auteur zich geen rekenschap aflegt, onwillekeurig afvraagt: hoe wéét hij dat? Zo zit de historicus de verhalenverteller soms in de weg; maar omdat Hilmes, gevierd biograaf van Alma Mahler en Cosima Wagner, over een pakkende stijl beschikt, is dat geen groot bezwaar.’ – Marco Kamphuis in NRC Handelsblad.

De argonauten verweeft op losse wijze persoonlijke herinneringen met kunstbeschouwingen. En net zo makkelijk uiteenzettingen uit de gendertheory met hele delen liefdesbrief. […]
Prettig is dat Nelson nergens zoetsappig wordt. Haar bewondering voor het geestelijke en lichamelijke lijken even intens.’ – Hannah van Wieringen in NRC Handelsblad.

‘Joke van Leeuwen (1952) is zich heel wel bewust van de wereld die haar omringt, maar in haar werk kijkt ze meer in- dan uitwaarts. Haar territorium is de microkosmos van haar eigen leefomgeving. Die beziet en beluistert ze met de taalfascinatie die ze helder vorm gaf in Waarom een buitenboordmotor eenzaam is (2005). […]
Al zeven bundels lang trakteert Joke van Leeuwen haar lezers op caleidoscopische in- en doorkijkjes. in Het moet nog ergens liggen dwaalt haar blik weer alle kanten uit.’ – Arie van den Berg in NRC Handelsblad.

‘”Dat van die poëtische stijl hoor ik vaker. Maar ik denk zelf dat dat een economische stijl is die dat poëtische oproept. Vaak worden de vragen die in proza worden opgeroepen in de tekst keurig beantwoord. In poëzie moet de lezer zelf aan de gang met die vragen om verbindingen te maken, veronderstellingen te onderzoeken. In mijn proza laat ik veel weg, en ik vertrouw daarbij op de creativiteit en het instinct van de lezer om het verhaal te maken.
Ik weet precies wat er in het verhaal gebeurt, wat is gebeurd en wat zal gebeuren. Maar ik kies ervoor de lezer informatie te onthouden, dat houdt het ook spannend, en ik vind het literair interessanter. Het is balanceren, maar als het lukt gaan lezer en tekst een soort intieme relatie aan.”‘ – Maarten Moll in gesprek met Cynan Jones in Het Parool.

‘[De verhalen] zijn gevarieerd, vaak nadrukkelijk klassiek van toon en bijzonder geslaagd. Ouderwetse kerstverhalen eigenlijk, in de goede zin van het woord. Vol echo’s van Charles Dickens en sprookjesmagie, prettig balancerend op het randje van het sentimentele, met soms een vleugje zwarte humor of een smakelijk gothic spookverhaal om de boel niet ál te suikerzoet te maken.’ – Dirk-Jan Arendsman in Het Parool.

‘Het is een opgave om De storm (The Tempest) van William Shakespeare te bewerken en er een hedendaagse roman van te maken. In Heksengebroed doet de Canadese schrijfster Margaret Atwood (1939) een geslaagde poging. De roman is onderdeel van de Vintage Hogart’s-reeks, waarin auteurs vierhonderd jaar na de dood van de schrijver één van zijn klassiekers onder handen namen.
[…] De grote kracht van deze bewerking schuilt vooral in Atwoods pogingen De storm te doorgronden en iets over Shakespeares manier van werken te tonen, en het plezier waarmee ze dat heeft gedaan. Alleen dat al maakt Heksengebroed de moeite waard.’ – Dieuwertje Mertens in Het Parool.

‘Wat zijn de ingrediënten van een goed kerstverhaal? Moet het sneeuwen? Moeten we het koud en warm tegelijk krijgen? Is er een boodschap van hoop, verwachting, medemenselijkheid? Een eerste vereiste is dat het verhaal kort en kernachtig is, een eenvoudige en heldere vertelling. De IJslandse dichter en romancier Gunnar Gunnarsson schreef in 1936 een novelle die aan zo’n beetje alle mogelijke verwachtingen omtrent een kerstverhaal voldoet. Nu verscheen die eindelijk in het Nederlands: De goede herder.
[…] Ik moest bij zijn stijl – en bij al die kou en ontberingen ook ja – aan Jón Kalman Stefánsson denken, die de laatste jaren lof oogstte met zijn “IJsland-trilogie”. Na lezing ontdekte is dat hij bij dit boekje het nawoord geschreven heeft. Het laat alleen maar zien dat de stijl van Gunnarsson navolgers kent en niet heeft ingeboet aan kracht.’ – Gerwin van der Werf in Trouw.

‘De titel heeft al iets obsessief. En anders het zeer uitgebreide register wel, zo’n negenhonderd bladzijden verderop. Hoe een manisch-depressieve tiener in de zomer van 1969 de Rote Armee Fraktion bedacht is een magistrale wervelwind van bespiegelingen vanuit een verstikkend West-Duits provincieleven vóór de val van de Muur. Het register stipt, van Adenauer en Apostel tot Zappa, het fantasierijk aan waarin de hoofdpersoon van het boek leeft. Onder de “B” worden de verwijzingen naar RAF-terrorist Andreas Baader nog overtroefd door die naar de Beatles. Bij de “W” moet Winnetou concurreren met Bill Wyman en met Wittgenstein. Maar de verwijzingen naar Waanzin winnen het glansrijk.’ – Annemieke Hendriks in Trouw.

‘Ze moest dit boek schrijven, zegt ze. Niet omdat ze nu 70 is geworden en de behoefte voelt terug te blikken. Niet omdat haar oeuvre aan afronding toe is – verre van. “Maar om een nieuw publiek te bedienen: jonge mensen, niet per se een kunstpubliek. Mijn leven is als een film. Ik kom uit een lastig deel van Oost-Europa, het was niet makkelijk. Mijn werk is bestempeld als masochistisch, exhibitionistisch, gestoord. Soms kwamen er tien man kijken, nu zijn het er honderdduizenden. Ik geloof dat het ‘t waard is dat verhaal te vertellen. Dat het inspirerend kan zijn voor mensen. Dat je door muren heen kan breken, zelfs wanneer alles om je heen op slot lijkt te zitten.”‘ Anne van Driel in gesprek met Marina Abramovich in de Volkskrant.

‘Vanaf ongeveer halverwege het boek gaat het verslag van de verkenningsvlucht, dat van het begin af aan al herhaaldelijk werd onderbroken door bespiegelingen, herinneringen en vrije associaties van de schrijver, steeds meer over in een essay, dat tegen het slot zelfs de allures krijgt van een meditatie over de Mens – met een nadrukkelijke hoofdletter.
Die meer abstracte overpeinzingen van Saint-Exupéry vond ik nog boeiender dan het verslag van de krijgshandelingen. Zij hebben betrekking op nog altijd actuele begrippen als gemeenschapszin, de absurditeit en de zin van oorlog.’ – Ger Leppers in Trouw.

‘Zijn essays zijn ogenschijnlijk tastenderwijs geschreven, waar het veelvuldig gebezigde “wellicht” en “misschien” ook op lijkt te wijzen. Enige achterdocht is echter op zijn plaats, want dat voorbehoud is ook een retorische methode om de lezer hoffelijk bij het betoog te betrekken.’ – Arjan Peters in de Volkskrant.

‘Lengerich zoekt een antwoord op een vraag die de afgelopen decennia nog aanleiding heeft gegeven tot enige discussie: was Hitler, zoals de historicus Hans Mommsen meende, een “zwakke dictator” die zich niet met de details van het beleid bezighield en die zich vooral om het eigen machtsbehoud bekommerde, of was hij metterdaad de vormgever van het Derde Rijk en alles wat dat aan onheil heeft teweeggebracht?
Voor Longericht staat vast dat Hitler verantwoordelijk was voor de lotgevallen van fijnpartij en, van 1933 tot 1945, van zijn land en het Europese continent. Waarmee hij, uiteraard, niet betoogt dat hij geen medeplichtigen had.’ – Sander van Walsum in de Volkskrant.

‘Een van de kenmerken van een goede stijl is dat je hem onmiddellijk wilt imiteren, dat je hem gaat imiteren zelfs als je dat niet wilt. Al lezend kwam het verlangen in me op om de stijl van Goudsblom te imiteren, die, zoals hij zijn polemiek omschreef, ingetogen is. Een tijd lang noemden critici een dergelijke stijl “uitgebeend”, maar dat woord volstaat niet. Goudsbloem vertelt, op een paar momenten na, als duidelijk wordt dat hij iets als trots niet kan onderdrukken, alsof hij niet zeker weet of wat hij vertelt wel de moeite wel het vertellen waard is, oftewel met een zekere gêne. Hij dramatiseert niet hij ontdramatiseert.’ – Arnon Grunberg in de Volkskrant.

‘In Tsunami in de Amstel laat Pieter Boskma (1956) de worsteling met zijn eigen dichterschap zien. […]
Boskma heeft van nature een romantische inborst: zijn poëzie is vaak lyrisch, hij schuwt de grote woorden niet. Ook heeft hij soms een wat plechtstatige woordkeus. Zo spreekt hij van “het woord” en van “inspiratie” die de dichter overkomt of niet – poëzie is verheffend.
[…]Soms is hij wat larmoyant, maar zijn reflectie laat een andersoortige lyriek zien, waarin ruimte is voor de actualiteit, de romantiek, de inwaartse en de uitwaartse blik. ‘ – Dieuwertje Mertens in Het Parool.

‘Bestsellerauteur Harlan Coben betoont zich als altijd een soepele verteller. Lezers die het alleen om spanning en puzzelen te doen is, kunnen hun hart ophalen.’ – Hans Knegtmans in Het Parool.

‘Opmerkelijk aan Hans Janssens biografie van Piet Mondriaan is de nadruk op het spontane en het outgoing karakter van de schilder die wereldberoemd werd met zijn neoplastische kunst van strak gecomponeerde rechte lijnen en symmetrische vlakken. Mondriaan stond juist bekend als een neurotische kluizenaar die zelfs al zenuwachtig werd als iemand een luciferdoosje schuin op tafel legde […].
Hans Janssen heeft het heel anders aangepakt dan al zijn voorgangers. Omdat hij als conservator van het Haags Gemeentemuseum elke dag langs de kunstwerken van Mondriaan loopt, is hij sterk op het kijken gericht. Hij spreekt daarom van een “schilderbiografie”.
We lezen dit boek deels vanuit het perspectief van Mondriaan. Die vertelwijze werkt fantastisch.’ – Hans Renders in Het Parool.