BOEKEN IN DE MEDIA

‘Bij Rovers klopt echt alles: de melancholieke blik die ik nog steeds niet van me af kan schudden, de wonderlijke humor, de verbazingwekkende greep op deze drie mensen en die fijne, mooie vrouw Ricky, die me aan alle kanten raakte.’ – Kees ‘t Hart in De Groene Amsterdammer.

‘Gerbrandy zingt, vele registers tegelijk. Steencirkels schetst een tamelijk somber beeld van onze wereld, waarin niets meer heilig is, waar vervuiling een teken van vooruitgang is, en dus eindigt de bundel met een moraal: Mens ken je plek. “De lucht is van de wolken en de meeuwen. / Wij blijven aan de grond en halen adem.”‘ – Janita Monna in Trouw.

‘”De kunst van het essay is uiteindelijk de balans zien te bewaren tussen het ik en het verhaal, de scalpel zijn werk laten doen.” Met Genoeg nu over mij laat Marja Pruis zien dat zij die kunst verstaat.’ – Emilia Menkveld in Trouw.

‘Nee, voor fraaie literatuur moeten we in dit deel niet zijn. Het is vooral Verschaffels beschrijving van het culturele en maatschappelijke klimaat in wat nu België is, dat de aandacht trekt. De strijd tussen het diepgewortelde katholicisme en de nieuwe ideeën van de Verlichting, het verzet tegen de absolutistische keizer Jozef II die tien jaar de scepter zwaaide, al die rederijkers, priesters en geleerden die naar de pen grepen om hun volksgenoten iets toe te voegen. Want hoe matig hun producten ook, je kunt wel zien dat er een soort engagement was, literatuur was zeker nog niet in de ivoren toren beland.’ – Rob Schouten in Trouw.

Alle verhalen geeft een mooi inkijkje in Capotes literaire ontwikkeling. De vroegste verhalen worden bevolkt door eendimensionale personages en hebben een wat simpele, soms tegen het sentimentele aan schurkende plot.
[…]Capotes meesterschap komt tot uiting in enkele van zijn latere verhalen, misschien niet toevallig alle geïnspireerd op jeugdherinneringen aan de tijd dat hij, “uitbesteed” door zijn ouders, werd opgevoed door familieleden in Alabama. […] Zoals je van een flamboyante, tot mateloosheid geneigde persoonlijkheid als Capote maf verwachten, ligt ook hier de sentimentaliteit op de loer. Maar Capote op zijn best scheert daar soeverein langs.’ – Hans Bouman in de Volkskrant.

‘Berg beschrijft in zijn roman, die zich in de jaren tachtig afspeelt, wat er gebeurt als achttienjarigen bij elkaar wonen; wat doen ze, waar praten ze over, wat gaat er in hen om. In die opzet is hij geslaagd. Hij heeft de sfeer en de toon in de woongroep goed getroffen, zodat de lezer zich een levendig beeld kan vormen van de dolle maanden in het Auerhaus en het tragische einde.’ – Jan Luijten in de Volkskrant.

‘Alexander: “Het thrillerformaat past bij ons.”
Alexandra: “Omdat wij heel erg van donkere verhalen houden in boeken en films, en altijd over de plots discussiëren.”
Alexander: “Hoog tempo, korte, filmische hoofdstukken.”
Alexandra: “Ik zie je kijken, maar zoals we elkaar aanvullen, zo schrijven we ook.”
Alexander: “Om en om een scène.”‘ – Maarten Moll ‘in gesprek’ met Alexander Ahndoril en Alexandra Coelho Ahndoril alias Lars Kepler in Het Parool.

‘Het is uiteindelijk de taal die betekenend geeft – maar nooit uitsluitsel. Dat laat ze zien in het ijzersterke gedicht “Superbia” over een vrouw die de dood onder haar rokken heeft in de vorm van “een kind dat nooit zal ademen”: het moet een kleine dood zijn (…)/kan de dood klein zijn, heeft de dood een maat/heeft de dood een maatje/kun je de dood de maat nemen – of de das omdoen. Francken speelt een spel met woorden en betekenissen, met uitdrukkingen, met “letterlijk” en “figuurlijk”.
Sta je zondagmorgen voor je ribbenkast/en geen geluid//wilde dieren zijn de stilste dieren besluit de dichter.
Ineens staan ze voor je. Wachten op Francken was de moeite waard. Wat een prachtig en afgewogen debuut.’ – Dieuwertje Mertens in Het Parool.

‘Dit boek is nogal een feest. Dat wil zeggen: voor de lezers van mijn generatie. In het door Xandra Schutte samengestelde en ingeleide Hoe verliefd is de lezer? van Doeschka Meijsing (1947-2012) kom je zo’n beetje alle namen tegen van de schrijvers die ons hebben gevormd. Iedereen hield zich in die tijd met die mensen bezig, zo leek het wel.
[…] dat is wat Meijsing óók zo leuk maakt: die narrige kant van haar. Ze deinsde er niet voor terug af en toe een tik uit te delen. “Vestijk is zo moeilijk, klagen de leerlingen wier moeders Anna Enquist verslinden,” schrijft ze. Zullen we afspreken dat we Enquist en dergelijke schrijvers voortaan negeren, en Vestdijk weer gaan lezen?’ – Arie Storm in Het Parool.

‘Haar fascinatie [met de dood] komt voort uit een bijna-sterfgeval, vertelt ze. Haar eigen, op twaalfjarige leeftijd. […] “Ik schreef notitieboekjes vol over de dood,” herinnert ze zich, “en ik ontwikkelde een vreemde fascinatie voor boeken over genocide. Maar de plotselinge dood van mijn vader was de directe aanleiding echt aan het werk te gaan. Hij was tweeëntachtig, maar in goede gezondheid, en nog altijd werkzaam als arts. Een sterk gestel. En toen die hartaanval.”
Ze wilde dichter bij zijn dood komen, maar via een omweg. Ze koos ervoor te schrijven over mensen die de confrontatie met hun sterfelijkheid onder woorden wisten te brengen op een wijze die weinigen gegeven is. Zo hoopte ze de dood te fixeren op papier.’ – Auke Hulst in gesprek met Katie Roiphe in NRC Handelsblad.

‘Als De jaren een hoofdpersoon heeft, dan is dat Eleanor, de oudste dochter van kolonel Pargiter, die na de dood van haar moeder voor haar vader blijft zorgen en zelf nooit zal trouwen. Zij krijgt door de jaren heen van Woolf de meeste aandacht. Ze heeft drie broers en drie zussen, en van al die familieleden krijgen we via kleine minkijkjes of langere scènes ook de levens gepresenteerd – en ook van een aantal van hun kinderen.
Dat klinkt als een hectisch, boordevol boek, maar dat is De jaren niet. Het boek heeft een bijna dromerige kwaliteit. Woolf laat ons mee dwalen van familielid naar familielid, van gedachten naar gebeurtenissen en weer terug naar gedachten. Er is eenheid, omdat iedereen deel uitmaakt van grotere gehelen.
[…]Generaties volgen elkaar op, er wordt vooruitgekeken en teruggeblikt. Uiteindelijk is de ware hoofdpersoon de tijd, en dat maakt De jaren tot een melancholische roman.’ – Rob van Essen in NRC Handelsblad.

‘Een vreemde eend in de bijt – dat was de familie Boltanski: kwetsbaar, excentriek. angstig, obsessief één tegen allen, samen tegen de buitenwereld.
Het portret dat Christophe Boltanski schetst is verbijsterend en ontroerend. Hij zoekt, hij herinnert zich, hij graaft in het verleden, hij tast naar een kern in de onontwarbare geschiedenis van zijn van oorsprong joods-Russische familie die een beroemd beeldend kunstenaar (Christian), een bekende socioloog (Luc), een fotografe (Anne) en een eminent taalkundige (Jean-Elie). Zelf treedt Christophe, als schrijver, in de voetsporen van zijn grootmoeder die romans publiceerde.
[…]Wordt creativiteit aangewakkerd als je ergens opgesloten zit, vraagt hij zich af. Het lijkt in deze uitzonderlijke familiegeschiedenis een retorische vraag.’

‘Wat kan een biograaf uitrichten met een weergaloos verdwijnende hoofdpersoon? Alberts’ imago is altijd in overeenstemming geweest met de toon van zijn werk. Een vriendelijke man, zelden opgewonden, die zich tot dreigende intimiteit redde met een vleugje ironie. Dat beeld wordt door Boomsma niet aangetast.’ – Arjen Fortuin in NRC Handelsblad.

‘Compleet kan het beeld van Amsterdam in oorlog uiteraard nooit zijn, geschiedschrijving in elke vorm schiet tekort om een catastrofe te omvatten. Maar al die fotografische getuigenissen in dit boek helpen om een wrede periode in de nabije geschiedenis een gezicht én een karakter te geven. Daarbij schenkt de wetenschap dat niet alleen amateurs en verzetslieden aan deze fotografische geschiedschrijving hebben bijgedragen, maar, ongetwijfeld onbedoeld, ook nazi’s een minuscuul gevoel van zoete wraak.’ – Arno Haijtema in de Volkskrant.

‘Feiten zijn er misschien wel nauwelijks in deze alle kanten op spattende roman. Ja, ze wil de wereld om haar heen begrijpen, maar kan dat alleen als ze er woorden voor heeft. Ze wil er niet alleen woorden voor hebben, ze snapt ook dat woorden de wereld of háár wereld maken. Ik zeg nu wel dat ze dat snapt, maar het zijn de woorden zelf of wat woorden oproepen die haar dat laten weten.
Dit klinkt nogal duizelingwekkend, maar dat is deze roman ook. Het kan irriteren, maar dat is hier niet het geval. Omdat ik het wil begrijpen. Ik heb Altijd Augustus nu twee keer gelezen en daar zal het niet bij blijven. Het zijn zinnen als: “Hij schopt de waarheid voor zich uit als een slapende hond. Ik bedoel: zijn werkelijkheid ontwaakt terwijl hij erover praat, terwijl hij hem met geweld in beweging houdt.”
Ik knik dan enorm.’ – Thomas Verbogt in Het Parool.

‘Kluun heeft gewoon weer het boek geschreven dat hij wilde schrijven. Een commercieel gedrocht is het toch niet, daarvoor zit het dan net weer te goed in elkaar, en is het de zelfspot (over leeftijd en het schrijverschap) die dit boek redt.
Raar om te zeggen misschien: DJ laat een meer volwassen schrijver zien. Nog altijd wat plat en vulgair, maar wellicht dat hij in een volgende roman die imitatie van zichzelf niet meer nodig heeft. Maar Kluun blijft Kluun. En hij zal met DJ geen literaire prijs winnen.
“Maar hé, fuck it.”‘ – Maarten Moll in Het Parool.

‘Marco Balzano (Milaan, 1978) kreeg voor Reis zonder einde de Premio Campiello 2015 toegekend. Niet onbegrijpelijk: Ninette is een sympathieke antiheld, de treurigheid van het bestaan van de naar het noorden getrokken terroni wordt indrukwekkend beschreven, en er zit donkergrijze humor in het boek.’ – Edwin Krijgsman in de Volkskrant.

De huid is geen gids voor de aanschaf van de juiste verzorgingsproducten of doe-het-zelf-boek voor een mooiere huid. Dat te veel zeep/douchen/zonnen/roken/fastfood en alcohol slecht is voor onze huid, wisten we natuurlijk al. De kracht van Adlers boek is dat ze zo grappig en overtuigend uitlegt waarom dat zo is.’ – Margreet Vermeulen in de Volkskrant.

‘Haar fenomenale tekeningen in het prentenboek Alle dieren drijven maakte Annemarie van Haeringen oorspronkelijk bij een Duitse hervertelling van het bijbelverhaal over de ark van Noach. Omdat haar Nederlandse uitgever die hervertelling te traditioneel vond, mocht Gideon Samson een nieuwe tekst schrijven. En dat pakte wonderschoon uit.’ – Bas Maliepaard in Trouw.

‘Naomi Rebekka Boekwijt (1990) houdt van naturel. Geen ingewikkelde psychologie, geen taalspel, geen ingewikkelde constructies. Dat was zo in haar eerste twee boeken, de verhalenbundel Pels en de roman Hoogvlakte, dat is zo in haar jongste roman Noordwaarts.
Boekwijt maakt de werkelijkheid niet mooier dan ze is, ook in Noordwaarts beschrijft ze het plattelandsbestaan met de blik van een reporter, er wordt niks uitgelegd of geanalyseerd, What you see is what you get. Ook in de taal zelf heeft ze weinig vertrouwen: “Woorden waren geen vrienden, maakten het in de regel alleen maar erger.” Resten oeremoties.’ – Rob Schouten in Trouw.

‘Toch is de toon van Goed volk niet zuur of bitter. Hier is een nuchtere pragmaticus aan het woord, die ook baat had bij het gebrek aan ouderlijk toezicht. In een reeks geestige hoofdstukken laat hij zien hoe berekenend en keihard een kind moet zijn om zich op De Brug – en misschien wel op élke school – te kunnen handhaven en in het gewenste “naschoolse afsprakencircuit” terecht te komen.’ – Janet Luis in NRC Handelsblad.

Hoe kwam u op het idee om zeven generaties in het boek op te nemen?

“Dat heeft drie jaar geduurd. Mijn oorspronkelijke idee was een ‘gewone’ roman, waarin ik zou schrijven over het heden met flashbacks naar het verleden. Maar toen ik bezig was, merkte ik dat ik wilde laten zien hoe langzaam de dingen veranderden. Die subtiliteit kon ik het beste laten zien door het verhaal chronologisch te vertellen aan de hand van zo veel mogelijk generaties.”‘ – Yaa Gyasi in gesprek met Yasmina Aboutaleb in NRC Handelsblad.

‘Werkelijkheid en verbeelding lopen onnavolgbaar door elkaar heen en Blasim stelt meer dan eens dat het ook allemaal verzonnen kan zijn. Dus niet, denk je dan. En daardoor komt de gruwel des te harder aan.’ – Peter Sanborn in de Volkskrant.

‘De schrijver laat geen steekje vallen en op sommige momenten lijkt Daar komen de vliegen wel een roman van de meester wiens werk Pefko ongetwijfeld als voorbeeld voor ogen heeft gehad: Philip Roth.
[…] De stijl, vlotjes, onironisch, beeldend, is eigenlijk helemaal niet zo opvallend, het is vooral het verhaal dat Pefko vertelt met alle sprekende details.
[…] Wat Pefko bezield heeft om een roman als deze te schrijven weet ik niet. Hij moet gefascineerd zijn geraakt door de uitstraling van Madoff alias Kirschenbaum, door de psychologie van de grootste witteboordencrimineel uit de geschiedenis. Het resultaat is een boek dat naar mijn mening kan wedijveren met andere grote schelmenverhalen uit de literatuur, zoals Tijl Uilenspiegel, Felix Krull van Thomas Mann, Henry Fieldings Tom Jones. Een boek van on-Nederlandse kwaliteit.’ – Rob Schouten in Trouw.

‘Bijna alle personages in Grote boze seks verlangen ernaar om op een of andere manier te verdwijnen. In een ander (het bekende romantische samensmelten), in zichzelf, of in een moment. Bijna geen van hen lukt het. Dat kan door hun haperende lichaam komen, door rouw, door het besef dat er te weinig tijd over is om ooit verlangde zaken waar te maken.’ – Vrouwkje Tuinman in Trouw.

‘Wat deze bundel draagt, is een vaart, een aanstekelijke energie waarmee wankele liefdes in een broeierig nachtleven worden afgetast.
De lezer moet mee op zoek naar liefde, verbondenheid, een plek om tot rust te komen.’ – Maria Barnas in de Volkskrant.

‘Het zijn verhalen die je kunt lezen als geschiedenissen, fictieve vertellingen, maar omdat het genre en de menselijke geest zich daar zo goed voor lenen, soms ook als parabels aangaande armoede, ongelijkheid, volkswoede zelfs. Overigens zonder dat de auteur je met harde hand die richting op dwingt, want Ryan laat je achter met verhalen vol vragen die zelfs na afloop nog heerlijk blijven gonzen. Dit alles neergeschreven in mooie zinnen vol vondsten: “wilde smart”, “zonovergoten grijsheid”.
Zeldzaam goed.’ – Roos van Rijswijk in NRC Handelsblad.

‘Veel is prachtig, maar veel kost ruimte – ook al omdat Auster alles beschrijft tegen de achtergrond van Fergunsons tijd, die ook zijn tijd is. Dus voel je in het tweede deel van het boek je aandacht soms wat verslappen. […]
In een strenge bui zou je  4 3 2 1 dus een mislukte roman kunnen noemen. Maar als het dat is, dan is het een grootse mislukking. Want onderweg met zijn vier Fergusons, heeft Auster ons wel getrakteerd op een bijzondere meerlagige vertelling die je nadrukkelijk wijst op de betekenis van wat ons in ons leven zoal overkomt en waar we voor kiezen. En over hoe slecht we die twee uit elkaar kunnen houden. Bovendien confronteert 4 3 2 1 je met je leesneigingen. […]
Zo is 4 3 2 1 een boek met een uitgesproken doordachte en uitgevoerde compositie. Auster laat niet alleen de drie verschillende verhalen zien die een schrijver kan verzinnen, maar ook de grondstof waaruit die verhalen zijn ontstaan. Zo gaat deze roman evenzeer over lezen als over schrijven – en ook over de wonderlijke wijze waarop die twee op elkaar inwerken. En is het een boek dat je niet graag zou hebben willen missen. Romans waarin niets misgaat zijn er immers genoeg; dan liever eentje waaraan van alles mankeert, maar die je niet zal vergeten.’ – Arjen Fortuin in NRC Handelsblad.

Billie & Seb begint geconcentreerd en gaat vervolgens alleen maar vooruit, maar groeit dan ook als een klimopplant, de hoogte en de breedte in. Er ontstaan takken die zich verbreiden en hun reikwijdte vergroten naar de wereldproblematiek en de geschiedenis, terwijl ondertussen de wortels zich steeds dieper verankeren in de karakters van de personages.
De roman heeft ook wortels in Victoria’s eerdere werk, je moet zelfs zeggen dat die in zijn vierde roman culmineren. […] Die lijnen zijn mooi om te leggen – omdat ze ook tonen welke ambitie Victoria aan Billie & Seb heeft toegevoegd en hoe deze roman daarom een hoogtepunt in zijn oeuvre is, en volledig geslaagd bovendien.’ – Tomas de Veen in NRC Handelsblad.

U heeft wel eens gezegd dat Verstrengeld een reactie is op de bejubelde roman Portnoy’s Complaint (1969) van Philip Roth.
“Als kind las ik de grote Amerikaanse romans en dacht: deze schrijvers hebben geen idee wie de vrouwen zijn over wie ze schrijven. We zijn een instrument in hun verhaal. Ik heb altijd geweten dat ik zou schrijven over de vrouwen met wie ik opgroeide in de Bronx, maar fictie lukte me niet. Ik kreeg geen verhaal op gang, kreeg nog geen personage de kamer in of uit. Pas toen ik mezelf als verteller ging gebruiken, ontdekte ik mijn verteltalent. Ik moest het opschrijven zoals het was.”‘ Simone van Saarloos in gesprek met Vivian Gornick in NRC Handelsblad.

‘Met een scherp oog beschrijft Rappaport de bijna surrealistische tegenstellingen tijdens de eerste revolutiedagen. Zo zette de hoofdstedelijke elite haar luxeleventje gewoon voort en bezocht ze theaters en operavoorstellingen, terwijl op straat de politie op hongerige betogers schoot. Daardoor bleef die elite tot op het laatst blind voor de woede van het volk, dat in de loop van de volgende maanden steeds gewelddadiger werd en een bloedige mensenjacht hield op tegenstanders van de revolutie.’ – Michel Krielaars in NRC Handelsblad.

‘Brusselmans’ humor of ironie bestaat uit overdrijving, en zijn overdrijvingen zijn vaak subliem omdat ze zich volledig hebben onttrokken aan de werkelijkheid. Met zijn overdrijvingen schept hij een geheel eigen universum; Brusselmans verwijst niet meer naar een bestaande wereld, maar naar een omgeving die hij bij elkaar tikt met eigen wetten en codes.
[…] Het gebruik dat Brusselmans maakt van het terugkerende personage Guggenheimer, maar überhaupt het feit dat al zijn boeken op elkaar lijken, zegt ervoor dat je iets vertrouwds in handen krijgt. Een merk, een genre, een universum: de wereld van Herman Brusselmans. Die is karikaturaal, maar niet zoals de gewone komische roman – denk aan Giphart, denk aan Kluun – karikaturaal is. Giphart en Kluun missen de magie van Brusselmans; Brusselmans trekt je werkelijk die geheel eigen schepping van hem in.’ – Arie Storm in Het Parool.

‘Dit boek staat ook barstensvol observaties die elk voor zich al goed zijn voor een aparte studie. De introductie van de aardappel, het aantal kilo’s paardenstront dat dagelijks uit de straten van Parijs, Rome of Warschau geruimd moest worden, dat een op de zes Grieken tussen 1890 en 1914 naar Amerika of Egypte emigreerde. Kortom, een krankzinnig boek dat je niet weg kunt leggen.’ – Hans Renders in Het Parool.

‘Om samenhang te krijgen in het veelzijdige onderwerp rangschikte Gemma Venhuizen de twaalf hoofdstukken naar de maanden van het jaar. “Dat had ik van te voren bedacht. Ik dacht: als ik het niet op een of andere manier inkader, dan ben ik over dertig jaar nog bezig. Het geeft de lezer ook een soort van houvast. Dit is geen boek dat je achter elkaar zult lezen. De één is geïnteresseerd in de invloed die de zon heeft op je humeur, de ander zal op zoek gaan naar gezondheidsklachten.”
[…] Nergens verzandt Venhuizen in dweperige romantiek. “Ik wil wel serieus genomen worden. Factfinding is mijn achtergrond. Bij al het persoonlijke moet het wel geloofwaardig blijven.” – Bart Jungmann in gesprek met Gemma Venhuizen in de Volkskrant.

‘Deze lichtvoetige zwaarmoedigheid tekent meer verhalen. Vrijwel altijd gaan de hoofdpersonen gebukt onder een ernstig lot, zoals een grote angst, eenzaamheid of een vervelende echtgenoot. Monter proberen ze er toch maar het beste van te maken. “Zo, angst!”, roept een bange man voordat hij zijn angst bij een “lurf” grijpt en in de rivier smijt. “Die smeerlap had zijn leven nu genoeg vergald!”
De blauwe maanvis is een bundel vol opbeurende verhalen met een hoog kampvuurgehalte. Leuk, voor wie niet veel meer verwacht.’ – Bo van Houwelingen in de Volkskrant.

Het begin van het voorjaar pendelt op ongestadige wijze heen en weer tussen verhalen, tussen personages, tussen heden en verleden, tussen leven en herinnering. Even denk je dat de meanderende structuur van de roman een weerspiegeling is van Hollenbachs filosofie van de discontinuïteit. Maar daarvoor zijn de verhalen, gesprekken en monologen die Pron aan elkaar rijgt te spannend en te veel op elkaar betrokken. Bovendien werkt de roman naar de grote vraag toe: is Duitsland door een collectieve schuld op zich te nemen de individuele schuldvraag uit de weg gegaan?
Bron geeft geen eenduidig antwoord op deze vraag. Wel voegt hij een extra dimensie toe door tegen het einde bijna ongemerkt zijn vaderland Argentinië te betrekken in zijn intrigerende, razend knappe verhaal over de verstandhouding tussen heden en schuldig verleden in Duitsland. Het begin van het voorjaar is zo’n roman die je onmiddellijk wilt herlezen, in de wetenschap dat je hem ook daarna nog lang niet uit hebt.’ – Maarten Steenmeijer in de Volkskrant.

‘Uitgever George Coppens van de in 2015 ter ziele gegane uitgeverij Coppens en Frenks kon het niet laten. Onder de naam De Laatste Snik is er toch nog een boek uitgekomen dat onmiskenbaar de stijl van deze eigenzinnige uitgever uitstraalt. Een gebonden boek met een donker omslag waarop een volslagen onbekende, welluidende Franse schrijversnaam prijkt. De inhoud is een korte maar huiveringwekkende dystopische roman uit 1950.’ – Wineke de Boer in de Volkskrant.

Halleluja zit vol met dit soort onverwachte en toch perfect getimede tragikomische momenten, die eigenlijk niet los te citeren zijn zonder dat ze aan kracht inboeten. De omschrijving “tragikomisch” doet ze evenmin recht; die suggereert een genre, een techniek, maar wát Verbeke precies doet, is moeilijk te ontrafelen. De verhalen zijn beladen met grote, wanhopige gevoelens waarna er momenten van comic relief volgen, maar de grapjes lijken per ongeluk, vanzelfsprekend. Verbeke schrijft, zo lijkt het, zonder vooropgezet “gevoelsschema”, ze schrijft niet naar de grap, de verwondering of de ontroering. De personages zijn gewoon ontzettend écht.
[…] Hoe uiteenlopend de verhalen ook zijn, ze gaan alle over opnieuw willen of moeten beginnen, over het verlangen naar catharsis. De verlossing blijft meestal uit, soms verschijnt hij in een onverwachte gedaante. Wie de bundel heeft gelezen begrijpt dat verlangen naar opnieuw willen beginnen. Bij bladzijde één.’ – Persis Bekkering in de Volkskrant.