BOEKEN IN DE MEDIA

‘Een boek van ruim driehonderd pagina’s over een schaapherder, blijft dat boeien? Het antwoord is ronduit ‘ja’. James Rebanks is een geweldige verteller met een scherpe opmerkingsgave en een rijke woordenschat.’ – Co Welgraven in Trouw.

‘Het resultaat is een ontroerend, tot nadenken stemmend boek; een sensitieve, zoekende studie die misschien geen eenvoudig antwoord geeft op hoe eenzaamheid ‘verrijkt’, maar die zeker indruk maakt in de verbintenissen die de schrijfster weet te leggen.
[…] De werkwijze van Laing is misschien meer literair dan kunsthistorisch verantwoord, maar met haar associatieve geest en mooie pen weet ze prachtig de kern van ons mens-zijn te raken.’ – Jann Ruyters in Trouw.

‘Hoewel Pijn oppervlakkig gezien vooral een verhaal is over ontwikkeling, familie en aanvaarding van dat wat eigen is, valt het nauwelijks los te zien van het verhaal van het hedendaagse Israël met zijn kolkende, stomende samenleving vol energie, pijn en twijfel. Hoe dan ook zijn het vooral de precisie van Shalevs taal en de complexe emoties, die origineel worden ontleed, die deze roman overtuigend maken.’ – Jessica Durlacher in de Volkskrant.

‘Pamuk heeft als romancier altijd een kroniekschrijver van de Turkse geschiedenis willen zijn. Of misschien beter: een vorser naar de wortels van de Turkse moderniteit, of die nu een half millennium geleden (in Ik heet karmozijn) of in de recentste decennia moet worden gezocht. Dat vreemde in mijn hoofd is in dat opzicht misschien wel zijn meest ambitieuze roman tot nu toe.’ – Ger Groot in NRC Handelsblad.

‘Kazantzakis bewees met zijn roman Leven en wandel van Zorbás de Griek, waarin hij een eenvoudige levensgenieter tegenover een tobberige intellectueel zet, al een meester te zijn in het uitwerken van contrasten. In Christus wordt weer gekruisigd vervlecht hij de tegenstelling tussen ‘hoog en laag’ ingenieus door het hele boek.
[…] In alle facetten openbaart de schrijver zo een filosofie die het weelderige verhaal over de kracht van nederigheid overstijgt. Alleen door alles op te geven kan het hoogste bereikt worden. Herder Manoliós is bereid te sterven voor zijn volk. Hij begrijpt: alleen door gekruisigd te worden kan men weer opstaan. Het spel is gespeeld en de verliezer heeft gewonnen.’ – Bo van Houwelingen in de Volkskant.

‘Wesselings nieuwste wisselt alledaagsheden af met een volstrekt surreëel, zelfs wat luguber droomgedicht waarin de dichter, onnadenkend krabbend aan zijn hoofd, ineens het hele schedeldak eraf gepulkt heeft. Je zou het als een knipoog naar de discussie over de vrije wil kunnen zien. “Voor ik het wist had ik mijn weke delen volledig / gehesen en hield ze in mijn handen. Boven in mijn gekartelde hoofd tochtte het”.
En ook vanwege die onverwachte wegen die Wesselings regels kunnen inslaan, is dit poëzie.’ – Janita Monna in Trouw.

Het jaar van de gelukszoekers wijkt af van de gebruikelijke Brits-Indiase roman over migratie. Dat heeft te maken met het gebied waar mijn familie vandaan komt, de Punjab. Mensen die van daaruit vertrekken worden geen dokter, docent of computerdeskundige, maar moeten illegaal naar Europa in de hoop een baantje te kunnen vinden. De meeste Indiase schrijvers komen uit een omgeving van hogeropgeleiden, ik daarentegen kom uit een wereld waar het illegale vertrek de enige mogelijkheid is om aan een wanhopig bestaan te ontsnappen. Het is onwaarschijnlijk wat mensen bereid zijn te betalen voor zo’n overtocht, maar het is hun enige uitweg naar een ander leven. Dat zijn de verhalen die ik al vijftien jaar hoor.” – Sunjeev Sahota in gesprek met Toef Jager in NRC Handelsblad.

“De terreurbestrijders die ik heb gesproken, zeggen: dat gáán we doen, wacht maar af, we gaan onderhandelen met IS. Het antwoord is fundamenteel: het zwaard kan niet zonder de pen, want de pen is waar we voor staan. Hier in West-Europa hebben we, en dat is waar het om draait, een beter verhaal: democratie, het recht om het met elkaar oneens te zijn. Als we die schat overboord kieperen, hebben we niks meer te verdedigen. Zij zeggen dat ze een utopie nastreven. Hoe verwerpelijk het ook is, het is een ideaal. Wij hebben alleen iets veel beters. Ook op het terrein van het woord moeten we een strijd blijven voeren. Op dat vlak winnen we het duel glansrijk.” – Frank Westerman in gesprek met Sara Berkeljon in de Volkskrant.

“We hoeven niet één stompende vuist te zijn, maar we moeten één groot alles ontregelend leger worden dat het patriarchaat voorgoed bezet. Een leger dat zich hard maakt voor de rechten en lichamelijke integriteit van alle vrouwen, én dat een bepaald merk bier niet meer koopt. We moeten de helft van de ruimte opeisen en vullen. We hoeven het niet met elkaar eens te zijn over alles wat we veranderd willen zien, maar we moeten wel zorgen dat we elkaar niet vertrappen: witte vrouwen moeten luisteren naar de ervaringen van niet-witte vrouwen, en die niet-witte stemmen zo veel mogelijk versterken, zonder ze te overschreeuwen. We moeten zorgen dat kwesties en problemen van vrouwen – van alle achtergronden – ook de norm worden, dat het niet meer vrouwenkwesties zijn, maar mensenkwesties.” – Wiegertje Postma in NRC Handelsblad.

“Ik ben ongerust over het feit dat de gemiddelde beloning van een topman zeventien, achttien, twintig keer zo hoog is als van een medewerker. Elke keer dat weer een forse bonus betaald wordt, is dat een stimulans voor onlustgevoelens. Ik maak me ongerust over het feit dat er nu al niet genoeg banen zijn en dat met de voortschrijdende automatisering er steeds minder banen zullen komen voor de middenklasse. Ik maak me ongerust over de imbeciliteit van de politiek die niet in staat is te ageren tegen het inhoudsloze, demagogische programma van de PVV.” – Cor Boonstra in gesprek met Jan Tromp in de Volkskrant.

‘Een roman met een boodschap, denkt u nu, maar gelukkig is Jonathan Coe eerst en vooral een verhalenverteller, en wel een van de beste van het moment. Hij laat je van de ene verbazing in de andere vallen en geeft je vooral het gevoel dat achter al die grote politiek mensen zitten, mensen zoals Rachel en Alison, die elkaar uit het oog verliezen, elkaar soms niet meer willen zien, maar uiteindelijk toch ook heel erg veel van elkaar houden.’ – Marnix Verplancke in Trouw.

‘Arrogantie en vooroordelen, laat De Waal zien, hebben het onderzoek naar dieren lange tijd in de weg gezeten, en in die zin had het verhaal van Kafka over de aap die een mens wilde worden als motto voor zijn boek kunnen dienen: zoals Kafka’s aap naar de mens keek, zo keek mens lange tijd naar de aap.
Dankzij vele overtuigende voorbeelden, de toegankelijke taal en de grote liefde voor het dierenrijk die eruit spreekt, is Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? een groot pelzier om te lezen. En we worden er nog wijzer van ook. Het boek heeft alles in zich om een standaardwerk te worden.’ – Ranne Hovius in de Volkskrant.

“Van de zeventig voedingsmythes laat ik zien dat er geen wetenschappelijk bewijs voor is, of hoe zwak het is. Fructose giftig en verslavend? Onzin. Niet dik worden van vet en wel van koolhydraten? Onzin. […] Mijn advies (naast bewegen en niet roken): hou je ongeveer aan de Schijf van Vijf, maak jezelf niet wijs dat alcohol goed voor je is en negeer het meeste gezondheidsnieuws, want het is bijna altijd fout. Meestal is het geen kwaadaardigheid van de onderzoekers. Het is meer dat ze hun resultaten een beetje aandikken. Journalisten dikken het nog een beetje extra aan, en tijd om uit te zoeken of het klopt hebben ze niet.” – Martijn Katan in gesprek met Jannetje Koelewijn in NRC Handelsblad.

‘Uiteindelijk laat Dangre, Tolstoj indachtig, precies zien hoe zijn hoofdfiguren in hun ongeluk aan elkaar gebonden zijn. Daarbij hoort de overtuiging dat al het individuele ongeluk van de familieleden om een gezamenlijk oplossing vraagt. De roman is zo een liefdevolle evocatie van de onvrijheid én geborgenheid die het familieleven kennelijk is. Waarbij hij er overigens aan het slot geen misverstand over laat bestaan dat het ware geluk slechts is weggelegd voor degene die die zachte ketenen weet te verbreken.’ – Arjen Fortuin in NRC Handelsblad.

‘Haast even interessant als de dagboeken zelf zijn trouwens de dikke 1200 noten die dit boek zo’n beetje verdubbelen; bezorgers Annette Portegies en Ben Peperkamp hebben zich niet ingehouden, zelfs Freud, P.C. Hooft en Chagall worden aan de lezer verklaard, alsof ze veronderstellen dat toekomstige generaties die niet meer zullen kennen. Tussen de regels door laat zich een hele generatiegeschiedenis reconstrueren. Not to be missed.’ – Rob Schouten in Trouw.

‘Het publiek redeneert niet meer over cultuur, aldus Habermas, het consumeert cultuur. Het publieke gesprek zelf is business geworden. Het leespubliek van weleer is massapubliek, dat bediend wordt met sport, cartoons en human interest. Let wel, dit schreef hij niet over Jinek en DWDD of over de krant van vandaag, maar over de situatie in 1962. Hoe gedateerd zijn voorbeelden en zijn filosofisch jargon soms mogen zijn, de inzet van het boek blijft schrikbarend actueel.’ – Maarten Doorman in de Volkskrant.

‘Vorig jaar bracht Penguin The Pumpkin Eater (1962) van de Engelse Penelope Mortimer (1918 – 1999) uit als een Modern Classic, en onlangs is het als De pompoeneter in het Nederlands verschenen. Het was Mortimers meest succesvolle roman, die werd verfilmd naar een scenario van Harold Pinter, met Anne Bancroft en James Mason in de hoofdrollen. Mortimer kende een periode van roem. Toch raakten haar boeken in de vergetelheid en werden ze amper meer gelezen. Hopelijk komt daar nu verandering in.’ – Jannah Loontjes in de Volkskrant.

‘”Jij gáát naar het bal!”, zo luidt het (aan niemand toegeschreven) motto van het boek, een verwijzing naar Assepoester. Het dienstmeisje heeft haar prins al, verliest hem, maar krijgt iets groters terug: een leven als schrijver. Net als een sprookje gaat dit boek niet zozeer om het verhaal, maar om het vertellen zelf. En dat vertellen doet Swift wondermooi, in een taal die golft, muziek maakt, meedeint met zijn hoofdpersoon, op het ritme van die lome zondag, een taal vol bezwerende herhalingen die langzaam vol betekenis lopen. “Al die scènes. Al die scènes, in het echt en in boeken.” Wat een volmaakte vertelling.’ – Gerwin van der Werf in Trouw.

“Ik denk dat ik wel op een realistische manier schrijf over hoe mensen met elkaar omgaan en met elkaar praten, maar dat er daarom ook dingen moeten gebeuren die niet helemaal realistisch zijn. Vandaar dat er een cavia in voorkomt. Ik vond het toch fijn om er geen mens met cavia-achtige trekken van te maken, maar een echte cavia. Die cavia kwam in mijn hoofd en ging er niet meer uit. Ik moest erover schrijven. Het had geen hamster of konijn kunnen zijn. Dat passieve dat cavia in het boek heeft is wel een karaktereigenschap die ik cavia’s in het echte leven ook toedicht. Ik heb nooit cavia’s gehad, maar dat schichtige en dat hoge piepen maakt ze toch tot een heel ander type dan een konijn. Als een konijn zou moeten functioneren in de mensenwereld denk ik dat hij veel botter zou zijn en meer zijn eigen gang zou gaan. Niet zo bezig met wat anderen van hem vinden. Zou ik zeggen. Dat is mijn gevoel.” – Paulien Cornelisse in gesprek met Katja de Bruin in de VPRO-gids.

“Het is een emotionele behoefte om zoveel te schrijven. Een boek schrijven is voor mij de manier om een onderwerp diepgaand en gedurende een lange periode te onderzoeken. En ik ben nooit gelukkiger dan wanneer ik een bepaald onderwerp van alle kanten bestudeer. Dan voel ik me kalmer, veiliger; dat is geluk voor mij. Schrijven helpt me greep op dingen te krijgen. Misschien ben ik een beetje raar. Ik merk dat ik zenuwachtig word als ik een paar dagen niet schrijf. Dan wil ik alleen zijn en iets gaan doordenken. In mijn computer zit een lijst die future books heet: ik moet 150 worden om ze allemaal te kunnen maken.” – Alain de Botton in gesprek met Wilma de Rek in de Volkskrant.

‘Pieter Waterdrinker biedt met Poubelle ruim vijfhonderd pagina’s zwierig vertelplezier waarmee je je geen moment verveelt.’ – Sebastiaan Kort in NRC Handelsblad.

‘Vóór alles is de rivier de metafoor voor het schrijven van Martin Michael Driessen: snelstromend, onvoorspelbaar en bij vlagen beeldschoon.’ – Arjen Fortuin in NRC Handelsblad.

“Ik was erop gebrand om het niet nostalgisch te maken. Niet anekdotisch, dan wordt het koket. Ik ken genoeg mensen die nostalgisch terugkijken op de jaren tachtig, vooral op de muziek. Ik vind dat stilstand. Alsof je toen méér leefde. Alsof je nu een soort postuum leven leidt. Nostalgie vertekent: we plaatsen ons huidige ik in die tijd en vergeten wie we werkelijk waren.” – Rob van Essen in gesprek met Wilfried Takken in NRC Handelsblad.

‘De confronterende vraag is de titel van dit overrompelende boek dat de lezer niet in de koude kleren gaat zitten. Het is een buitengemeen naargeestige familiegeschiedenis tegen de achtergrond van de gruwelijke misdaden van de nazi’s, en de treurige decennia van het communistisch bewind die daarop in Oost-Europa volgden. Want daarover gaat dit boek óók.
[…] Dit boek is met enorme vaart geschreven. En ook met grote verbijstering en woede over zoveel slechtheid van de mensheid, over ‘het menselijke falen’ zoals de schrijver het noemt, dat overal zichtbaar is, en zeker in zijn familie.’ – Co Welgraven in Trouw.

‘In de zes verhalen van deze bundel boort Adam Johnson diep in de ziel van getraumatiseerde, in hun bestaan opgesloten personages. Net als in Gestolen levens maakt hij hun werkelijkheid, hoe ver ook verwijderd van die van de lezer, glashelder, begrijpbaar, voelbaar. En dat zegt iets, wanneer je weet dat zich onder de personages onder anderen een oud-gevangenisdirecteur uit de DDR, een pedofiel, een tweetal doodzieke, mogelijk stervende vrouwen en een gedeserteerde Noord-Koreaan bevinden. […] Met vier uitstekende en twee briljante verhalen lijkt Adam Johnson nu al de beste verhalenbundel van het jaar te hebben geschreven.’ – Hans Bouman in de Volkskrant.