BOEKEN IN DE MEDIA

‘De Britse historicus Catherine Merridale reconstrueert op originele wijze die reis van Lenin op weg naar de revolutie, zowel in letterlijke als in figuurlijke in. We lezen een minutieus reisverslag van de toekomstige leider per trein, een geschiedenis van “gelijktijdigheid” in de diverse Europese landen die in de Eerste Wereldoorlog verwikkeld waren en een ontluisterend beeld van diplomaten en spionnen die hun eigenbelang nastreefden. Tel daarbij op dat Merridale een rasverteller is met oog voor bizarre details en je krijgt een prachtig boek als Lenin in de trein.’ – Hans Renders in Het Parool.

‘Zoals al opgemerkt bij Herfst, zouden veel van de passages in Winter zo in zijn zesdelige epos Mijn strijd hebben gepast. Mooie, kleine bespiegelingen schrijft hij, over zijn verjaardag bijvoorbeeld, wanneer hij beseft dat het leven eindig is.
Maar er is nog een verschil, en het was mooi dat te ontdekken. In het stuk “Wattenstaafjes” ontpopt Knausgård zich tot een eersteklas ouwehoer, en zo hadden we hem nog niet meegemaakt. Zijn – voor sommigen – oeverloze gebabbel over zijn eigen leven had altijd iets verhevens; alsof het in een groot plan besloten lag.
In “Wattenstaafjes” – inderdaad, over zoiets simpels als een wattenstaafje – laat hij zich eens goed gaan en leeft hij zich uit in een soort ode aan het wattenstaafje. Hij Toon Hermanst het wattenstaafje. Het wattenstaafje wordt iets absurds – terwijl het gewoon een ding is om je oren mee te reinigen. “Hoewel wattenstaafjes in vrijwel elk huis te vinden zijn, zijn ze niet vaak onderwerp van gesprek.”
Dus hebben we Karl Ove Knausgård om het wattenstaafje onder de aandacht van de mensen te brengen. Het is een prachtig hoofdstuk waarmee Knausgård zijn toch al niet geringe vakmanschap heeft verdiept.” – Maarten Moll in Het Parool.

Een Mann is een raamvertelling. We zien die familietaferelen door de ogen van Klaus, als hij na Parijs in de rust van een klooster in Heidelberg een brief schrijft aan zijn vader. Klaus wil antwoord op de vraag waarom Thomas hem nu anders behandelt dan toen hij klein was en hem op afstand houdt.
Die brief dijt lekker uit, gelukkig maar want zo krijgen we een prachtig tijdsbeeld van het artistieke milieu rond de familie Mann in het Duitsland tussen de twee wereldoorlogen. Rindert Kromhout zet de decors soms iets te opzichtig neer: een “kleine man met een dunne snor en een donkere lok vettig haar” staat uitgerekend in een Bierkeller te brallen als Klaus en Monika daar zitten, maar het is hem vergeven. Een Mann is een meesterlijk boek, waarin een tovenaar uiteindelijk ook maar een mens blijkt te zijn.’ – Hans Smit in Het Parool.

‘Bernard Malamud (1914-1986) hoort bij de grootste vertellers uit de Amerikaanse literatuur. Toen ik De fikser herlas, speet het me dat ik dat al niet met ander werk van hem had gedaan. Dee roman las ik misschien dertig jaar geleden en sommige zinnen herinner ik me bijna letterlijk, bijvoorbeeld: “Het blinken en het levendig gedoe van de zomer waren voorbij. In de paas verte lag de steppe zwaarmoedig en eindeloos.”
[…]Wat ik al zei, Malamud is een groot schrijver, je wilt geen woord missen. Zijn stijl houdt je vol mededogen betrokken bij het vreselijke lot van deze Joodse man.’ – Thomas Verbogt in Het Parool.

‘Je ontdekt geleidelijk aan in dit boek het systeem van Schippers. Misschien kun je beter zeggen dat Schippers het systeem van de wereld probeert te ontdekken. Hij verbindt dingen, kijkt naar voorwerpen, foto’s, mensen en kunstwerken, maar ook, noodgedwongen bijna, naar de ruimte die al deze zaken en mensen van elkaar scheidt en die hem op zijn beurt van die zaken en mensen scheidt.
[…]Tot in de verste hoeken is inderdaad een biografie van de blik, van het kijken – maar vooral ook is het een boek over wat allemaal overwonnen moet worden voordat je kunt kijken. Het is een dwars boek en dit is nu eens echt verontrustend proza. Niet omdat er duidelijk in naar de wereldpolitiek wordt verwezen, maar de wereld zélf wordt er wel goed door in beeld gebracht.’ – Arie Storm in Het Parool.

‘Als De eeuw van de macht, de grote, duizelingwekkende geschiedenis van Europa in de eeuw tussen de Slag bij Waterloo en het begin van de Eerste Wereldoorlog van de Britse historicus Richard J. Evans iets laat zien, is dat de negentiende eeuw minder ver van onze eigen tijd afstaat dan we geneigd zijn te denken.
[…] De geschiedenis van Evans is waarlijk Europees; hij beschikt bovendien over een fenomenale beheersing van zijn materiaal. Alles en iedereen komt aan bod, de politieke en sociale geschiedenissen van de afzonderlijke Europese mogendheden worden soepel met elkaar vervlochten.’ – Bas Heijne in NRC Handelsblad.

‘Anders dan in De vlucht heeft Carrasco zijn personages nu namen gegeven en gesitueerd op concrete locaties. Dat maakt het verhaal minder mythisch en, verteld vanuit het ik-personage van Eva Holman, veel psychologischer. Maar de morele inhoud wijst in dezelfde richting. Hoe kan in een genadeloze wereld een kiem van humaniteit en fatsoen ontstaan?
Carrasco beantwoordt die vraag niet. Hij peilt in zijn vertellingen de menselijke ziel, die in het ik-personage van Holman dieper steekt dan bij de oerfiguren van De vlucht. De woeste kracht van zijn debuut evenaart hij niet, maar met deze roman bewijst hij glansrijk zijn schrijverschap.’ – Ger Groot in NRC Handelsblad.

‘”Als er een paard op de cover staat, is het een goed boek”, zei Jan van Mersbergen eens in de Volkskrant, over de revival van de western. Op de cover van zijn nieuwe roman, De ruiter, staan twee paarden. En het is een goed boek. Een western bovendien, met een spannende, met kogels doorzeefde ontknoping, maar dan verplaatst naar de polder; heroïek is vervangen door tederheid.’ – Persis Bekkering in de Volkskrant.

‘De geschiedenis van autisme staat bol van ruzies en controverses, laten Zucker en Donvan zien. […] Autisme is in de eerste plaats een biografie van het verschijnsel met die naam. Zucker en Donvan zijn Amerikanen, de nadruk ligt daardoor sterk op hun ogen lang en Groot-Brittannië. Ze zijn niet zuinig met details: hun boek weegt 1,2 kilo en telt 720 pagina’s.
[…] Autisme is een optimistisch boek: het ziet met de bekendheid van de aandoening ook de tolerantie groeien.’ – Bart Braun in Trouw.

‘Deze auteur werkt al jaren enigszins in de schaduw van de damesthrillerschrijfsters die de verkoop domineren en door boekhandels en uitgevers vaak worden uitgeroepen tot ‘thrillerkoningin’ van Nederland. Maar als er iemand kan schrijven en ook nog eens inhoudt biedt, is het Dijkzeul. […] Deze Dijkzeul is een ‘standalone’, een eenmalig verhaal zoals ook haar Nederlandse collega’s vaak bieden.
Dijkzeul weet het verhaal klein te houden en daarmee de impliciete dreiging juist levensgroot te houden.
[…] De lezer zal hier beslist niet teleurgesteld worden, de slotscène is er zo eentje waar Dijkzeul zelf waarschijnlijk ook een hoop plezier aan heeft beleefd. Pret die overslaat op de lezer. Het is nog maar de vraag of een ‘koningin der thrillers’ voor Nederland gewenst is, maar als de titel beschikbaar komt, is Dijkzeul de beste kandidaat.’ – Edwin Kreulen in Trouw.

‘Hoe vaker je de ritmische tekst leest (of ernaar luistert op de bijbehorende cd, waarop het verhaal ondersteund door muziek wordt voorgedragen), hoe meer je ontdekt dat die vernuftig in elkaar zit. Westera’s regels barsten van alliteratie, vindingrijk rijm, geestige woordspelingen en vaak humoristische symboliek.
[…] Niet voor iedereen, dit boek, maar zeker genietbaar voor liefhebbers van sprankelend taalspel en ongewone sprookjes.’ – Bas Maliepaard in Trouw.

‘Zo groeit Paardenkracht uit tot typisch zo’n roman over het conflict tussen het oude en het nieuwe, tussen stad en platteland, en tussen ambacht en wegwerpmaatschappij. Toch vervalt deze roman niet in het clichématige dat dergelijke intriges vaak kenmerkt. Want Myttings invalshoek is echt origineel. Zelfs wie niets met auto’s heeft, wordt gegrepen door de obsessies van deze dorpsgaragist, die de pure poëzie van auto’s begrijpt en vertolkt. Alleen al het vermogen om een verhaal op te hangen aan zoiets technisch als auto’s en een benzinestation is een hele prestatie.’ – Sofie Messeman in Trouw.

Het valse seizoen is een rijke klassieke roman, die aan grootmeesters als Thomas Mann en Simon Vestdijk doet denken, ver van alle populistische behaagzucht. Geen Music for the Millions, maar misschien wel voor een uitgelezen schare.’ – Rob Schouten in Trouw.

‘De implicatie is duidelijk: de ervaring van een voltooid leven is niet alleen een individueel probleem, maar ook een maatschappelijk. Met haar zorgvuldige analyse van de beweegredenen van de mensen die zij interviewde, weet Van Wijngaarden de lezer voor een al te zwart-wit oordeel te behoeden.’ – Ranne Hovius in de Volkskrant.

“Het is moeilijk om Twitter en Facebook niet te gebruiken. Het werkt verslavend, het is uitnodigend omdat het gebaseerd is op uitsluiting: wie niet meedoet, hoort er niet bij. En ja, mensen nemen het veel te serieus. Het is hun blik op de wereld geworden, terwijl de standaard-Twitterconversatie er een is van verontwaardige 15-jarigen. Er is nauwelijks zinnige interactie meer. Mensen hebben zich teruggetrokken in hun eigen gelijke en schreeuwen alleen nog maar naar elkaar. Zoals 15-jarigen dat doen op het schoolplein. Het geeft de illusie van toegang tot de wereld, maar in werkelijkheid is het eerder toegang tot de leegte.” – Jarett Kobek in gesprek met Huib Modderkolk in de Volkskrant.

“Ergens halverwege Nitro Mountain, de debuutroman van Lee Clay Johnson (1984), lijkt de tijd even te worden stilgezet. Een pauze in de narratieve wervelstorm waarin een verteller peinzend naar een ronddwarrelend boomblaadje kijkt. “Maar hoe langer ik ernaar staarde, des te meer ging het lijken op een gaatje, een kleine steekwond in de hemel. Stel dat er een hele wereld lag achter de oppervlakte van deze? Een donkerder oord, opgebouwd uit alle dingen die wij verbergen?”
Het is een moment van verstilling, zoals die plastic-zakje-scène in de film Americain Beauty, vermengd met de ruwhouten poëzie van een countryliedje.
[…Nitro Mountain is] als een murder ballad in proza, met de laconieke gewelddadigheid van Johnny Cash (I shot a man in Reno…) en het sinister verleidelijke van The Carter Family. En veel duisterder dan het leven dat Johnson beschrijft in het voormalige mijnwerkersstadje Borbon, in de bergen van Virginia, kan die wereld achter de steekwond in de hemel onmogelijk zijn.
[…]Maar Johnsons kracht schuilt vooral in de sfeer- en karakterschetsen waarmee hij zijn personages en hun armoedige, verslagen omgeving tot leven wekt. Vol inktzwarte galgenhumor, perfecte dialogen en soms ineens een vleugje beeldende lyriek die die wereld bijna doet schitteren, zelfs al bieden drank, drugs en keiharde countrymuziek er de enige hoop op (schijn)verlossing.’ – Dirk-Jan Arensman inHet Parool.

‘Op pagina vijftien van De afwezigen, het debuut van Lieke Kézér, drinkt een van de hoofdpersonen drie espresso’s. “Dat zwarte vergif had op dat moment onontkoombaar geleken en het had hem inderdaad een wat hartfladerrende energie gegeven, maar nu was hij er toch maar mooi klaar mee.” Hartfladderende – dan is ook de lezer meteen wakker: Kézér (1976) is in elk geval een debutante met gevoel voor woorden.
[…]Het vele gemis in de levens van de personages, maakt wel dat De afwezigen topzwaar is waar het gaat om heftige gebeurtenissen en kolossale, zij het eenvoudige emoties. Dat maakt dat de beheersing van Kézér soms dreigt te ontaarden in effectbejag, ook al omdat de personages aan de vlakke kant zijn. Daartegenover staat dat Kézér wel degelijk in staat is iemand in één korte zin te tekenen. Neem deze: “Hij had nog nooit iemand recht aangekeken.”‘ – Arjen Fortuin in NRC Handelsblad.

‘Haar compacte romans worden gekenmerkt door een laconieke lichtheid, die je zomaar met luchtigheid zou kunnen verwarren als je geen oog hebt voor de samengebalde energie die tussen de regels schuilgaat.
Fitzgeralds personages zijn doorgaans in het bezit van een redelijk goed hart en worstelen zich monter door de tegenslagen van het leven, en hun wederwaardigheden worden beschreven met een onsentimentele, soms zelfs sardonische compassie. Fitzgerald houdt haar scènes kort, ze melkt ze niet uit, ze kauwt ze niet voor, en daardoor blijft haar proza fris en vers.
[…]Uitgeverij Karmijn verdient alle lof voor het feit dat ze nu al drie romans van Fitzgerald uitbracht.’ – Rob van Essen in NRC Handelsblad.

In deze vroege roman […] is Lobo Antunes meer dan op klank op beeld gericht. De overweldigende rijkdom aan metaforen, vergelijkingen en suggestieve beschrijvingen doet soms naar adem happen. Vanaf de tram die “met zijn vermoeide kalkoenheupen over het asfalt schommelt” tot de bar “waar je de slangenhuid van valse vrolijkheid over een kruk hebt laten hangen”; het lezend oog krijgt er als kijken oog maar niet genoeg van.
Wat een feest van een tekst moet dit voor de vertaler [Harrie Lemmens] geweest zijn! En wat een feest is het Lobo Antunes’ duizelingwekkende kleuren, vormen en beeldassociaties in het Nederlands te zien schitteren en sprankelen! Nee, vrolijker wordt het er bij deze auteur allemaal niet op. Maar van zoveel melancholie zo’n verrukkelijk kijkspel maken: dat is het zegel van de literatuur.’ – Ger Groot in NRC Handelsblad.

‘Trefzeker en beeldend beschrijft Panhuysen beurtelings de verwikkelingen aan het stadhouderlijke, Engelse en Franse hof, en de vele oorlogen die er her en der in Europa gevoerd werden – van de modderige vlaktes van Vlaanderen tot het Duitse Rijnland en de belegering van Wenen door de Ottomaanse legerscharen. Met gevoel voor detail laat hij zien hoe oorlog over het continent spoelde, en wat dit voor de bevolking betekend moet hebben.’ – Rob Hartmans in NRC Handelsblad.

‘De gekozen opzet van het boek loopt niet altijd even soepel, en stilistische permitteert De Beer zich soms een sleetse frivoliteit […]. Maar bewonderenswaardig is de manier waarop facetten van Audi’s persoonlijkheid en creativiteit worden benoemd en achterhaald, waardoor je de status quo van De Nederlandse Opera met frisse blik beziet.
Is het voor een artistiek bedrijf goed als een directeur dertig jaar aanblijft én veel afwezig is? Dat blijft een relevante vraag. Maar Audi’s koers was trendsettend, en ís nog steeds heel bijzonder.’ – Mischa Spel in NRC Handelsblad.

‘[…] een absolute aanrader voor mensen die net een groot verlies achter de rug hebben en opnieuw moeten beginnen met hun leven. Juist omdat Cusk haarscherp weet te verwoorden hoe het is als de fundamenten onder je weggeslagen zijn. Je blijft maar zinnen onderstrepen en uitroeptekens in de kantlijn plaatsen.[…]
Rachel Cusk en een van de interessantste hedendaagse schrijfsters, die de perfectie genaderd is in het inzichtelijk maken van het menselijke drama.’ – Elke Geurts in Trouw.

De dag dat de gieren buigen is het zoveelste onorthodoxe boek van Dautzenberg, maar langzamerhand krijg je toch het idee van een heuse missie: als niemand anders het doet zal ik die opgeblazen, suggestieve Nederlandse literatuur eens een rotschop verkopen! Ik denk niet dat andere schrijvers er hevig van zullen schrikken, maar dat Dautzenberg inmiddels de noodzakelijke nar van ons letterkundig bestel is geworden, wordt met De dag dat de gieren buigen nog eens bevestigd.’ – Rob Schouten in Trouw.

‘[…] Petroesjevskaja’s horrorstory’s zijn beklemmend en griezelig, aan zombies geen gebrek. De meeste spelen zich af in een een post-apocalyptische wereld, die Ruslandgangers zullen herkennen als de late jaren tachtig en begin jaren negentig. Ze zitten vol welgekozen, gruwelijke details en zijn ongelofelijk bondig geschreven. De personages zijn nauwelijks geïntroduceerd of ze hangen al aan een touw. Dat is niet alleen effectbejag. Petroesjevskaja gebruikt de clichés van de horror om de werkelijkheid van die dagen pregnant tot leven te brengen: de sociale terreur in de communale woningen, het sadisme tijdens de dienstplicht, de nooit aflatende angst voor honger op het platteland.
[…] De originaliteit van deze bundel is groter dan zijn diepgang, maar indrukwekkend is hij wel, en niet voor tere zielen.’ – Sjeng Scheijen in  de Volkskrant.

‘Naast een autobiografische schets is dit vooral een schrijfgids, zij het een “atypische”, zoals de ondertitel al aangeeft.
Dat atypische zit hem met name in de opzet. Bij de meeste schrijfgidsen is die keurig gestructureerd, maar Pierre kiest voor een meer intuïtieve aanpak. En omdat hij zijn imago van the bad boy of literature niet wil besmeuren met de onuitstaanbare keurigheid van de schrijfdocent, levert hij ook eigenzinnige beschouwingen, bijvoorbeeld over welke drugs het best werken bij het schrijven (tip: wiet).
Als het om pure schrijftips gaat, grijpt Pierre terug op de aloude klassiekers als “schrijven is schrappen”, “waar gebeurd is geen excuus”, “show, don’t tell” en “een goede dialoog is een gestileerde versie van hoe mensen echt praten”. Pierre is conventioneler dan hij ons wil doen geloven, maar bij vlagen toont hij zijn grote talent: “Symbolen: de handschoenen die we gebruiken om spinnen te aaien.”‘ – Hans Bouman in de Volkskrant.

‘Even geestig als op z’n Grieks tragisch is het verhaal zeker. Potterfans zullen tevreden wegzinken in herinneringen: de treinreis naar Zweinstein, het eten van bedenkelijk snoepgoed onderweg en tussen alle gezelligheid door direct de grimmige sfeer: het is er allemaal weer.’ – Pjotr van Lenteren in de Volkskrant.

‘De Joden moesten in de Tweede Wereldoorlog niet alleen hun eigen ondergang financieren; in het doorgangskamp Westerbrok moesten ze bovendien zélf de orde bewaren. Dat was het werk van de Joodse Ordedienst (OD), eerst bestaande uit vooral Duitse en later uit merendeels Nederlandse Joden. […]
Frank van Riet, politieagent én historicus, heeft zich jarenlang beziggehouden met de ordebewaking in die bizarre stad op de Drentse hei, 500 bij 500 meter, waar soms wel vijftienduizend mensen korte tijd woonden, tot ze werden afgevoerd naar vernietigingskampen.
[…] Van Riet is opvallend mild voor de mannen van de Ordedienst. Hij wijst de benaming ‘Joodse SS’ van de hand.’ – Ad van Liempt in de Volkskrant.

“Veel van wat Boudewijn Büch heeft verzonnen, ook over zijn eigen biografie, wortelt altijd ergens in de werkelijkheid. Hij plukte het nooit helemaal uit de lucht. Maar hij heeft de feiten zo uitvergroot, al vanaf zijn tienerjaren, dat hij een doorsnee leven omtoverde in een tragisch kunstenaarschap: de dichter-schrijver wiens vader zelfmoord had gepleegd, die joods was, die een kind had gehad dat in 1976 op zijn vijfde was gestorven aan een hersentumor, die pedofiel was, in zijn jeugd in een inrichting zou hebben gezeten, en later in een linkse commune, die twee universitaire titels had en na de aanstaande voltooiing van zijn proefschrift – over drugsgebruik onder schrijvers – in Utrecht tot hoogleraar zou worden benoemd, en die op latere leeftijd een geheimzinnige keelkanker kreeg.” – Eva Rovers in gesprek met Arjan Peters in de Volkskrant.

“Ik heb wekenlang geleefd als een ambtenaar. ‘s Morgens ging ik met de trein vanuit Leiden naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Daar had ik een werkkamer tot mij beschikking. Elke dag werden er karren met boeken naar binnen gereden. Ik heb, schat ik, tienduizend bundels in handen gehad, een half miljoen gedichten gezien. Maar de bagage die ik had door dertig jaar poëzie te lezen, is essentieel gebleken. Je moet weten waar je naar zoekt. Anders is het onmogelijk. Het is voor mij een geweldig avontuur geweest.” – Ilja Leonard Pfeijffer in gesprek met Rob Gollin in de Volkskrant.

‘Het “alles” uit de titel is wat overdreven, maar véél is het zeker waarover ontwerper James Brown en schrijver Richard Platt het hebben in hun nieuwe boek, Over alles. […] spread na spread zien we een staalkaart van kennis, conventies en menselijk vernuft. Zoveel zelfs dat het een beetje de vraag is of Over alles wel een kinderboek is, zoals de Nederlandse uitgever het positioneert. Daarvoor zijn de (dertig) onderwerpen vaak wel erg abstract of wetenschappelijk en de teksten van Platt ook wel erg compact en zakelijk.
Het beeld maakt echter alles goed. Graficus James Brown […] heeft voor Over alles de perfecte houtsnedestijl gevonden. Dat geeft het boek meteen het klassieke gevoel van een prentenboek dat je hele jeugd bij je ouders in de kast stond en dat je als kind nu en dan doorkeek, geprikkeld door de onwaarschijnlijke veelheid aan onderwerpen en variatie in uitvoeringen en onderdelen. – Martijn van Calmthout in de Volkskrant.

‘Kat is een vrouw die weet hoe hazen lopen. Misschien wel te goed – en dat maakt haar een sterk personage. Want een ding wordt duidelijk in deze roman vol schijnbewegingen: hoe er uiteindelijk uit een enkel mensenleven (“dagen waarin ik handelde en wachtte, zweeg en sprak, werkte en sliep, liefhad en treurde”, volgens Donker) een hele reeks coherente verhalen te destilleren is. Vervolgens kan men kiezen wat te geloven. Dat is de “biografische” moraal van het verhaal. Uiteindelijk staat die in de schaduw van het menselijke verhaal. Want met al die mogelijke verhalen op een rij is het vooral van belang of er een levensverhaal bij zit waar je zelf in kunt geloven. En of je “aan het eind van de dag” met dat verhaal kunt leven. En sterven.’ – Arjen Fortuin in NRC Handelsblad.

‘Ollikainen schrijft erg beeldend over honger. “Honger is het kattenjong dat in een zak werd gestopt en in een wak werd verdronken. Het krabt met zijn kleine nageltjes en dat veroorzaakt een snijdende pijn; dan krabt het opnieuw en nog een keer.” Onophoudelijk pent de schrijver de hallucinaties neer waaraan zijn personages lijden als gevolg van de honger.
[…] Het echte talent van de schrijver zit in de schets wat honger met mensen doet, hartverscheurende, maar tegelijk ingehouden scènes: de kou bevriest elke emotie, de honger doet de rest.’ – Sofie Messeman in Trouw.

‘Haar sympathieke debuut Koken voor de keizer deed in de verte al denken aan Koning van Katoren van Jan Terlouw, maar met haar tweede boek zet Marloes Morshuis zichzelf nog nadrukkelijker in de traditie van de oud-politicus. Borealis is, net als Terlouws boeken, een avontuur rond een politiek-maatschappelijk thema, in dit geval de klimaatverandering.
[…]Het is een minder sprookjesachtig verhaal dan Morsuis’ debuut, maar schurkt dit keer eerder aan tegen de dystopische romans die de laatste jaren veel voor jongeren verschijnen.’ – Bas Maliepaard in Trouw.