Week van het korte verhaal

logo wvhkvVan 14 t/m 21 februari 2019 is de achtste editie van de Week van het Korte Verhaal. Ruim veertig boekhandels, verspreid over heel Nederland en België, spannen zich deze week extra in om het genre de aandacht te geven die het verdient.
De Week van het Korte Verhaal begon klein, maar vindt steeds meer weerklank bij boekverkopers, pers, uitgevers en vooral: bij lezers.
Klik voor meer informatie op de website van de Week van het Korte Verhaal. Lees meer

Gesprek en debat over brandende thema’s

Vrijdag 15 februari in Theater Oostblok: HARDCOVER L. met Babah Tarawally
Babah Tarawally  zwart wit denken voorbij
Locatie: Theater Oostblok, Sajetplein 39, 1091 DB Amsterdam. Aanvang 20.00 uur. Kaarten bestellen via de website van Theater Oostblok. Deze avond wordt georganiseerd door Theater Oostblok en Linnaeus Boekhandel.
HARDCOVER L. is het nieuwe boekenprogramma van Theater Oostblok en Linnaeus Boekhandel. Naar aanleiding van nieuwe publicaties van non-fictie boeken gaan we in gesprek met hedendaagse schrijvers en in debat met het publiek over brandende thema’s. Deze avond is de eerste editie in een reeks van zes avonden.
Lees meer

BOEKEN IN DE MEDIA

‘In haar eerdere romans als Wij en ik viel De Coster al op door haar uitbundige, soms mateloze stijl en de absurdistische verwikkelingen die even komisch zijn als dat ze schrijnen. Maar gelijk valt op dat De Coster dit keer net iets meer ingehouden schrijft, met de riem één gaatje strakker. Precies genoeg: Nachtouders heeft meer vaart en de personages voelen menselijker dan in haar eerdere werk, maar haar humor en lyrisch vuur zijn gebleven. Dit is dan ook haar meest aangrijpende roman tot nu toe geworden. Koortsig vecht De Coster met haar demonen, om uiteindelijk als herboren eruit te komen. Een boek van epische proporties.’ – Persis Bekkering in de Volkskrant.

‘In zijn beste werk tot nu toe koppelt Bart Van Loo vertelkracht aan een gedegen historische analyse. Met De Bourgondiërs overstijgt hij het niveau van causeur en ontpopt hij zich tot de ideale geschiedenisleraar: iemand die je met behulp van fraaie verhalen wijzer maakt over het verleden, en daardoor over het heden.
[…] De Bourgondiërs is een rijk banket waarvan je blijft eten, omdat je aan alles merkt dat er een meesterkok aan het werk is geweest.’ – Bart Funnekotter in NRC Handelsblad.

‘Na de fijne kleine boekjes X & Y (2016) en Slapend rijk (2018) leeft Franca Treur zich andermaal uit in korte scènes over mensen die zich door het leven worstelen en nergens bij horen, ook niet bij elkaar, zelfs al zijn ze jaren getrouwd. In combinatie met de kleurenillustraties van Olivia Ettema, die is gespecialiseerd in beteuterde personages op eenzaamheid walmende locaties, levert dat een spotprentachtige indruk op. Dit keer springt Treur niet van het ene treurige stel naar het andere, maar maakt er een feuilleton van. Niet eng, wel om te lachen, op het tragische af.’ – Arjen Peters in de Volkskrant.

‘Een bundel vol met eigenzinnige gedichten. Ondanks de dood die door de gedichten waart, heeft Brassinga met haar scheppingsdrift een ongelooflijk vitale bundel geschreven. Om met de dichter te spreken: ‘Wat rest bij onze nederlaag zal het sublieme zijn.” – Dieuwertje Mertens in Het Parool.

‘Rijk, ja stampvol, aan klanken en beelden, maar toch hecht gestructureerd is deze vertelling. Heitman (1983) is hiermee een opvallende debutant, wier barokke, buitelende stijl vol binnenrijm (‘okselknoppen’, ‘forse kroppen’) nog het meest doet denken aan werk van Hafid Bouazza.’ – Judith Eiselin in NRC Handelsblad.

‘Madeline Miller schreef een feministische hervertelling van een oude mythe. Wie niet in de Griekse mythologie thuis is, kan deze roman zonder meer lezen, want veel voorkennis is niet noodzakelijk. Het boek is toegankelijk en als pageturner geshreven. Hier en daar is het dramatisch en grotesk, zoals mythen horen te zijn.’ – Hanna de Heus in Trouw.

‘En zo leren we Johan van Oldebarneveld laag voor laag kennen als behendig schakend politicus, zelfbewust tot hooghartig, eraan gewend alle touwtjes in handen te hebben. Praktisch, tuk op status en bezit. Tolerant in religieuze kwesties, desnoods met geweld. 99 procent onkreukbaar. Formeel, tikje autistisch, gigantisch geheugen. Een gelijkhebber, nogal bot en kil. Stijfhoofdig, ongeduldig en gauw kribbig: zelfs op het schavot foetert hij nog tegen zijn knecht ‘Maak het kort!’ Ernstig, rationeel en beheerst, een paar (noodlottige?) uitbarstingen daargelaten. Een denkend hoofd op krakkemikkige benen.
‘De Advocaat’ is kortom spekje naar Matsiers bekje: je kunt je zelfs afvragen waarom deze voormalige Revisor-redacteur zich niet al veel eerder heeft uitgeleefd op Oldenbarnevelts hoofd: Matsier kan er jaren van historisch onderzoek tot in de piepste, machtigste details in kwijt, evenals zijn ideeën over de werking van de menselijke geest en het geheugen – laat dat maar over aan de meester van ‘Gesloten huis’. Solide doortimmerd en verre van saai of onleesbaar opgeschreven: de speelse nonchalance waarmee woorden en uitdrukkingen met ‘hoofd’ en ‘kop’ erin opduiken, is genieten.’ – Marijke Laurense in Trouw.

‘Prideaux beschrijft liever dan dat ze interpreteert, maar dat eerste doet ze zo goed, dat haar biografie gaandeweg steeds meer diepte krijgt. Ze blijft resoluut aan de buitenkant van Nietzsches leven, en in de eerste hoofdstukken had ik daar nog moeite mee: ze heeft een scherp oog voor de absurde kanten van Nietzsches relatie met Wagner en diens Cosima, maar waar die onmiskenbaar intense vriendschap dan op was gebaseerd, blijft zo wel raadselachtig. Maar haar observaties zijn zo scherp (en ook erg gevat, ik moest tijdens het lezen vaak hardop lachen), dat haar Nietzsche wel degelijk navoelbaar wordt. Ze laat overtuigend zien dat zijn denken nauw verbonden is met zijn emotionele behoeften – steeds is er weer die menselijke driehoek, eerst zijn zus en zijn moeder, daarna Wagner en zijn vrouw Cosima, en dan Rée en Salomé. Daarna volgde de manmoedige, maar uiteindelijk ook onleefbare eenzaamheid.’ – Bas Heijne in NRC Handelsblad.

Het beste voor iedereen is een bijzonder mooi geschreven en ingenieus in elkaar gestoken roman die meer dan De psychiater en het meisje het genre overstijgt waarvan je zegt ‘leuk voor wie in psychiatrische problematiek is geïnteresseerd.’ – Ranne Hovius in de Volkskrant.

“Ik denk of plan niet veel van tevoren. De beste verhalen schrijf ik snel, als een soort explosie; meestal in een dag. Vaak begint het met iets dat me dwars zit: hoe iemand zich gedroeg, wat me kwaad maakte. Of hoe ik me gedroeg; als ik het gevoel heb dat ik egoïstisch of pesterig of manipulatief was, en dat knaagt aan me. Wat ervan overblijft in het verhaal is vaak niet de oorspronkelijke situatie, maar het oorspronkelijke gevoel, in het extreme doorgevoerd.” – Kristen Roupenian in gesprek met Anne van Driel in de Volkskrant.

Een bespreking van Je weet dat je dit wil leest u op oost-online.nl.

‘Stephen Fry constateert het allemaal blijmoedig en jongleert daarna vrolijk verder met al die gebeurtissen, mythen, quasi-geschiedenis. Hij heeft een enorme greep op de stof en lijkt zich werkelijk geheel thuis te voelen in de verschillende koninklijke dynastieën waarbinnen zich allerlei twisten en moordpartijen voordoen.’ – Marjoleine de Vos in NRC Handelsblad.

‘Beschouw het als een bladerboek, of als superieure wc-lectuur, en je beleeft er nog jaren plezier aan. Een onuitputtelijk compendium van cynisme, misantropie en andere vormen van somber stemmende mensenkennis, waarom je tóch schaterlacht. Een schatkamer vol aanstekelijke flauwiteiten, elegant verwoord pessimisme en heerlijk citeerbare galgenhumor.’ – Dirk-Jan Arensman in Het Parool.

“Een goed gedicht kost één dag. Ik begin om acht uur, nog zonder iets van de wereld gezien of gehoord te hebben, ik moet door niets afgeleid worden. In mijn pyjamaatje werk ik op de laptop aan het gedicht, en in de avond, na het koeien uitmesten of schaatsen en het douchen, kleed ik me aan, ben iemand anders geworden en ga mijn eigen gedicht redigeren. Hier of daar verander ik een woord. Maar ik hoef nooit een tweede versie te maken. Dit wil niet zeggen dat ik de 51 gedichten uit de bundel Fantoommerrie achter elkaar heb geschreven. Het zijn 51 dagen geweest, verspreid over drie jaar. En er sneuvelen er natuurlijk ook altijd een aantal.” – Marieke Lucas Rijneveld in gesprek met Arjan Peters in de Volkskrant.

‘Bovenal is Ze kwam uit Marioepol de intens verdrietige geschiedenis van een jonge vrouw die, in de woorden van haar dochter, terecht kwam ‘in de papierversnipperaar van twee dictaturen’. En het is het verhaal van twee generaties dochters wier levens werden getekend door de verdwijning van hun moeder. Een gruwelijk en prachtig boek.’ – Jolande Withuis in NRC Handelsblad.

‘Deze roman is spannend, schrijnend en ontroerend en wordt nergens prekerig over gun violence. Ze zijn alomtegenwoordig die wapens, dat wel, maar zelfs een enkele pamflettistische passage wordt literair.
Clement slaagt glansrijk in het geloofwaardig schrijven vanuit het perspectief van een puber. Hoe het is om in een auto te wonen? “Je bent altijd op zoek naar een douche.”’ – Gerwin van der Werf in Trouw.

‘Mexico-stad, begin jaren zeventig: Juan Guillermo zint op een manier om wraak te nemen op de moordenaar van zijn broer. Duizenden kilometers noordwaarts maakt een man jacht op een wolf. Langzaam kruipen beide verhaallijnen naar elkaar toe. Eenmaal vervlochten is er geen houden meer aan – het boek is ruim 800 bladzijden – maar Arriaga houdt met beheerste hand de boel bij elkaar. Zijn taal roept beelden op die zich met weerhaakjes in je hoofd vastzetten.’ – Ronnie Terpstra in de Volkskrant.

‘Uit de onlangs door Els Snick voorbeeldig vertaalde briefwisseling (verschenen als 300ste deel in de serie Privé-domein) blijkt hoe gecompliceerd de vriendschap tussen beide schrijvers was. Zo vraag je je tijdens het lezen van deze boeiende en tegelijkertijd wrange correspondentie voortdurend af hoe Zweig zijn vriendschap tot aan Roths vroegtijdige dood heeft kunnen volhouden. Want prettig is het niet om steeds maar weer het verwijt naar je hoofd geslingerd te krijgen dat je tekortschiet.’ – Michel Krielaars in NRC Handelsblad.

‘De gedichten openen een venster op een andere wereld, op een volk in onderdrukking en zijn strijd om een waardig bestaan. Op families die verscheurd raakten doordat vaders, zoons, ooms naar elders vertrokken, in de hoop op een beter leven Op gezinsleden die in het westerse Europa van elkaar vervreemd raken.
[…] Droeve, boze, maar ook weemoedige verzen, tegen onderdrukking, voor de vrijheid.’ – Janita Monna in Trouw.

‘Afgezien van de jazzconcerten door Loevendie heeft in Welling nooit muziek geklonken, pop was en is al helemaal uit den boze. Het is een café waar vrouwen zich veilig voelen en literatuur en drank elkaar ontmoeten. Over geen Amsterdams café is zoveel geschreven als over Welling, wat te danken is aan Bas Lubberhuizen als uitgever. De bijnamen zijn niet altijd even vleiend, variërend van Café Mantelzorg tot Station Terminale ‘Welling’. Dat neemt niet weg dat nieuwe generaties liefhebbers hun weg telkens naar dit huiskamercafé in Zuid zullen blijven vinden. Terecht dat dit boek er nu ligt.’ – Kester Freriks in NRC Handelsblad.

‘Aan het begin van haar essay noemt ze de vele ziekteverslagen in de eerste persoon die over depressie geschreven zijn, zoals Darkness Visible van William Styron en The Noonday Demon van Andrew Solomon. Verslagen die zich als echte oorlogsverslagen, inclusief alle gore details, laten lezen. Ze haalt ook de medisch ethicus Kevin Aho aan, die stelt dat deze verslagen essentieel zijn om de depressieve ervaring beter te begrijpen dan je op grond van het al dan niet aanmaken van stofjes in de hersenen of waarneembaar gedrag kunt doen. Zo’n verslag wil ze, hoe nuttig ook, niet schrijven.
Toch blijft je van De grenzen van mijn taal dat het meeste bij: het verslag van haar ziekte. En daar is niks mis mee. Het is een mooi verslag.’ – Ranne Hovius in de Volkskrant.

‘Elsbeth Etty heeft Wilmink overtuigend neergezet. Vooral in de tweede helft van het boek, tot de ontroerende laatste hoofdstukken aan toe, lééft hij voor de lezer. Ze putte uit Wilminks privéarchief en interviewde meer dan tachtig intimi, familieleden, vrienden en collega’s. De grootste kracht van het boek ligt in haar kundig en handig gebruik van wat deze mensen haar vertelden. Ze voert die sprekend her en der op, in anekdotes, een terzijde hier, wat uitleg daar. Zo ontstaat een sprankelend portret.’ – Judith Eiselin in NRC Handelsblad.

‘Middels conversaties en terugblikken speelt Sally Rooney voortdurend met achtergehouden informatie en daaruit voortvloeiende suspense. Dat bijpersonages bewust summier en haast clichématig zijn geschetst als, pakweg, de kille/liefhebbende moeder of het sadistische rotvriendje, doet de portretten van Connell en Marianne des te scherper uitkomen.
Die portretten zijn ronduit geweldig. Los van elkaar zijn ze al realistisch en genuanceerd. Van Marianne wordt langzaam duidelijk wat de oorzaken van haar wankele zelfbeeld zijn. En Connell worstelt als (typische?) jongen lang met zijn gevoelens en hoe die te uiten, zijn neiging te piekeren over wat de buitenwereld van hem vindt.
Maar nog magischer is de wisselwerking tussen beiden. Het genot en de intimiteit van stimulerende gesprekken en van seksuele passie wordt opgeroepen. Het spanningsveld tussen vriendschap en liefde. Hoe ze zich naast en dankzij elkaar ontwikkelen…
Het is kortom onmogelijk je niet bij dit paar betrokken te voelen.
Dit is literatuur die je raakt.’ – Dirk-Jan Arensman in Het Parool.

“Ik doe niets liever dan in het hoofd van een schurk kruipen. Maar eigenlijk doen we dat allemaal. Kijk maar naar populaire tv-series als The Sopranos. en Breaking Bad: het zijn toch vaak de bad guys die we stiekem bewonderen. Je zult nooit iets van deze wereld begrijpen als je niet naar de achterkant van het tapijt durft te kijken. Hoe komt het dat iemand de stap neemt om te frauderen, wat gaat er in zo’n persoon om? En waarom doen wíj het niet? Het is de kunst om de duistere kantjes van mensen te doorgronden.” – Wanda Reisel in gesprek met Julia Maria Keers in Het Parool.

‘Vooral de jonge Stalin-fans die Den Boer spreekt, zetten je aan het denken. Zo beweert een amateur-historicus, die zich uit hobbyisme met het goelag-verleden bezighoudt, dat Stalin geen slecht mens was. De kampen zou hij uit economische noodzaak hebben opgericht. Terwijl onomstreden bewezen is dat de goelag allerminst lucratief was.
Overtuigend legt Den Boer het collectieve trauma van Rusland bloot, dat wordt versterkt doordat elke familie zowel slachtoffers als daders telt. Gevoegd bij de patriottistische propaganda over Stalin als winnaar van de oorlog tegen de nazi’s belooft dat weinig goeds voor de toekomst.’ – Michiel Krielaars in NRC Handelsblad.

“De ananassen die in Nederland in de winkel liggen zijn nooit perfect. Omdat ze verscheept moeten worden, worden ze al geoogst voordat ze rijp zijn. Een rijpe ananas kan niet twee weken op een boot liggen en daarna nog een tijdje in de supermarkt. Anders dan bananen of mango’s rijpen ananassen na de oogst niet na. In Nederland eten we dus altijd onrijpe ananas, die te hard en te bitter is. Ik koop nog weleens een exemplaar, omdat het zo mooi staat op de fruitschaal. De smaak valt altijd tegen.” – Lex Boon in gesprek met Vivian de Gier in het Algemeen Dagblad.

“Wat ik mooi vind aan religie is dat daar plek is voor mysterie, voor het niet-weten. Ik denk dat er waarde schuilt in het accepteren van niet-weten. Ik vind dat moeilijk, ik ben van nature een meer controlerend type – als ik een obstakel tegenkom, probeer ik er gewoon doorheen te rammen. Dat is denk ik de bron van een deel van mijn succes; ik geef niet snel op. Maar het is misschien gezonder het leven met al zijn onvoorspelbaarheden meer te accepteren.” – Chloe Benjamin in gesprek met Anne van Driel in de Volkskrant.

‘Het boek zit vol met pakkende vergelijkingen, zoals van zijn geest als een grote kast met lades waarin allerlei herinneringen gestopt zitten en die opengaan wanneer hij gaat schrijven, of van zijn auteursvrijheid als die van een vlinder. Het heeft iets verfrissends om een romanschrijver van wereldklasse zo nuchter over diens beroep te lezen.’ – Ype de Boer in de Volkskrant.