Kookboekenweek

10 t/m 18 november:
kookboekenweek vierkant  kookboekenweek-geschenk
Ruim een week lang vieren we de liefde voor lekker eten en mooie kookboeken. Achter in de winkel is een extra lange tafel ‘gedekt’ met allemaal mooie kookboeken.
We gaan gerechten bereiden uit onze favoriete kookboeken! Als u in deze week bij ons langskomt zou het zomaar kunnen gebeuren dat we u een lekker hapje presenteren.
Paul de Leeuw schreef het Kookboekenweekgeschenk Smaakmaker – bij wie crème fraîche in de aders vloeit. U krijgt het cadeau bij besteding vanaf € 19,50 aan kookboeken (zolang de voorraad strekt). Lees meer

Een avond in het paradijs

Donderdag 15 november:
Vier samen met Uitgeverij Lebowski en Linnaeus Boekhandel de herontdekking van Lucia Berlin en het verschijnen van de verhalenbundel Avond in het paradijs en de memoir Welkom thuis
avond in het paradijs lucia-berlin 2 welkom thuis

Schrijvers Elke Geurts, Lisa Weeda en Alma Mathijsen dragen verhalen voor uit Avond in het paradijs.
Muzikale omlijsting door Amsterdams jazzorkest MDM.
Diashow met uniek beeldmateriaal.
Catering: Mexicaanse hapjes.
Inloop 17.00 uur. Aanvang 17.30 uur.
Aanmelden via info@linnaeusboekhandel.nl.

Lees meer

Koffie- en cakelezing

Zondagochtend 18 november in Museum Tot Zover:
Lezing Marion Bloem: Een teken van leven
marion bloem foto ivan wolffers 1  teken van leven
Naar aanleiding van haar boek Een teken van leven – over rouw en alles wat de dood behelst.
Tijdstip: 11.00 tot 12.00 uur. Deelname gratis.
Locatie: Café Roosenburgh bij Museum Tot Zover op begraafpark De Nieuwe Ooster, Kruislaan 124, 1097 GA Amsterdam.
Aanmelding via bibliotheek@totzover.nl o.v.v. ‘koffie- en cakelezing’ of 020-6940482.
De Koffie- en cakelezingen worden georganiseerd door Museum Tot Zover in samenwerking met Linnaeus Boekhandel. Lees meer

BOEKEN IN DE MEDIA

‘Gabe Habash schreef een grillig, adembenemend portret van een vereenzaamde jongen die met zijn bezeten stem door je hoofd blijft tetteren, die je weg zou willen jagen, maar aan wie je je ook gaat hechten. Een nieuwe Holden Caulfield inderdaad – de vergelijking met Salingers beroemde personage uit ‘Catcher in the Rye’ is al vaker gemaakt.
Ik herhaal: ‘Stephen Florida’ is geen boek over sport, maar over een jongen, genaamd Stephen Florida. En die jongen blijft je bij.’ – Gerwin van der Werf in Trouw.

‘Maaike Meijer slaagt glansrijk in het ontrafelen van de Fritzi-mythe. Het leven van Frederike Harmsen van Beek was gecompliceerder, banaler en pijnlijker dan het kunstenaarssprookje wilde. Over dat leven gaat dit boek uiteindelijk meer dan over het werk, al kreeg ik veel zin om het te herlezen en begrijp ik nu beter wie deze aantrekkelijke, springerige en niet altijd begrijpelijke gedichten en miniatuurtjes heeft gemaakt.’ – Aleid Truijens in de Volkskrant.

‘Alle cultuurminnaars in deze roman hangen van snobisme aan elkaar, en dat maakt dit tot een zeer vermakelijk boek.
[…] Het lijkt allemaal eenvoudige cultuurkritiek, maar het spel dat Cusk speelt met de waarde van literatuur en of die nu wel of niet meer aan kracht wint als het in romans om eerlijkheid draait, is fascinerend.’ – Toef Jager in NRC Handelsblad.

“Ik denk dat ik in mijn tijd bij Ajax niet volwassen was. Ik gaf niet 100 procent. Dat kleine details het verschil maken, heb ik pas later geleerd. Ik moet zeggen: ik mis die tijd bij Ajax toch wel, hoor. Ik was wild. Wilder dan nu, bedoel ik. (Lacht.) In Amsterdam vermaakte ik me wel. Alle ogen waren nog niet op mij gericht. Dat vond ik toen prettig. Als ik nu bij Ajax zou spelen, zou ik een machine moeten zijn. Het is trouwens de enige club waar ik moeite heb gehad met supporters. Maar de paar keer dat ik als speler van een andere club terugkwam, was de ontvangst altijd geweldig. Het bewijst dat niets onmogelijk is.” – Zlatan Ibrahimovic in gesprek me Koen van der Velden in Het Parool.

“Bij het eerste boek kon ik niet overzien wat het losmaakte. Ik was niet ontoerekeningsvatbaar, maar wel in de war. Als je verslaafd bent, leef je per dag. Ik had geld nodig, domweg gezegd. Dát verhaal was verteld. Het heeft me geholpen, niet alleen financieel. Iedereen wist het nu. In het tweede boek hebben we het verhaal af willen maken. In Kieft dronk ik nog. De vraag was hoe het verder met was gegaan. Nou, goed dus.” – Wim Kieft in gesprek met Paul Onkenhout in de Volkskrant.

“Ik realiseerde me dat alle boeken over Napoleon, zelfs de beste, zoals dat van Philip Dwyer, uit één nationaal perspectief zijn geschreven. Napoleon heeft een plaats in de geschiedenis van elke natie in Europa. Als je in Engeland naar school gaat, hoor je dat wij rond 1800 alleen stonden tegen Napoleon, zoals we in 1940 alleen stonden tegen Hitler. In Frankrijk leer je dat Napoleon een genie was, groter dan zijn tijd, nauw verbonden met de glorie en grandeur van Frankrijk, de stichter van de moderne Franse staat. In Duitsland is Napoleon een romantische held, maar hij staat ook voor alles wat de Duitsers niet leuk vinden aan Frankrijk, vooral de arrogantie. Voor Rusland is Napoleon een exponent van het walgelijke, corrupte Westen dat Rusland probeert te vernietigen, net als de Duitsers in 1941. Ik heb het grote voordeel dat ik een burger van overal en nergens ben, opgevoed in verschillende culturen. Van de nationale mythen rond Napoleon heb ik nooit een hoge pet op gehad. Ik wilde erbovenuit stijgen, Napoleon bekijken alsof je hem vanuit een satelliet bekijkt.” – Adam Zamoyski in gesprek met Peter Giesen in de Volkskrant.

De paradox van het geluk behandelt belangwekkende thema’s met als rode draad de grandeur en misère van de multiculturele samenleving en de veerkracht van hen de door het leven zijn beschadigd. Er zijn momenten waarop de morele boodschap van de roman wat zwaar op de gebeurtenissen drukt. Tegelijk is het imposant hoe Forna van het rijkgeschakeerde, levendig geportretteerde Londen bijna een extra personage maakt.
De paradox van het geluk is bovendien een krachtige state of the nation-roman, zoals Number 11 van Jonathan Coe en Autumn van Ali Smith dat elk op hun eigen manier ook zijn. Het boek geeft uiting aan de identiteitscrisis waarin Groot-Brittanië momenteel verkeert.’ – Hans Bouman in de Volkskrant.

“De Duitsers waren ook slachtoffer, hoor je vaak. Er zijn heel veel Duitsers gestorven, ja, hele steden zijn platgegooid, mensen raakten hun huis kwijt, er was honger, ga maar door, maar al die ellende was het gevolg van keuzes van de Duitsers zelf. Niemand heeft mijn opa gedwongen NSDAP-lid te worden, hij heeft die keuze zelf gemaakt. Pas heel laat kwam ik erachter dat er wel degelijk Duitsers waren die verzet hebben gepleegd, die nee zeiden. Veel waren het er niet, maar ze waren er. Dát had ik op de middelbare school graag gehoord.” – Nora Krug in gesprek met Pieter van Brummelen in Het Parool.

‘Je kunt aan alles merken dat Driessen ook opera- en toneelregisseur is, zijn proza kent een strakke regie, een duidelijk plot en zijn stijl laat weinig te raden over. Hij is geen mooischrijver maar wel iemand die precies weet wat hij doet en waar hij naartoe wil. Juist ook in deze bundel van afwisselend lange en korte verhalen.
[…] Alle toeval en willekeur in deze verhalen blijkt ten slotte toch door een onzichtbaar hoger lot te worden bestierd, zoals dat ook in de Griekse tragedies het geval is. Maar bij Driessen ontbreekt de katharsis veelal, en leven de overlevers gewoon maar verder, meer ongewisheid tegemoet.
De uiteindelijke machthebber blijkt toch de schrijver die met vaste meesterhand zijn personages op het slagveld van hun levens neerzet, in steeds nieuwe variaties van het noodlot, dwingend en onontkoombaar.’ – Rob Schouten in Trouw.

“Ik was nogal bezig met iets wat bepalend is in het leven van jongeren: hoezeer je wordt beïnvloed door degenen om je heen. Er lijkt altijd iemand sterker en wilder, intenser levend. Dat gevoel hebben Teresa en Tommaso bij Bern – en zo herinner ik me die tijd ook. Het gekke is: we projecteren dat beeld op iemand anders, maar vervullen zelf voor anderen die rol. We zijn tegelijk leiders en apostelen. Dat zag ik pas in toen ik dit boek schreef. Dat is één van de interessantste dingen van schrijven: het dwingt je je leven telkens te hervertellen, en die vertelling verandert als je ouder wordt. Mijn idee over jong zijn is nu heel anders dan toen ik tien jaar geleden De eenzaamheid van de priemgetallen schreef.” – Paolo Giordano in gesprek met Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

“Veel historici beschouwen politieke memoires en dergelijke nog altijd als belangrijkste bronnen. Vooral in het geval van Speer is dit fnuikend geweest. Zesendertig jaar lang, van 1945 tot 1981, heeft hij er alles aan gedaan om kritische beschouwingen over zijn leven en werk te voorkomen.
[…] Op verzoek van de Nederlandse uitgever heb ik een paar pagina’s geschreven over Harry Mulisch, die over zijn bezoek aan Speer schreef in De toekomst van gisteren. Mulisch is een van de honderden, onder wie ook Simon Wiesenthal en Erich Fromm, die zich door Speer hebben laten inpakken. Daarbij maakt Speer ook gebruik van de ‘corrumpeerbaarheid’ van mensen. Vaak gaf hij bezoekers tekeningen, brieven en oorspronkelijke documenten mee. Hij strooide ook met geld. Tot op de dag van vandaag krijgen de erven Fest royalty’s voor de door hem geredigeerde Herinneringen en Dagboeken van Speer.
Wat Mulisch, Fest en al die anderen niet hebben begrepen, is dat daders altijd liegen. Memoires zijn constructies die het verleden plausibel moeten maken. Een van de kernpunten van mijn boek is dan ook dat je als historicus niets voor waar moet aannemen, altijd zelf moet blijven nadenken en zeker niet moet geloven wat tijdgenoten vertellen over gebeurtenissen waar ze zelf bij betrokken waren.” – Magnus Brechtken in gesprek met Bernard Hulsman in NRC Handelsblad.

‘Wie na de gedichten, verhalen en romans van Marieke Lucas Rijneveld en Lize Spit nog niet overtuigd was van de grillige kilheid van het plattelandsleven, leest Er is niemand bij de kalveren. Herbings roman laat zien hoe de prille liefde je in een leven kan luizen dat je nooit had gewenst, dat je langzaam maar zeker tot wandaden drijft. Tijdens haar ontsnappingspogingen verruilt Christin haar onderdanigheid voor genadeloosheid. Dit debuut maakt zo invoelbaar welke vernietigende stappen iemand durft te zetten als hij op het stille platteland alleen wordt gelaten.’ – Anne van den Dool in NRC Handelsblad.

‘Gardam vertelt het verhaal van deze ‘schipbreukelinge’ vol genade van de wieg tot het graf in bijna 300 pagina’s, zonder enig hoofdstuk als reddingsboei in het verhaal te werpen. ‘Crusoe’ is haar het meest dierbaar van al haar werk, zei Gardam (90) in een interview, omdat het voor een deel gebaseerd is op haar moeder, die net als Polly nooit naar school ging, en haar eigen ervaring met literaire talenten die door haar familie niet op waarde geschat werden.
Een Britse collega schreef over Gardam dat ze ‘schrijft als een 25-jarige met de wijsheid en subtiliteit van een messcherpe 100-jarige’. En zo is het.’ – Laura van Baars in Trouw.

‘Petje af, voor hoofdstukken als deze, die ontzettend goed in elkaar zitten, vol doordachte metaforen en treffende symbolen, en het liefdesverhaal grote weeklank geven. Dat Hofstede zó literatuur weet te maken van een autobiografisch gegeven, maakt Drift hoogst interessant. We leren ook Hofstede zelf kennen, als vormgever van dit al: studieus essayist, secuur vormgever en groot liefhebber van controle.’ – Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

“Wanneer ontwaakte uw interesse voor de herkomst van de mens?”
“Die was sluimerend al jaren aanwezig. De kroniek van het geslacht homo is fascinerend. Het is een understatement om te zeggen dat elke vier, vijf jaar de stamboom van de mens opnieuw wordt getekend. Als er dan weer zo’n nieuwe publicatie komt in de wetenschapsrubrieken, in Nature of Science, zou je bijna de indruk krijgen: zo zit het. Tegelijkertijd weet je: over een paar jaar zijn er weer nieuwe vondsten van weer nieuwe ‘oermensschedels’ en ligt het allemaal weer anders. De omloopsnelheid van de theorieën is zo hoog. Mijn wantrouwen is dan gewekt, en mijn nieuwsgierigheid.” – Frank Westerman in gesprek met Marjolijn de Cocq in Het Parool.

‘Misschien is dat wel het mooiste aan dit boek, dat het zo zorgvuldig vastlegt wat er gebeurt op al die momenten dat er niets lijkt te gebeuren. Als we twijfelen, niet vooruitkomen, blijven zitten met een vraag.’ – Marjolijn van Heemstra in de Volkskrant.

‘Al met al een prachtige verzameling korte maar met veelzeggende details opgesmukte levensverhalen die in haar opbouw laat zien dat vrouwen hun aparte positie aan het afwerpen zijn en dat eenzelfde encyclopedie over de 21ste eeuw er vermoedelijk niet hoeft te komen.’ – Jann Ruyters in Trouw.

In het zoeken naar oplossingen voor de wereldwijde vraagstukken staan twee kampen diametraal tegenover elkaar. Aan de ene kant de techno-optimisten (‘tovenaars’) en aan de andere kant de ecologen (‘profeten’), respectievelijk vertegenwoordigd door landbouwdeskundige Norman Borlaug (1914-2009) en de ecoloog en ornitholoog William Vogt (1902-1968).
“Beide mannen krijgen een eigen aanhang: de Borlaugianen die pleiten voor meer welvaart en technologie en de Vogtianen die oproepen tot geboortebeperking en ecologisch bewustzijn. Wat frappant is: de tegenstelling die bij hen begon, woedt voort tot op de dag van vandaag. Sterker nog: beide kampen verschansen zich alleen maar dieper in hun eigen loopgraven omdat er onder beide visies een fundamenteel verschil van mening schuil gaat over wat een goed leven is. Voor Vogt zijn mensen het gelukkigst als ze deel uitmaken van een gemeenschap die dicht bij de natuur staat. Individuele autonomie leidt in zijn visie alleen maar tot normloosheid, eenzaamheid, sociale isolatie en het uiteenvallen van gemeenschappen.
‘Bij Borlaug staan juist autonomie en keuzevrijheid om te doen wat voor jou het beste is voorop. Vrijheid en welvaart maken volgens hem de mensen gelukkig. In die zin zou je Borlaug een klassieke liberaal kunnen noemen.” – Charles C. Mann in gesprek met Mac van Dinther in de Volkskrant.

‘Marcel Haenen heeft een indrukwekkend boek geschreven. Hoewel hij er geen geheim van maakt sympathie voor zijn hoofdpersoon te koesteren (hij schrijft zelfs op diens 90ste verjaardag aanwezig te zijn geweest, als een van de weinige intimi) is hij er onder meer op grond van nooit eerder gepubliceerd materiaal in geslaagd een geschiedenis te schrijven die schokt, verbaast en soms ontroert.’ – Willem van Bennekom in NRC Handelsblad.

‘Biesheuvel laat ons niet alleen overtuigend zien hoe het eraan toegaat in psychiatrische inrichtingen – hij laat ons steeds zien hoe het eraan toegaat in het hoofd van een geestesziek persoon. Dat is soms angstaanjagend, soms herkenbaar, soms allebei. En – gelukkig – vaak ook komisch.
[…] Verhalen uit het gekkenhuis is een even inzichtelijke als vermakelijke weergave van 99,8 procent waanzin, en een krachtig bewijs van de nul komma twee procent die er nooit onder te krijgen is.’ – Dries Mus in Het Parool.

‘Het verleden is een spiegel voor het heden in dit epos dat door zijn eenvoud overrompelt.’ – Janita Monna in Trouw.

‘Het knappe aan Boschwitz is dat hij Silbermanns lotgevallen zo beangstigend neerzet, dat je er op den duur bijna zelf paranoïde van raakt. Al was het maar omdat hij je het gevoel geeft dat iedereen met wie je het vroeger goed kon vinden, zich ineens tegen je kan keren. In zo’n bestaan kom je slechts een enkele keer iemand tegen die zich nog fatsoenlijk gedraagt. En zelfs dan weet je niet hoe lang het duurt voordat ook hij of zij je aan je lot zal overlaten.’ – Michiel Krielaars in NRC Handelsblad.

‘Tegen de achtergrond van de jaren zeventig zijn veel van de vroege huwelijksverhalen van Mensje van Keulen met een hedendaagse blik te lezen als kritiek op de onontkoombare burgerlijkheid en de vastliggende rolpatronen die het huwelijk met zich meebrengt. De personages lijken echter minder ongemak te ervaren van hun burgerlijke gevangenis dan de lezer.’ – Dieuwertje Mertens in Het Parool.

‘Van de eerste druk werden niet veel meer dan driehonderd exemplaren verkocht; de vulkaan kwam tot uitbarsting en de nazi’s vernietigden de boekenvoorraad in Amsterdam. Pas in 1956 verscheen de roman in Duitsland. Geen idee waarom de Nederlandse vertaling nog zestig jaar op zich liet wachten, maar wat fijn dat zij er is. Het boek verdient een nieuwe tijd.’ – Marjolein van Heemstra in de Volkskrant.

‘Slauerhoff, zijn leven en werk, is voorlopig weer even helemaal compleet, in duizenden pagina’s gedichten en biografie, en dat is goed. In deze twee regels zit de hele Slauerhoff:
Nu weet ik: nergens vind ik vree
Op aarde niet en op zee
Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand
– Aleid Truijens in de Volkskrant.

‘Intussen is ‘De goede zoon’ met zijn bizarre fantasieën, Big Brotherachtige complotten, zelflopende rugzakken, seksleverende automobielen, z’n alles vervlakkende basisinkomen, wel degelijk een ideeënroman, over het leven, over kunst.
[…] Het lijkt of Van Essen de vraag wil stellen wat er in de toekomst nog overblijft van ons ik, van onze identiteit. Tegelijkertijd is hij zich er voortdurend van bewust dat hij literatuur bedrijft, dat het fictie is wat hij schrijft. Die twee elementen, boodschap en verbeelding, sturen zijn romans in even onwaarschijnlijke als onvoorspelbare richtingen.
Lezers van Rob van Essen moeten wel literaire avonturiers zijn, voor geen kleintje vervaard, en ze moeten tegen een hyperbewuste schrijver kunnen die van alles en nog wat, wat hem tijdens het schrijven aan zo’n roman invalt, meeneemt.
[…] Een schrijver die zich voor het oog van de lezer probeert te beheersen en zich laat gaan. Heel bijzonder.’ – Rob Schouten in Trouw.

“Veel processen op het terrein van rouw zijn onduidelijk, en nauwelijks onderzocht. Dat is ook logisch: rouw is geen ziekte. Het is iets ‘normaals’, wat bijna iedereen op zeker moment overkomt. Ik had er zelf ook al eens over geschreven. Het overlijden van mijn man maakte me duidelijk dat er niet één vorm van rouw bestaat Het verlies van een partner is anders dan dat van een ouder. Om bij mezelf te blijven: ik was lange tijd totaal afwezig. Mijn kortetermijngeheugen werkte niet meer. Ik was zowel mentaal als fysiek totaal afgepeigerd. Mijn hart ging tekeer. Is dat hysterie? Dat kan. Mensen somatiseren hun gevoelens. Maar het is in alle gevallen écht. Het feit dat ik functioneerde, maar van binnen eigenlijk niet meer bestond, was echt. Een casus. Aangezien rouw zoveel mensen treft, kun je er maar beter over praten.” – Lisa Appignanesi in gesprek met Vrouwkje Tuinman in Trouw.

“Ik houd me erg bezig met de vraag: waarover zouden we moeten schrijven? Vandaag de dag is het onmogelijk om een boek te lezen en niets over de auteur te weten, omdat delen van zijn leven online terug zijn te vinden – zowel feiten als onwaarheden. Ik denk dat veel hedendaagse schrijvers daarom experimenteren met het verwijzen naar die wereld in en buiten het boek. Toen ik eenmaal de structuur van de roman had bedacht, stelde ik mezelf de vraag: waarover kan ik schrijven? Moet het over mezelf gaan of kan het ook geslaagd worden als ik vanuit het perspectief vaneen ander schrijf, die totaal anders is dan ik? Veel schrijvers hebben het gevoel dat ze grote onderwerpen moeten behandelen in hun romans. Voor mij is een roman die kleine gebeurtenissen combineert met grote onderwerpen – de wereldproblematiek – een boek dat verbeeldt hoe het is om te leven.” – Lisa Halliday in gesprek met Dieuwertje Mertens in Het Parool.

‘Ted van Lieshout vindt dat een boek meer dan de drager van een verhaal moet zijn. ‘Elk boek,’ zo zei hij ooit in een interview, ‘moet voor mij een opzichzelfstaand kunstwerk zijn, dat is gemaakt van taal en beeld, met inachtneming van het materiaal.’
Met zijn nieuwste titel is Van Lieshout – de unieke schrijver en vormgever die hij is – daarin glansrijk geslaagd. Ze gaan er met je neus vandoor is een toonbeeld van door experimenteerdrift gedreven zinnenprikkelende typografische kunst, waarbij alles – de opmaak, de geblokte bladspiegels, de witruimte en de grootte, dikte en stand van de letters – bijdraagt aan de betekenis van het verhaal.’ – Mirjam Noorduin in NRC Handelsblad.