Voorlezen


Zondag 26 januari in House of Watt:

Afbeelding1 Afbeelding2
Tijdens de Nationale Voorleesdagen organiseren House of Watt en Linnaeus Boekhandel een leuk kinderfestijn
Programma:
14.00-16.00 uur: Boekverkoop door Linnaeus Boekhandel.
14.00-16.00 uur: Kinderboekenruil.
15.00-15.45 uur: Voorleesbioscoop ‘O, wat mooi is Panama’ van Janosch door Roos Hoogland (entree € 3,-; reserveren events@houseofwatt.nl).
Kom langs! House of Watt, James Wattstraat 73 1097 DL Amsterdam.

De Nationale Voorleesdagen zijn van woensdag 22 januari tot en met zaterdag 1 februari.
Moppereend van Joyce Dunbar en Petr Horáček is verkozen tot Prentenboek van het Jaar. Ter gelegenheid van de Nationale Voorleesdagen is een speciale editie van € 5,25 uitgebracht.
moppereend

De mooiste boeken van 2019

kop eindejaarsnieuwsbrief 2
Wie die Luft zum Leben
Ik kan me niet heel veel herinneren van mijn vroegste jeugd, maar één beeld staat me nog glashelder voor ogen: ik zit tijdens het ontbijt op schoot bij mijn vader. Hij dronk elke ochtend drie kopjes thee, at zijn boterham en las de krant. Ik at mijn boterham, dronk mijn thee en tuurde gebiologeerd naar de zwarte tekens op het knisperende papier. Soms las mijn vader dingen voor of mopperde hij zachtjes voor zich uit. Ik kwam erachter dat de zwarte tekens, mits in bepaalde volgorde gerangschikt, woorden vormden waarmee je verhalen kon vertellen, informatie kon verstrekken, iemand kon laten lachen, ontroeren, troosten, maar ook boos kon laten worden. Vanaf dat moment wilde ik niets liever dan zo snel mogelijk leren lezen. U raadt het al: ik heb heel snel leren lezen.
Lees verder

BOEKEN IN DE MEDIA

“Finse dagen is mijn belangrijkste boek tot nu toe. De verteller valt in dit boek helemaal samen met de schrijver zelf. Ik had zin om eens zonder vermomming te schrijven. Al is het onmogelijk om als verteller honderd procent ‘ik’ te zijn, want je bent als verteller altijd autoritairder dan in werkelijkheid, je duldt geen tegenspraak. Dat neemt niet weg dat het echt een autobiografisch boek is. Maar ik heb er ook dingen bij verzonnen.
[…] Ik merkte, met het ouder worden, dat ik een ander perspectief op dingen van lang geleden kreeg. Ik heb in Red ons Maria Montanelli, mijn debuut van dertig jaar geleden, ook al over mijn middelbare schooltijd en de dood van mijn moeder geschreven. Dat was een boos boek, verteld met de stem van een puber. Ik vroeg me af: hoe zou het zijn als ik nu naar die tijd zou kijken, met een mildere blik – als mezelf, zonder personage, zonder verteller?
[…] Over dit boek ben ik helemaal niet onzeker. Ik heb, meer nog dan bij mijn andere boeken, heel sterk het gevoel dat het gelukt is. Het is precies geworden wat ik wilde. Misschien omdat er weinig verzonnen elementen in zitten, geen flauwekul. Alleen wie kwaad wil kan hier zwakke plekken in vinden. Mijn vrouw vindt het zonder meer mijn beste boek. Mijn zoon trouwens ook.” – Herman Koch in gesprek met Sara Berkeljon in de Volkskrant.

‘Grunberg heeft aan zijn eigen eis voldaan: hij heeft gaten in de geschiedenis gevuld met fictie. Hij heeft de lezer iets laten meemaken dat die nog nooit heeft meegemaakt. Wekte hij met Blauwe maandagen een enorme ontroering, 25 jaar later weet hij je vooral te verbluffen met zijn intellectuele kracht. Na Moedervlekken vraagt Grunberg in Bezette gebieden nog meer van je – en daar word je ook voor beloond.
Het wonderlijkst is dat al die schrijnende, over elkaar heen buitelende taferelen, Grunbergs Umwertung aller Werte, zijn immoraliteit en fantasie niet alleen verbazing wekken en humoristisch zijn, maar inzicht bieden in wat wij als werkelijkheid of waarheid beschouwen. Dat is wat literatuur vermag.’ – Onno Blom in de Volkskrant.

“Het overkoepelende thema van het boek is de identiteit van een persoon door de tijd heen. Een stabiele, goed afgeschermde identiteit is een hersenschim. Je verandert door alles wat je meemaakt. Leyland schrijft brieven aan zijn overleden vrouw Livia. Daarin vraagt hij zich af of hij zich niet altijd in een tussenruimte bevindt, tussen zijn vroegere en zijn huidige ik. Zo is het ook, denk ik. Alles is in beweging. Het is altijd een worsteling om identiteit te vinden. Een leven is een poging om zich van de druk van de wereld te bevrijden. Dat gebeurt als Leyland van Oxford naar Londen gaat. Het gebeurt in extreme vorm op het moment dat hij denkt te gaan sterven. Op dat moment zegt hij: nu ben ik werkelijk vrij, omdat ik met niemand meer rekening hoef te houden.” – Pascal Mercier in gesprek met Peter Giesen in de Volkskrant.

‘Briljante prestatie, meesterlijk boekje.’ – Dirk-Jan Arensman in Het Parool.

“Mijn moeder heeft al mijn boeken beïnvloed. Zij was zelf jarenlang parfumverkoopster op de veerboot tussen Rodby en Puttgarden. Zij heeft een winkel gehad in een dorpje in het zuiden, zoals de moeder in Zij. Een alleenstaande moeder met twee dochters, mij en mijn zuster. Las veel en graag. En toen ik ging schrijven, werd zij een leverancier van zinnen voor mijn boeken. Dat was een onuitgesproken deal. Zij kon me opbellen en iets bijzonders zeggen, waarvan ze wist dat ik het noteerde en zou kunnen gebruiken.
Zodra er een boek van mij uitkwam, stuurde ik haar een exemplaar. Elke keer was ze verrukt als ze zinnen herkende. We hebben veel gelachen samen. Over moeilijke dingen spraken we liever niet, die voelden we toch wel aan.” – Helle Helle in gesprek met Arjan Peters in de Volkskrant.

‘Heinen schrijft naar zijn beste vermogen over voetbal en neemt daarmee een dribbel door het leven: passje opzij, Wereldoorlog I, tikkie breed, Britse ontdekkingsreizen, stapje terug, Spaanse Burgeroorlog, bal over de breedte, Arabische Lente.
Voetballers zijn, volgens Heinen, mensen die blijven spelen en erin slagen iets te realiseren waar ieder van droomde: ze conserveren al spelende een stukje jeugd. Daarin klinkt de jongen door die Heinen ooit was, een puber die zijn droom verloor.
Buiten de lijnen bevat met ruim 170 portretten de bijeengeraapte scherven; het boek is niet gebonden door thema, geografie, club of land. Het is de pen van Heinen die het boek bijeenhoudt. Al schrijvende worden de scherven gelijmd: het is voetbal op zijn best, en de reparatie van zijn eigen droom – en die van de voetbalminnende lezer.’ – Maurits Chabot in NRC Handelsblad.

‘Vier jaar werkte tweevoudig Gouden Griffelwinnaar Simon van der Geest aan dit boek, maar het was het wachten waard: ‘Het werkstuk’ is een heerlijk filmisch, vloeiend geschreven avontuur van bijna 400 bladzijden, waar het woord ‘meeslepend’ voor lijkt uitgevonden.’ – Bas Malipaard in Trouw.

‘Zolang ik boeken van Thera Coppens lees, en dat is al bijna dertig jaar, is er iets dat mij altijd weer doet uitzien naar haar volgende boek.
[…] De reikwijdte van Coppens’ oeuvre beslaat inmiddels zo ongeveer het hele afgelopen millennium. Des te bewonderenswaardiger is het dan ook dat ‘Johanna en Margaretha’ zo’n rijkgeschakeerd beeld van de vroege dertiende eeuw geeft. Zó erudiet zijn, en dan bijzondere vrouwen van alle tijden in hun overweldigende geschiedenissen plaatsen, dat kan in Nederland alleen Thera Coppens.’ – Laura van Baars in Trouw.

‘Juist door het grimmige gevoel voor humor, het eigenzinnige afgemeten taalgebruik, voortkomend uit Harmens weerzin jegens emotioneel beladen (grote) woorden, doet Kom denken aan een schreeuw vanonder een geluiddichte stolp; een beeld waarvan je je maar moeilijk losrukt.’ – Dieuwertje Mertens in Het Parool.

“De psychologie zal er wel een term voor hebben, ik benoem het zo: er ontbrak bij Ferdi E. een schakel tussen aandrift en daad. Ferdi begón gewoon. Hij wilde woest om zich heen slaan, weg van zijn gezin. Hij bedacht een plan, kocht een geweer, knoopte een valse snor, zocht een kaasplankje uit om die vinger op af te snijden. Allemaal ongevaarlijke stappen. ‘Pas toen ik met Heijn in de auto zat, wist ik dat ik het echt ging doen’, zei Ferdi later tegen me. Op zeker moment liep hij in het bos met Heijn, toen was het enkel nog de beweging van de trekker overhalen.
Ik vroeg hem wanneer hij wist dat hij Heijn zou doden. ‘Toen ik het deed’, antwoordde Ferdi. De rol van de wil moet je niet overschatten. Die is soms helemaal afwezig. Vergelijk het met opstaan. Je ligt in bed en denkt: ik moet opstaan. Op zeker moment bén je opgestaan. Het exacte moment waarop de wil daarin een rol speelt, is niet te betrappen. In De renner schrijf ik daar ook over: wanneer exact besluit je te demarreren? Dat is niet aan te wijzen.” – Tim Krabbé in gesprek met Jean-Pierre van Geelen in de Volkskrant.

“Niet dat wij het arm hadden, maar geld speelde bij wel een rol. Geld maakt onafhankelijk. En ik wilde graag vrij zijn. Dat zei ik al tegen mijn vrienden toen ik een jaar of vijftien was: ‘Ik wordt heel rijk.’ Pas later, toen ik ook echt financieel onafhankelijk was, besefte ik dat het nog belangrijker is om geestelijk onafhankelijk te zijn. Vrij kunnen zijn in je gedachten… Dat is het meeste waard” – Marco van Basten in gesprek met Ronald Ockhuysen in Het Parool.

‘Kortom, schrijven kan ze, die Mizee.’ – Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

‘Net als de evangeliën getuigt deze roman van een bijna bovenmenselijke inspiratie. Daarnaast is hij ook nog eens buitengewoon spannend. Je wilt als lezer weten hoe het afloopt met de 10-jarige David die – ik liet niet voor niets het begrip ‘evangelie’, goede boodschap, vallen – beweert dat hij een boodschap voor zijn vrienden heeft, ja misschien zelfs voor de hele mensheid.’ – Hans Achterhuis in Trouw.

‘De grote troef die Etty naast haar persoonlijke band met Maarten ’t Hart in handen heeft, is haar scherpe lezing. Ze heeft oog voor overlap en discrepanties, en bovenal; ze ziet waar het schuurt. Ook ziet en legt ze nieuwe of onderbelichte ­verbanden, zoals de opmerkelijke (sadomasochistische?) relatie met zijn vader met de losse handjes (is er ook sprake van incest?), zijn moeizame verstandhouding tot het huwelijk, zijn afkeer van het feminisme die samen lijkt te vallen met zijn verlangen naar het vrouw zijn en de rol die de holocaust bij zijn geloofsafval speelde.
Etty vindt dat ’t Hart de P.C. Hooftprijs verdient. Haar Minnebrieven zijn een overtuigend pleidooi, waarin ze verschillende lagen in zijn werk blootlegt.’ – Dieuwerte Mertens in Het Parool.

“Boeken pikken dingen op die gaande zijn in de tijd dat ze zijn geschreven en worden gelezen. En het Verenigd Koninkrijk is de laatste drieënhalf jaar bezig geweest zichzelf te vernietigen. Ik ben een gepassioneerd Europeaan, dus ik vond dat ik mijzelf een auteursbericht kon veroorloven dat commentaar geeft op de hopeloosheid van de Brexitonderhandelingen, terwijl ik tegelijk de hoop wilde uitspreken dat we niet te depressief worden. De aanwezigheid van mijn hoofdpersoon dr. Pozzi maakte me blijmoedig; ik ga heus niet stoppen met reizen naar Frankrijk. Mijn Nederlandse vrienden gaan niet zeggen dat ze niks meer met me te maken willen hebben. Laten we er maar op vertrouwen dat jonge generaties Britten op een gegeven moment zeggen: het spijt ons verschrikkelijk, mogen we alsjeblieft terug?” – Julian Barnes in gesprek met Wieteke van Zeil in de Volkskrant.

Alleen de bergen zijn mijn vrienden is ijzersterk in wat het wil zijn: geen beredenering, geen esthetiek, maar een aanklacht en een keihard verslag vanuit een Australische gevangenis. Daarmee is het een basis voor vluchtelingenliteratuur die niet door een buitenstaander is geschreven.’ – Toef Jager in NRC Handelsblad.

‘Auke Kok neemt de lezer vaak mee het stadion in, wat een van de redenen is waarom de biografie zo omvangrijk is geworden. Aan de andere kant: Kok schrijft uitgesproken soepel en een kunstenaarsbiografie ontkomt niet aan de bespreking van het oeuvre.
[…] Deze biografie laat één ding keer op keer zien en dat is hoe – vergeleken met voetbal –  al het andere bijzaak was in het leven van Cruijff. Het was de bal die van het vraagtekenjoch een uitroeptekenman maakte.’ – Arjen Fortuin in NRC Handelsblad.

‘Het is precies die lezersreactie – opeens begrijpen waarom Italianen een eeuw geleden vielen voor het fascisme in plaats van het genadeloos hard te veroordelen – waardoor veel linkse intellectuelen in een kramp schoten tijdens het lezen van het boek. Bij alle voorgaande romans over Mussolini droop de verontwaardiging immers netjes van de bladzijden, maar hier ontbreekt die moralistische filter, vonden zij. Want waarom staat nergens expliciet vermeld dat Mussolini een monster is? Waarom staat nergens dat hij Italië naar de afgrond sleurde en miljoenen doden op zijn kerfstok had? Is het niet kwalijk dat Scurati nergens zégt dat Mussolini fout was?
[…] Maar het vreemde is: wie wil ontdekken hoe bruut, wreed en ranzig de fascisten zich ook al in die begindagen gedroegen, moet juist dit boek van Scurati lezen. Want hoe meer bladzijden je omslaat, hoe duidelijker het ware, nare gezicht van de zwarthemden zich openbaart. Het nietsontziende geweld waarmee ze in de provincie tekeergingen tegen vakbondslieden, de vechtpartijen, de brandstichtingen, de verminkingen, de moorden, de Mars op Rome en de steeds verder gaande vrijheidsbeperkingen die uiteindelijk leidden tot een nutteloos parlement vol flets duldende vulling – de kundige beschrijving ervan is meer dan genoeg om in te zien hoe fout het allemaal was. En is.’ – Jarl van der Ploeg in de Volkskrant.

‘Een indrukwekkende biografie.’ – Lex Oomkes in Trouw.

“Een deel van het boek is gebaseerd op echte gebeurtenissen. Toen ik net klaar was met het schrijven van Brilka, las ik een boek van Anna Politkovskaja over de Tsjetsjenië-oorlog. Ik heb haar moed, de moed die haar uiteindelijk fataal werd, altijd bewonderd. (Politkovskaja werd in 2006 vermoord in de lift van haar appartement in Moskou.) Ik las het boek zonder plan, niet met het idee er inspiratie uit te halen. Maar er was een verhaal dat me niet meer losliet.
[…] Ik ben in 2017 naar Tsjetsjenië gegaan, omdat ik eigenlijk weinig over het land wist. We hadden in de jaren negentig in Tbilisi wel Tsjetsjeense vluchtelingen, maar toch wist ik niet veel meer dan dat in Tsjetsjenië oorlog en terreur heersten en dat de radicale islam er in opkomst was.
Het is een dictatuur, dus echte research kon ik er niet doen. In Grozny is zelfs geen enkele aanwijzing voor die oorlogen. Alles glanst. Alles is kunstmatig. Een beetje Dubai op z’n Oostbloks – niet dat ik ooit in Dubai ben geweest. Maar als je met mensen praat, valt om de haverklap het woord ‘oorlog’. Alle levens zijn erdoor getekend. Alsof er twee waarheden zijn, een zichtbare en een onzichtbare.” – Nino Haratischwili in gesprek met Sterre Lindhout in de Volkskrant.

De kunst van het ongelukkig zijn is een pleidooi om ons verdriet en onze eenzaamheid te doorleven en bovenal: met elkaar te delen. Met pillen demp je de pijn, maar de stekels gaan niet weg. We moeten elkaar meer en betere verhalen vertellen, met elkaar praten, niet over de app maar in het echt: elkaar eens goed in de ogen kijken. Voor wie dat nogal zoet in de oren klinkt, of als een vanzelfsprekendheid: u heeft gelijk. Er staat weinig nieuws in De Wachters boekje, en hij schuurt bij vlagen tegen het pathetische aan. Maar het is wel veelzeggend als we als samenleving zulke vanzelfsprekendheden, de zachte oplossingen voor de harde problemen, zijn gaan beschouwen als overbodige luxe.’ – Arthur Eaton in NRC Handelsblad.

‘Nee, vrolijk is het allemaal niet, maar o, wat een machtig schrijver is László Krasznahorkai.’ – Lieke Kézér in Trouw.

“Mensen zeggen vaak: Europa is idealisme. Dan zeg ik: nee, Europa is realiteit. Juist het nationalisme is een irreële nostalgie aan het worden. De nationale staat is in geen enkel opzicht meer een antwoord op de problemen van de 21ste eeuw. Ik denk weleens: Geert Wilders, man, ga nou eens bij je eigen Venlo staan en kijk eens goed. Die enorme keten aan vrachtwagens, wil je die nou echt gaan tegenhouden  met douaniers met petten? De realiteit waarin wij leven en werken, waarin het bedrijfsleven werkt, is allang Europees. Ook de problemen die we hebben zijn op zijn minst Europees, zo niet mondiaal: klimaat, energie. Nu Amerika wegvalt zijn wij een geopolitieke macht. Tegen wil en dank misschien, maar we zijn het wel.” – Geert Mak in gesprek met Peter Giesen in de Volkskrant.

‘Dat het niet gaat vervelen, komt behalve door het omringende verhaal van muzikale avonturen die blijven fascineren, door de nuchtere humor waarmee het allemaal is geformuleerd. Een rockautobiografie waar je wijzer van wordt én steeds weer hardop door in de lach schiet, dat is niet standaard.
Alleen maar zelfkastijding achteraf is het bovendien niet. Elton weet precies waarover hij berouw voelt, maar ook waarover juist niet. De eerlijkheid waarmee Ik is geschreven voorkomt ook valse bescheidenheid, zeker als het gaat om de welverdiendheid van zijn succes.’ – Flip Vuijsje in de Volkskrant.

‘Bijzonder knap is het evenwicht dat Makkai bewaart tussen de zwaarte van rouw en verlies enerzijds en de spanning van een wrange pageturner anderzijds: een soort whodunit, maar dan een whohasit. Wie van de mannen leeft er nog wanneer het plots verspringt naar het heden?’ – Anna Krijger in Trouw.

“Als schrijver maakte Bomans in de loop van zijn korte leven een enorme ontwikkeling door. Zijn stijl is altijd zoekend, hij is niet een schrijver die in één treffende zin een waarheid debiteert; zo wás hij ook niet. Hij werkt naar iets toe, je ziet hem opbouwen. Zijn Dagboek van Rottumerplaat, dat hij vlak voor zijn dood schreef, is een juweel van een boek en laat een volstrekt andere schrijver zien dan de teksten in Kopstukken, hoe geestig die ook zijn. Als hij langer had kunnen doorleven – maar dit is een hachelijke uitspraak – was hij een heel ander soort schrijver geworden. Zijn schrijverschap was volop in beweging toen hij overleed. Maar ik vind het een wonder dat Bomans nog zo onder ons is, vijftig jaar na zijn dood. Het is opvallend hoe vaak hij in kranten of op televisie nog wordt genoemd. Simon Vestdijk is ook in 1971 overleden, maar die naam hoor je nauwelijks meer.’  – Bomansbiograaf Gé Vaartjes in gesprek met Wilma de Rek in de Volkskrant.

‘Ik zou Stephan Enter, bij al zijn soms virtuoze beschrijvingen, toch vooral een meester van de tere momenten willen noemen.’ – Rob Schouten in Trouw.

‘Het vorige boek van Strout was getiteld Niets is onmogelijk (Anything is Possible) en dat zou zonder veel betoog als haar credo opgevat kunnen worden. Dat het scala aan menselijke emoties, impulsen en handelingen even onuitputtelijk als onvoorspelbaar is laat ze in dit boek opnieuw zien, met meesterlijke wendingen, groteske situaties en onnavolgbare, maar toch realistische dialogen.’ – Jan Donkers in NRC Handelsblad.

‘Het is weer lachen en huilen geblazen in De tuinjungle. Goulson beschikt over het zeldzame talent uitvoerig verslag te doen van de ecologische catastrofe die zich binnen en buiten Engeland afspeelt en tegelijkertijd zijn goede humeur en gevoel voor humor – althans op papier – te bewaren. Dat resulteert in hilarische beschrijvingen van bijvoorbeeld de Britse obsessie met het gladgeschoren gazon.
[…] Het lijken soms misschien vreemde ideeën, maar niet als Goulson ze opschrijft. Je moet wel heel cynisch zijn – of ecomodernist of pesticidenverkoper – wil je tegen zoveel enthousiasme, kennis en overtuigingskracht zijn bestand.’ – Caspar Janssen in de Volkskrant.

‘Aan Giphart de taak om dit alles het kroegverhaal-niveau te laten ontstijgen. Dat lukt, en wel omdat Giphart juist wil laten zien dat vriendschap eigenlijk één groot kroegverhaal is; dat het bestaat uit gedeelde overdrijvingen en verdichtingen van de dingen dat alle losse gebeurtenissen in dit boek een verbinding aangaan en het puur anekdotische overstijgen; tezamen vormen ze het grotere verhaal van vriendschap.
[…] Deze feel good zit al met al gedegen in elkaar en bevat interessante gedachten over vriendschap. Gun het jezelf ervan te genieten, bij voorkeur in een boshut met een biertje erbij.’ – Bo van Houwelingen in de Volkskrant.