BOEKEN IN DE MEDIA

“Ons gebruik van de mobiele telefoon is gestegen van 18 minuten in 2008 naar bijna drie uur in 2015 – dat is meer dan welke andere activiteit, behalve slapen. En dan gaat het alleen nog maar over de telefoon.
Het probleem van gedragsverslavingen is dat ze andere wezenlijke dingen verdringen: ze zorgen dat we minder goed werken en ontspannen, ze beperken ons contact met anderen. Door excessief gebruik van internet kan onze empathie afnemen, het vermogen ons in te leven in een ander. Ook ons geheugen en concentratievermogen lijden eronder. De kwaliteit van slaap daalt: 95 procent van de volwassenen maakt een uur voor het slapen gaan nog gebruik van smartphones, laptops of andere apparaten die blauw licht uitstralen. Daardoor wordt de productie van melatonine, het hormoon dat slaperig maakt, afgeremd. Zo creëren we feitelijk elke avond een jetlag.” – Adam Alter in gesprek met Anne van Driel in de Volkskrant.

“Van jongs af aan heb ik voelsprieten ontwikkeld. Wat zegt die vader, of die leraar? Hoorde ik dat nou goed? Ga ik incasseren of boos worden? Ga ik liggen, een grapje maken en me er overeen zetten? Ik was niet op mijn mondje gevallen, maar toch koos ik daar vaak voor. Heel lang heb ik gedacht, als ik een racistisch grapje hoorde, of iemand die een Surinaams accent nadeed: joh, laat toch gaan.
En dat doe ik soms nog steeds. Je komt altijd in situaties waarin je dingen wegslikt omdat je nog vaker met mensen door een deur zal moeten. Tijdens een sollicitatiegesprek, als ze opeens iets zeggen als: ‘Jij kan vast lekker swingen’. Oké denk ik dan: adem in, adem uit, en door. Ik ben geregeld dagvoorzitter tijdens debatten. En ja: ik draag oorbellen ik hou van hakjes. Serieus: negen van de tien keer gaan ze ervan uit dat ik van het entertainment ben. Soms krijg ik niet eens een hand. En dan moet ik vooral niet aan mijn gezicht laten zien dat ik geïrriteerd ben. Want ja…” – Sander Donkers in gesprek met Anousha Nzume in de Volkskrant.

‘Willem Oosterbeek weet veel en etaleert dat gretig zonder al te uitsloverig te worden. Het boekje gaat over nootmuskaat, zeker, maar onder nog veel meer ook over Darwin en Wallace, al dan niet gewenste penisvergrotingen, wisselkoersen bij de VOC en zeebevingen. Van vrijwel alles in dit boekje had ik nog nooit gehoord. Nu dus wel. Goed geschreven en leuker dan het lijkt.’ – Jeroen van Merwijk in de Volkskrant.

‘Wesseling is gul met zijn kennis van alle Franse bijzonderheden waarvan we in Nederland weinig weten: de grandes écoles, de macht van de kerk, het diepe conservatisme op het platteland, het Franse socialisme. Tussendoor verweeft hij de wederwaardigheden van zijn drie hoofdpersonen kunstig met de grote gebeurtenissen van de eeuw, links en rechts, revolutie en contrarevolutie, geweld en de herinnering aan geweld; Ary Scheffer en de monarchie, Psichari en het nationalisme, en daartussen Renan en de strijd tussen kerk en staat.’ – Martin Sommer in de Volkskrant.

“Ik merk hoe gemakkelijk het is om kinderen over te laten aan apparaten als iPads en computers en dat je als ouder maar heel beperkt controle hebt over wat ze tot zich krijgen. Zodra kinderen zelf de afstandsbediening kunnen bedienen en een computer aan kunnen zetten – en dat is al heel jong – zijn ze overgeleverd aan een informatiestroom die ze niet naar waarde kunnen schatten. Waarbij ze geen onderscheid kunnen maken tussen waar en onwaar, hoofd- en bijzaak, onbelangrijk en belangrijk, feiten en meningen ,of feit en fictie. Te veel informatie waar je niets mee kunt stompt je af, waarschuwt Rousseau.” – Daan Roovers in gesprek met Marjon Bolwijn en Laura de Jong in de Volkskrant.

‘Van Lieshouts vrees dat hij vooroordelen bevestigt is onterecht: zijn verhaal is veel meer dan een pro- of contra-bijdrage aan het debat over pedofilie. Het is een schitterend boek geworden. Ontroerend, soms ook keihard en schokkend, en gelukkig ook vaak grappig. Van Lieshout pleit niemand vrij, ook het kind niet. Dat is weliswaar beslist niet schuldig, maar voelt zich wel schuldig én medeplichtig. Als je die gevoelens ontkent, schrijft Van Lieshout terecht, neem je die kinderen niet serieus.’ – Aleid Truijens in de Volkskrant.

De cowboykampioen is een roman vol bravoure, die bij prettige vlagen leest als een actiefilm. Bijvoorbeeld als Xilonen Libero’s vlucht over de rivier naar Amerika beschrijft, in swingend proza, waardoor je in verbazing nog meer met je neus op de feiten wordt gedrukt: wat een hel! Maar nog meer wanneer Liborio moet vechten of wegrennen: ja, aan zoveel snelheid en kunde in het beschrijving van angst en woede en verwondering kunnen veel schrijvers nog een puntje zuigen. Lekker.’ Roos van Rijswijk in NRC Handelsblad.

‘Teleggen weet het tobben van de creatieve geest goed te vatten. Al eerder schreef hij over dieren die op een menselijke manier door het leven ploeteren. Zo kennen we de eenzame egel, de ambitieuze olifant en de depressieve krekel. Gaan die guitige karakterschetsjes op den duur niet vervelen? Nee. Om de reden dat wat Tellegen doet, geen trucje is. Zijn stijl, fijntjes maar niet te zoet, een tikje braaf maar nooit gewoontjes, blijft boeien en ontroeren, en is altijd treffend. Dat krijg je met foefjes niet aan elkaar, wel met vakmanschap.’ – Bo van Houwelingen in de Volkskrant.

‘Het is een bijzonder verhaal, over twee drieste maar argeloze meisjes van in de twintig, die in de vroege jaren vijftig – toen jonge vrouwen zo ongeveer niets alleen mochten ondernemen – over de wereld dwalen. Ze liften, logeren bij vreemden en verdienen de kost met het zingen van Hollandse liedjes, al dan niet geïnspireerd op Hawaii of Oostenrijkse jodelahiti. Ze komen terecht in Marokko, Congo, Brazilië, Mexico, in 62 landen in totaal. Zo beleven ze kort na de oorlog hun eigen bevrijding.’ – Aleid Truijens in de Volkskrant.

‘De korte roman is de perfecte introductie op het modernistische oeuvre van Lispector: veel van haar thema’s (zoals het mystieke en de confrontatie tussen verschillende klassen) zijn aanwezig, haar vreemde, ultiem-vrije taal met onverwachte interpunctie, […] Bijna elke zin is een explosie […].’ – Persis Bekkering in de Volkskrant.

‘”Ik ben bijna vier jaar met dit boek bezig geweest. Tijdens het proces waren er momenten dat het moeilijk ging, dat ik vastzat en me afvroeg hoe anderen het zouden doen. Er was zelfs een fase dat ik een uur per dag met pen de grote schrijvers overschreef, om maar te voelen hoe zij ritme creëren, overgangen maken.”‘ Maarten Moll in gesprek met Nhung Dam in Het Parool.

Lampje is een ge-wel-dig boek waarvan je hoopt dat het wordt voorgelezen aan op z’n minst alle zesde- en zevendegroepers, op school of thuis.
Gegarandeerd genieten.’ – Bas Maliepaard in Trouw.

‘Wie Hettinga gaat lezen doet er goed aan alle zintuigen open te stellen. Om te zien, te horen, te ruiken, te voelen. Om onderdeel te worden van het werk en zo met de dichter aan de Friese kust te staan: “Tegen de wind van de zee in roepen wulpen / De dag uit de schulp van de nacht tevoorschijn.”‘ – Janita Monna in Trouw.

Babylon is misschien het beste dat Yasmina Reza tot nu toe schreef. Het bevat alle elementen die haar oeuvre kenmerken: spitsvondige dialogen, aforismen, humor en een feilloos gevoel voor timing – ook in haar romans is de toneelschrijver nooit ver weg. […]
De compositie is ijzersterk. Dat merk je pas als je terugbladert en begint te herlezen. Het lijkt een onsamenhangend geheel van Elisabeths herinneringen, associaties met de straatfotografie van Robert Frank, gesprekjes en gebeurtenissen voor en na het drama. Het motto van fotograaf Gary Winogrand voorin is toepasselijk: “The world is not a tidy place. It’s a mess. I never try to put it in order.” Reza heeft deze bende op een ongeordende manier geordend. Zodat we ons ondanks alles getroost voelen.’ – Wineke de Boer in de Volkskrant. 

‘De gedichten van Ilse Starkenburg doen er niets aan om op te vallen. Ze zijn niet schreeuwerig, ze maken geen gebruik van ingewikkelde zinsconstructies. Aan het woord is iemand die liever geen contact zoekt met de buitenwereld. De stem is zeker en de weifeling een ander de hand te reiken is bekend terrein. In die aarzeling ligt een heel leven besloten.’ – Maria Barnas in de Volkskrant.

‘Te Gussinklo pleit met humor en grote intensiteit voor een ander soort literatuur, voor taal die stottert en tast, die lispelt en boert. Vaak is het bot en lelijk, net als de seksistische hoofdpersoon, maar het daagt uit. Te Gussinklo rekt de grenzen van de literatuur op. En zo krijgt zijn hoofdpersoon alsnog, in de realiteit, zijn wraak.’ – Persis Bekkering in de Volkskrant.

Alles wat ik me niet herinner gaat gaandeweg over uitsluiting, discriminatie en maatschappelijke klasse, meer dan je als lezer aanvankelijk doorhebt. Heel subtiel weeft de schrijver deze thema’s door zijn roman heen, in kleine, veelzeggende scènes. Even subtiel en indringend verkent hij in zijn roman de onbetrouwbaarheid van het geheugen en het ongrijpbare van menselijke identiteit. Paradoxaal genoeg wordt Samuels identiteit met elke getuigenis vager. Van hem blijft niets méér over dan de vertekende herinneringen van anderen aan wie hij al dan niet was.’ – Sofie Messeman in Trouw.

‘Zandberg is sterk in pijnlijk komische scènes en speelt het oplopende conflict tussen prietpratende managers en lamgeslagen docenten vakkundig uit.
[…]De rendementsdenker is een vlot geschreven klucht.’ – Gerwin van der Werf in Trouw.

‘Mocht u een scheiding overwegen waarbij thuiswonende kinderen betrokken zijn dan verdient het aanbeveling het derde hoofdstuk van Gemeengoed te lezen. In de zevende roman van Ann Patchett (die hier schandalig weinig gelezen wordt) wordt tot in de pijnlijkste finesses de realiteit van twee in elkaar geschoven gezinnen beschreven. Ouders die vooral met zichzelf bezig zijn en de kinderen aan hun lot overlaten. Pratchett volgt alle betrokkenen vanaf de scheiding, in de jaren zestig, tot het heden, heen en weer springend in de tijd. De onderlinge relaties ontwikkelen zich anders dan verwacht, mede dankzij een groot drama dat de zes kinderen tot bondgenoten voor het leven maakt.’ – Katja de Bruin in VPRO Gids.

‘De roman is een ingenieuze, duizelingwekkende compositie van verhalen in verhalen in verhalen […].
Met deze roman (alweer zijn vijfde die hier in vertaling verschijnt) maakt Juan Gabriel Vásquez waar dat hij in Colombia en op de rest van het Latijns-Amerikaanse continent al jaren beschouwd wordt als “de opvolger” van zijn legendarische landgenoot Gabriel García Márquez.’ – Alle Lansu in Trouw.

‘Ernaux is de onbetwiste heldin van de autofictie: scherp, zonder mededogen, met “het grote herinneringsvermogen van de schaamte” als de drijvende kracht, legt ze zichzelf keer op keer onder de loep. Dat pakt in dit boek bijzonder goed uit.’ – Wineke de Boer in de Volkskrant.

Het diner van Trimalchio is een hilarische ode aarde losbandigheid en waanzin. langzaam en opgewekt verliest de verteller zijn decorum. Dat duurt bijna 80 pagina’s, tot hij getuige is van een scène waarvan hij zo “compleet onpasselijk” wordt dat hij het feest ontvlucht.
Jammer, want het krankzinnige en meeslepende banket had nog veel langer mogen duren.’ – Nadia Ezzeroili in de Volkskrant.

‘De lezer voelt: hier gebeurt heel veel, al lijkt dat ogenschijnlijk niet zo. Het is winter, het wordt zomer. Een liefde ontluikt, herinneringen worden opgehaald. Een ochtendje zwemmen in zee met Blindman, samen dobberen op de golven. “Voor even zijn we elkaars gelijken, met de ogen dicht is er geen hemel, geen strand, alleen maar het water dat ons draagt.” Het grootse van deze kleine roman schitterschuilt tussen de regels, voor wie het wil zien.’ – Bo van Houwelingen in de Volkskrant.

‘Sommige babyboom-ouders hebben iets goed te maken, ze voelen zich schuldig over de relationele puinhoop die ze van hun leven hebben gemaakt. Ze zien heus wel dat het hun nageslacht nooit aan iets heeft ontbroken. Ze worden vriendjes met hun kinderen. De wereld draaide om hen, de diep gewenste prinsen en prinsessen. Waarom zouden die nu ineens dankbaarheid moeten tonen? Aan de andere kant: wanneer houdt dit op? Mogen ouders ook eens nee zeggen? Groen en Vuijsje schetsen dit emotionele mijnenveld zeer herkenbaar, met warmte, humor én verstand.’ – Aleid Truijens in de Volkskrant.

‘En dan heeft deze roman nog een andere kwaliteit, want bijna niemand verschaft je zo’n scherp inkijken in het milieu van die eerste generatie van de Sovjet-elite als Malaparte. Zijn beschrijvingen van de enorme bouwput die Moskou in die jaren was (‘Een gruizend hijgen van machines”) en van de menigtes op straat (“De treurige glans in de ogen van de jonge arbeiders die tegen de avond in de trams en op de bankjes van de parken zaten te lezen […] bezorgde me een buitengewone ontroering, deed me huiveren”), zijn zelfs ongeëvenaard.’ – Michel Krielaars in NRC Handelsblad.

‘Met zijn vertrouwde bevlogenheid heeft Kieft een lezenswaardig boek geschreven met nieuwe inzichten en zelfs enkele persoonlijke ontboezemingen. Zo erkent hij openhartig dat ook hij vatbaar is voor “oorlogsromantiek” en Hitlers kritiek op het humanisme deelt. Het racisme en antisemitisme in Mein Kampf wakkerden daarentegen juist zijn verdedigingsmechanismen aan.’ – Robin te Slaa in NRC Handelsblad.

‘Precies vijftig jaar na het verschijnen beschrijft Peter Bruyn de totstandkoming van het album. In zijn inleiding legt hij uit waarom deze volgens hem revolutionaire en verontrustende plaat zo belangrijk is. “Omdat de popcultuur en de kunstwereld er samenkomen,” aldus Bruyn. “Niet geforceerd, maar symbiotisch.”‘ – Sietse Meijer in NRC Handelsblad.

‘Toch is Hoe vrij zijn wij? een hoopvol en intelligent pleidooi voor een progressieve toekomst waarin creatieve vrijheid centraal staat. Daaronder verstaat Martinez de vrijheid zelf te onderzoeken wat van waarde is.’ – Janita Naaijer in Trouw.

Madonna in bontjas is een naturalistische roman zoals men die in Turkije halverwege de twintigste eeuw nog nooit had gelezen – die laat zien dat ook een ogenschijnlijk onbeduidende man een rijk gevoelsleven kan hebben, en daarmee een zinvol leven. Geen slechte boodschap voor een land met een zwak voor werk leiders.’

‘Baird spaart haar onderwerp nergens, maar een biografie vol debunking is het evenmin geworden. Ze schetst een genuanceerd portret, dat bovendien leest als een trein. De ondertitel suggereert onterecht een boulevardpersachtige insteek. Zo’ boek schreef de Australische niet.’ – Paul van der Steen in Trouw.

Acht maanden in de Gazastraat is geïnspireerd door Mantels eigen leven. In werkelijkheid woonde ze zo’n vier jaar in Djebba. Ze was toen al schrijfster, dus had ze in elk geval een bezigheid. Het boek laat zien hoe ze die periode vermoedelijk heeft volgehouden: door deze vreemde wereld níét de hare te laten worden. Distantie dus, gecombineerd met ironie. Vooral in het begin van het boek blijven de luiken letterlijk en figuurlijk dicht. Een heel goede zet, blijkt verderop: als lezer ben je dusdanig meegegaan in Frances’ vervreemding dat de langzaam onthulde realiteit met extra kracht binnenkomt.’ – Vrouwkje Tuinman in Trouw.

‘Twee totaal verschillende schrijvers, Campert & Campert, en juist daarom is dit zo’n leuk gelegenheidsboek, het slingert je van het een naar het ander, van ernst naar weemoed naar lichtheid. Alsof je in de voorraadkamer van de literatuur mag snuffelen.’ – Rob Schouten in Trouw.

‘Hoeks schrijft het niet met zo veel woorden, maar hij schetst Schaefer als het soort politicus dat tegenwoordig “populistisch” wordt genoemd. Steeds weer keerde hij zich tegen de elite, niet alleen tegen machtige ambtenaren maar ook tegen zijn hoogopgeleide partijgenoten (“geparfumeerde drollen”) die in de jaren zeventig steeds meer de dienst gingen uitmaken in de PvdA.’ – Bernard Hulsman in NRC Handelsblad.