Nieuwe website op komst

Werk in uitvoering.webimage
ONZE WEBSITE WORDT VERNIEUWD!

Wij zijn bezig met een nieuwe website die over enkele weken gelanceerd zal worden. Helaas kunnen er vanwege deze werkzaamheden op dit moment geen e-books meer besteld worden op onze huidige site. Ook het bestellen van fysieke boeken gaat daarom niet altijd even vlekkeloos.
Maar niet getreurd, we kunnen de meeste boeken nog altijd gewoon voor u bestellen, ook voor thuislevering! 
Stuur ons een bericht via info@linnaeusboekhandel.nl of bel ons op 020-4687192 en vraag naar de mogelijkheden.
Wilt u op de hoogte blijven? Meld u hier aan voor onze nieuwsbrief of volg Linnaeus Boekhandel op Instagram, Twitter en Facebook.

BOEKEN IN DE MEDIA

“Ik was hier niet om een toeristische brochure over Urk te maken. Ik wilde schrijven over wat er nu aan de gang is, en over de schaduwkanten van die sterke identiteit. Er is een vast metrum waarnaar men zich dient te schikken. Vragen worden zelden gesteld. Het dorp probeert krampachtig de status quo te behouden. Je kunt niet zomaar iets zeggen. Dat heeft repercussies. Daarom wilden veel mensen alleen anoniem meewerken.
De Urker wist op den duur niet meer wat ik allemaal wist. Ik kwam bij zo veel verschillende families, die niet bij elkaar over de vloer kwamen omwille van hun verschillende religieuze opvattingen. Ik wist zo veel persoonlijke dingen over mensen. Iemand met slechte bedoelingen had een heel ander boek kunnen schrijven. Maar ik schrijf geen boek om mensen te schaden. Ik ben ze zeer erkentelijk voor alles wat ze mij wilden vertellen en ik kan iedereen recht in de ogen kijken. Dit is wat ik heb gezien en heb meegemaakt. Dit is het dorp Urk zoals ik het heb ervaren.” – Matthias Declercq in gesprek met Katja de Bruin in de VPRO-gids.

“Ik denk dat de menselijke obsessie met herkomt wordt gezien als een constante in het leven, waarvoor de aandacht, nu zoveel mensen op de been zijn, nog is toegenomen. Voorheen werden mensen vaak op één plek geboren, gingen er naar school, werkten op het land, gingen er dood – zoals in het dorpje Oskorusa, het dorp van mijn voorouders dat ik beschrijf. Pas sinds de jaren tachtig trekken de mensen daar weg, op zoek naar een betere plaats om te leven, waar het werk misschien minder fysiek uitputtend is, waar er misschien iets anders, iets méér van het leven te maken is. De vraag waar je toe behoort wordt anders beantwoord: ik behoor mezelf toe, en niet dit land, ik behoor mezelf toe, en niet dit dorp. Ik behoor mijn toekomst en die van mijn kinderen toe, en niet deze akker. De vraag wordt: waar wil je zijn, en niet, waar was je altijd al. Maar die vraag wordt in een andere context helemaal niet gesteld: je zit in een oorlog en moet vluchten, en dan is de vraag, waar kan ik überhaupt zijn, wie neemt me op.
Wat voor wezens zijn we geworden, wij moderne mensen, waarom moeten we steeds van a naar b? Wat doet dit versplinterde toebehoren met ons? Mijn grootmoeder van vaders kant is nooit ver van Visegrad geweest. En mijn biografie is er eentje zoals die van miljoenen mensen die moesten vluchten. Ik zou nu, als schrijver, met een studeerkamer in Hamburg, overal kunnen werken en me overal thuis kunnen voelen. Tegelijkertijd zitten er mensen op Lesbos op hun hurken in de modder. Deze extremen moet ik als schrijver onderzoeken.” – Saša Stanišic in gesprek met Nynke van Verschuer in NRC Handelsblad.

‘Zo worden de diepere gronden van Ewouts persoonlijkheid blootgelegd. Te Gussinklo cirkelt om zijn hoofdpersoon heen, als een roofdier bijna, om te achterhalen hoe hij functioneert, en onderwerpt hem daartoe aan allerlei moeilijkheden: een problematische liefde, complexe seksualiteit, de afwijzing van zijn eerste roman en boven alles de huiveringwekkende indoctrinatie door professor Somsen, die Ewout stript van alle eigenschappen die hem ooit tegen de wereld beschermden, hem afbreekt tot er bijna niets meer van hem over is. Dat het ditmaal menens is, toont Te Gussinklo ook in zijn stijl, die meer dan ooit compromisloos, striemend en afmattend is. Opdat je voelt hoe het is om Ewout Meyster te zijn, tot op het bot.’ – Bo van Houwelingen in de Volkskrant.

‘Met Confrontaties maakt Atangana Bekono de hoge verwachtingen waar: het is een bijzondere roman en ik-verteller Salomé, de jongste dochter van een Kameroense vader en een Nederlandse moeder, is een boeiend personage.
[…] De vorm van Confrontaties mag conventioneel zijn, de stijl is dat niet; soepel wisselt Atangana Bekono tussen registers, de dialogen zijn snedig en door de timing en het ritme zijn de (straat)taaluitingen van jongeren geloofwaardig en welklinkend.’ – Koen Schouwenburg in de Volkskrant.

‘Sommige dichters zijn beruchter dan hun gedichten. Zo ook Yahya Hassan, die met zijn rauwe debuut internationaal hoge ogen scoorde en overal ter wereld optrad met zijn monotone, bezwerende voordracht. Men zou bijna vergeten zijn geidchten te lezen.
De dichtregels van Hassan schokken, in inhoud en vorm. Ze doen denken aan leuzen die in een noodsituatie op een muur zijn gekalkt. Consequent weergegeven in hoofdletters, drammen ze maar door en dreunen ze nog lang na. Ze doen geen poging te behagen met metrum, klank, of poëtische conventies. Het zijn kreten van een in het nauw gedreven, woedende geest, die aandacht eisen en deze weten vast te houden.’ – Maria Barnas in NRC Handelsblad.

‘Alweer een boek van Ian Buruma en alweer is het a good read. De afgelopen veertig jaar was deze auteur, in 1951 geboren als zoon van een Nederlandse vader en een Brits-Joodse moeder, goed voor zo’n twintig titels, in het Engels geschreven en menigmaal internationaal bekroond. Hij is een man van de grote greep, een generalist die in de Aziatische wereld even goed thuis is als in de westerse. Met speelse hand legt hij verbanden tussen geschiedenis en actualiteit, tussen politiek en cultuur.
Zijn nieuwe boek, Het Churchillcomplex, is een geschiedenis van de Engels-Amerikaanse relatie sinds de Tweede Wereldoorlog. Over dit onderwerp is al heel wat geschreven. Nieuw is de wijze waarop Buruma het verhaal vertelt: met een scherp oog voor machtsverhoudingen, een fijne neus voor politieke finesses en vooral een intense aandacht voor de menselijke factor.’ – Ronald Havenaar in NRC Handelsblad.

‘In de nieuwe Huygens-biografie Een eeuw van licht van journalist en auteur Hugh Aldersey-Williams komen al die aspecten aan bod, zonder dat het ergens te technisch of te wetenschappelijk wordt. Het vlot geschreven boek (mooi vertaald door Ineke van den Elskamp en Gertjan Wallinga) plaatst Huygens als een gedreven natuurvorser in het roerige Europa van de Renaissance – de periode waarin voor het eerst een wiskundige basis werd gelegd onder de ‘natuurlijke filosofie’, zoals natuurwetenschap tot die tijd vaak werd genoemd.
[…] Ja, er is een mooi museum ingericht in Hofwijck in Voorburg, waar Christiaan Huygens de laatste jaren van zijn leven doorbracht, en ja, oudere lezers kennen hem nog van het briefje van 25 gulden, maar het blijft enigszins beschamend dat de meeste Nederlanders geen idee hebben wie hij was. Hopelijk kan Een eeuw van licht bijdragen aan de herwaardering van de grootste wetenschapper die ons land heeft voortgebracht.’ – Govert Schilling in de Volkskrant.

Een man met goede schoenen, Van Essens eerste boek sinds hij Librisprijswinnende De goede zoon, past perfect in zijn oeuvre, waarin verhalenbundels, autobiografische non-fictie en romans elkaar op een vanzelfsprekende manier afwisselen. Van Essen is alleen al een zeldzaamheid doordat hij zich in elk van die genres even goed thuis lijkt te voelen.
[…] Een waardige opvolger van De goede zoon, en een sterke toevoeging aan een volstrekt eigenzinnig oeuvre, dat hoogstens hier en daar aan het beste werk van George Saunders doet denken. Maar eigenlijk is Van Essen nóg beter.’ – Dries Muus in Het Parool.

“Als ik dan hier in de bossen van Astoria, Oregon weer terugkwam, de bergtoppen zag en de geur rook van het woud en de oceaan, ervoer ik dat letterlijk als een gevoel van welbehagen. En vrijheid. Daarom wilde ik mijn lezers de grandeur, de duisternis en het mysterie van de wouden laten zien – en de keerzijde: hoe de mensen dat mysterie in hun drang naar ontwikkeling en verrijking verwoesten.” – Karl Marlantes in gesprek met Marjolijn de Cocq in Het Parool.

“Dr. Clavan was Oost-Europa-deskundige en maakte voor het eerst zijn opwachting in 1989, na de val van de Muur. Toen was hij technisch werkloos geworden, want het hele oosten van Europa viel uit elkaar in allerlei aparte staten. Clavan was gebaseerd op het stereotype figuur van ‘de deskundige’ uit actualiteitenrubrieken. Zijn kenmerk is dat je nooit ook maar iets wijzer van hem wordt: hij herformuleert de vraag die hem wordt gesteld, husselt het door elkaar, en dat was dan zijn antwoord.
Ook in de coronacrisis zie ik regelmatig een dr. Clavan-achtig type opduiken. Vorige week nog werd op tv een professor een vraag gesteld over het nieuwe vaccin. Die man ging de vraag heel stroperig en traag herformuleren. Er kwam geen antwoord. Toen dacht ik: heeft hij Van Kooten en de Bie nooit gezien?” – Richard Groothuizen in gesprek met Joris Henquet in de Volkskrant.

“Ik besloot het verhaal van het huis te schrijven vanaf het moment dat ik Gent verliet, in 1999, omdat mijn vrouw Sigrid Bousset de grote stad miste waar ze was opgegroeid. Ik wilde mijn herinneringen aan het huis vastleggen. Aan wat zich er allemaal had afgespeeld in de jaren tachtig en negentig. Vrienden, liefjes, tragedies. Ik had de buurt zien veranderen van volks en vervallen naar hip en trendy. Aan zo’n boek als La casa della vita, Het huis van het leven van Mario Praz, ben ik ook begonnen, maar daar schiet inmiddels geen tien procent van over. Ik heb wel vijf versies geschreven. Ik heb gevloekt op dit boek als nooit tevoren.
[…] Oorlog en terpentijn en dit boek reiken elkaar de hand. Je ziet Willem Verhulst, de SS-er die dit huis in de oorlog bewoonde, in de kroegen zitten, terwijl mijn grootvader in de loopgraven zit. De goede lezer beseft dat wel. De jonge Verhulst doet alsof hij niet goed weet wat zich in de Eerste Wereldoorlog heeft afgespeeld. De lezer weet: Stefans grootvader stond daar doodsangsten uit.’
[…] Ik dacht: als ik ook maar één historisch foutje maak in mijn roman, springen ze in mijn nek en roepen dat het allemaal gelogen is. Er zijn nog altijd negationisten. Toch wil ik niet gedoodverfd worden als iemand die een tendentieus boek heeft geschreven. Ik veroordeel niet. Ik laat het leven zien van een door de oorlog verscheurde familie.” – Stefan Hertmans in gesprek met Onno Blom in de Volkskrant.

‘In 1896 overleed de Zweedse dynamietkoning Alfred Nobel in zijn paleis in San Remo en liet zijn fortuin na voor de grootste prijs ter wereld. Traditioneel worden de prijzen uitgereikt op zijn sterfdag, 10 december. Nog steeds geldt de Nobelprijs als de hoogst denkbare eer voor wetenschappers, literatoren en wereldverbeteraars. Het zijn de onvermijdelijke journalistieke steekwoorden in de aanloop naar de jaarlijkse aankondigingen van de Nobelprijzen: dynamiet, Zweden, fortuin, testament. Komende week, de eerste van oktober, is het weer zover.
Maar het had geen haar gescheeld of er was helemaal geen Nobelprijs geweest, zo blijkt uit de fascinerende nieuwe en kloeke biografie van Alfred Nobel van de Zweedse onderzoeksjournalist Ingrid Carlberg. Vier jaar lang bestudeerde ze iedere snipper in elk denkbaar archief en nu schetst ze een indringend beeld van een eenzame, ziekige uitvinder en ondernemer, die eigenlijk liever schrijver of dichter was geworden.’ – Martijn van Calmthout in de Volkskrant.

“Het ging eigenlijk vanaf het begin goed. Ze vonden me binnen de partij kennelijk een pienter kereltje. En als oppositieleider tegen het kabinet-Den Uyl liet ik me ook zien. Het grappige was dat Den Uyl dacht: ‘hij roept dat ik een ramp voor het land ben, maar het is wél een aardige jongen.’ En ik waardeerde Den Uyl op mijn beurt ook. De gunfactor is in de politiek cruciaal. Zolang die er is, kun je de meest afschuwelijke dingen tegen elkaar zeggen. Tegenwoordig spelen ze allemaal veel meer op de man. Als je er een tijd uit bent, heb je de neiging om te zeggen: vroeger was het beter. Maar dat wás ook zo. Het mooiste wat mij is overkomen is dat ik bij de presentatie van de biografie van Marcus Bakker door de familie gevraagd werd om te spreken. Dus de aanvoerder van de VVD spreekt bij de leider van de communisten. Dat is toch prachtig? We stonden politiek ver van elkaar af, maar we waardeerden elkaar. Datzelfde had ik met Fred van der Spek. Die reed regelmatig in mijn dienstauto mee terug naar Amsterdam. Al riep hij wel altijd: ‘tegen niemand zeggen, hoor’”. – Hans Wiegel in gesprek met Coen Verbraak in NRC Handelsblad.

‘Zonder de woorden migratie of klimaat überhaupt in de mond te nemen, denderen de grote thema’s van nu door Cournuts roman. IJskappen scheuren en smelten, toendra’s verbergen geheimen, rivieren trekken hun eigen plan. De natuur is een levend, krachtig wezen. Wie het met haar aan de stok krijgt, komt nog voor verassingen te staan.’ – Margot Dijkgraaf in NRC Handelsblad.

“Ik heb voor 1967/1968 gekozen omdat de muziek toen zó geweldig was. Het was een bijzonder moment: achttien maanden lang opende zich een raam naar nieuwe mogelijkheden en kon je er iets utopisch door zien. Ik heb het niet zelf doorleefd, maar een roman is een tijdmachine waarmee je er kunt zijn, op die straten en bij die gigs, het is het dichtstbij dat ik er kan komen.” – David Mitchell in gesprek met Sander Pleij in de Volkskrant.

‘Een des te slimmer verhaal over vrouwen, (vrouwelijke) seksualiteit en feminisme.’ – Hanneke de Klerck in de Volkskrant.

‘Zijn pennestrijd, het gerommel in al die tijdschriftjes, de boutades tegen vergeten schrijvers lijkt van weinig betekenis. Toch heb ik veel stukken ademloos zitten lezen. Ze zijn lang niet allemaal goed, soms deprimerend, soms giftig. Maar ze geven je het gevoel dat de literatuur net zo belangrijk is als het leven. Dat alles nog moet beginnen.
Dat waren nog eens tijden.’ – Onno Blom in de Volkskrant.

“Het is inderdaad een sleutelroman over de muziekindustrie, en veel is autobiografisch. Het was zeker niet de bedoeling om mensen te beledigen maar ik wilde bepaalde zaken wel aankaarten.
[…] De wereld is geobsedeerd door commercie en cijfers. Niet alleen de streaming- en muziekwereld maar ook de journalistiek, die op zoek is naar clicks, of denk aan Instagram en andere sociale media. En kijk naar middelbare scholieren die overspannen worden omdat ze hoge scores moeten halen. We zijn allemaal betoverd door het kapitalisme en het competitiedenken dat daaruit voortvloeit. Het is deel van onze traditie geworden en dat vind ik jammer. En ja, dit is echt een beetje de moraal van mijn verhaal.” – Dieuwertje Heuvelings in gesprek met Robert van Gijssel in de Volkskrant.

‘De ene jeugdherinnering is nog treuriger dan de andere. Maar het wonderlijke van Snijders manier van vertellen is dat al die grauwheid ook iets onbedaarlijk komisch krijgt, terwijl hij daar nooit op uit lijkt te zijn. Hij mikt niet op de lach, ook niet op medeleven – maar weet ze steeds weer op te wekken. Snijders zinnen zitten vol rake, verhelderende beelden en goedgekozen sprekende details. Daardoor wordt haast elke gemoedstoestand, ervaring of terugblik pijnlijk invoelbaar.’ – Dries Muus in Het Parool.

“Er is de tendens onder mensen die boven aan de maatschappelijke ladder zijn beland om te denken dat hun succes door hun eigen toedoen en verdienste komt. De bovenlaag heeft te weinig oog voor het feit dat succes óók komt door zaken als toeval, geluk, aanleg, de juiste omstandigheden en ouders en docenten die je de weg wijzen. De elite denkt dat ze haar succes uitsluitend aan zichzelf te danken heeft, waardoor ze geen enkele dankbaarheid en nederigheid voelt. Deze manier van naar succes kijken heeft gezorgd voor wat ik een meritocratische verwaandheid noem. Mensen die het maken, denken dat zij hun succes zelf hebben verdiend en vinden dat de achterblijvers hun lot aan zichzelf hebben te wijten. De laagopgeleide arbeidersklasse heeft het gevoel gekregen dat de hoogopgeleide elite vol minachting op hen neerkijkt. Deze vernedering heeft, denk ik, gezorgd voor de huidige polarisatie. Want niemand vindt het leuk om geminacht te worden.
[…] Als het gaat om het bestrijden van ongelijkheid, richt de politieke retoriek zich nu veel te veel op het opklimmen op de maatschappelijke ladder en het behalen van een universitair diploma. Ik ben voorstander van het aanmoedigen van toegang tot hoger onderwijs, ik doceer al veertig jaar op de universiteit, maar het is te bekrompen om alleen maar daarop te focussen. Het veronachtzaamt het werk dat wordt gedaan door mensen die geen hoger onderwijs hebben gevolgd; dan heb ik het over ongeveer tweederde van de volwassen Amerikaanse bevolking.” – Michael Sandal in gesprek met Laura de Jong in de Volkskrant.

“Naast de vele ideeën en opvattingen over taal en politiek die ik in dit sprookje heb verwerkt, heb ik vooral geprobeerd een avontuurlijk verhaal te maken dat leuk is om te lezen. Eerder opbeurend dan tragisch, want mijn eerste verantwoordelijkheid als schrijver is om mijn lezer een goede tijd te bezorgen. Alles wat onderweg aan kennis en inzicht wordt meegepikt, beschouw ik als bonus.
Nou vooruit, natuurlijk draait dit boek om grote thema’s als vrijheid, onderdrukking en censuur.” – Michael Faber in gesprek met Pieter Sierksma in Het Parool.

‘Mij blijft ontgaan waarom het land der letteren zou moeten voldoen aan eisen die gelden voor een parlementaire democratie – waar iedere bevolkingsgroep recht heeft op representatieve vertegenwoordiging. Zoals me ook ontgaat waarom ‘meer variatie’ in achtergrond vanzelfsprekend zou leiden tot een ‘hogere algehele kwaliteit’. Een goeie schrijver is een goeie schrijver, punt uit.’ – Elma Drayer in de Volkskrant.