43.067 resultaten

In mijn mand

In mijn mand, de derde bundel van Lieke Marsman, behandelt de grootste thema’s die het menselijke bestaan kenmerken: de waarde van het leven en de plek van de dood in een mensenleven. Hoe leef je met een levensbedreigende ziekte? Hoe verandert dat je blik op de wereld, op wat van waarde is, op wat je je herinnert en het verloop van de tijd? En hoe verhoud je je tot de wereld in dergelijke omstandigheden? Trek je je eruit terug, of laat je je juist gelden en houd je die wereld een spiegel voor? Lieke Marsman kiest resoluut voor het laatste. Lieke Marsman is Dichter des Vaderlands 2021-2022.

Vaarwel

Begin jaren vijftig woonde Lucebert in bij zijn vriend en mede- Vijftiger Bert Schierbeek en diens vrouw, Frieda Koch. In de woning aan de Amsterdamse Van Eeghenlaan raakte Lucebert in de ban van Frieda. Er ontstond een ingewikkelde driehoeksverhouding, en Schierbeek besloot zijn eigen huis te verlaten; Frieda en Lucebert bleven samen achter. In 1952 vond Frieda een nieuwe liefde. Toen die bij haar introk, moest de zevenentwintigjarige Lucebert halsoverkop verhuizen, waarbij hij veel dicht- en tekenwerk achterliet. Dat werk raakte in de vergetelheid en is pas nu herontdekt. vaarwel. achtergelaten gedichten bevat gedichten die Lucebert tussen 1949 en 1952 schreef en toont de jonge dichter van zijn meest lyrische, verliefde en verlangende kant. Ook is er de speelse maar bloedernstige taalbarok die naar de hemel reikt én langs de afgrond scheert. Puntgaaf als de gedichten zijn passen ze prachtig in Luceberts vroege oeuvre. Deze uitgave, verrijkt met tekeningen uit dezelfde periode, is een grote literaire gebeurtenis.

The Hill We Climb

A special edition of the poem "The Hill We Climb," read at the inauguration of the 46th president of the United States, Joe Biden, on January 20, 2021 On January 20, 2021, Amanda Gorman became the sixth and youngest poet, at age twenty-two, to deliver a poetry reading at a presidential inauguration. Her inaugural poem, "The Hill We Climb," is now available to cherish in this special edition. Amanda Gorman’s powerful and historic poem “The Hill We Climb,” read at President Joe Biden’s inauguration, is now available as a collectible gift edition. “Stunning.” —CNN “Dynamic.” —NPR “Deeply rousing and uplifting.” —Vogue On January 20, 2021, Amanda Gorman became the sixth and youngest poet to deliver a poetry reading at a presidential inauguration. Taking the stage after the 46th president of the United States, Joe Biden, Gorman captivated the nation and brought hope to viewers around the globe. Her poem “The Hill We Climb: An Inaugural Poem for the Country” can now be cherished in this special gift edition. Including an enduring foreword by Oprah Winfrey, this keepsake celebrates the promise of America and affirms the power of poetry.

Iedereen moet ergens zijn

Het moment dat een kind opeens weet: ik besta. Weinigen weten de taal te vinden om die ervaring op te schrijven; Tjitske Jansen kan dat. Kraakhelder: ‘Als elfjarige kwam ik op een middag de trap af en wist ik dat ik er was en er niet meer zomaar niet kon zijn. Ik bestond. Daar had ik zelf niet zoveel over te zeggen.’ Zoals uit de titel zowel vervreemding als aanvaarding spreekt, zo is de ‘ik’ even ontredderd als wijs, even verward als begripvol. Die ‘ik’ is een kind dat zich vragen stelt. Over opgroeien, over haar lichaam, over God, over pleegouders, over de fietsenmaker, over zekerheden van anderen, over de tijd. ‘Ik was bijna tien. Dat was snel gegaan. Ik was dus eigenlijk al bijna twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig.’ Zo dreigend kan het besef van de eindigheid zijn. Zo onontkoombaar kun je dat opschrijven.

De honderd van Heytze

Op een podium geeft Ingmar Heytze zijn poëzie altijd extra glans. Hij draagt zijn gedichten niet alleen geweldig voor, maar vertelt er ook ter inleiding of uitleiding van alles bij. Heytze houdt zich daarbij ver van interpretatie van zijn eigen werk, dat is aan de lezer of luisteraar zelf, wat niet wegneemt dat hij in deze toelichtingen veel van zijn poëzieopvattingen en werkwijze prijsgeeft. In De honderd van Heytze brengt Heytze de favoriete gedichten bijeen uit zijn eigen, rijke oeuvre, voorzien van kleine, persoonlijke essays waarin hij toont niet alleen dichter te zijn, maar ook columnist, denker, lezer en grapjas. Heytze nodigt je uit in zijn universum als schrijver: van herinneringen aan een kortstondige loopbaan als management trainee tot anekdotes over memorabele optredens, het schrijven van zijn bekendste gedichten of bijzondere ontmoetingen met andere dichters en zijn lezers.

Hoe verschillig

Melancholie van het heden Het maakt niet uit haast waar je bent, een plein of stad, het weidse land, elk uitzicht spreekt je van voorbij. Of nooit geweest, maar toch gemist. Niet jij maar iets in je, wat voelt of meetrilt met muziek, zoekt in de lucht, de sloten, geur van hooi het landschap dat je kent in jou, dat óók zo blauw en zomers was. Het komt betoverend tevoorschijn: gelach van ouders, zingen op de fiets, de sprong het juichend water in. Niets sprak tot je zoals nu en zei - oh onterecht - dat alles wat je leeft slechts echo is, een naklank. Bijna echt.

Een krekel in mijn slaapzak

Op ontdekkingstocht in de natuur Het is hartje zomer. Mijn voeten zijn zo blij. Ze mogen in hun blootje. Mijn schoenen hebben vrij. Met je blote voeten op het gras, op je buik liggen kijken naar een mier, luisteren naar het gezoem van insecten, het plukken van de eerste rijpe framboos: buiten is er altijd iets te zien, horen, ruiken of proeven. Met haar versjes hoopt Suzanne Weterings kinderen te inspireren om meer en beter te kijken naar planten en dieren om hen heen. Want natuur is overal, in het bos, het park, je eigen tuin of balkon.

Eindig de dag nooit met een vraag

In de gedichten van Dorien de Wit is sprake van veel zoeken, van veel (en precies) kijken. Wat is een plek, waar ben ik en waar is de ander? Het gaat over de relatie tot een wereld die continu in beweging is. Het enige waar de dichter zeker van is, is de vaste grond onder haar voeten, tot zij zich realiseert dat die grond helemaal niet vast is, dat die grond zich verplaatst, al is het maar met een snelheid waarmee je nagels groeien. Het schrijven is een onophoudelijk houvast zoeken waar geen houvast bestaat.

Een baken voor een kind op zoek

De nieuwe stadsdichter van Middelburg Henri Looymans (1956)is benoemd in 2011. Zijn tweede bundel Een baken voor een kind op zoek is in juni 2011 gepubliceerd. De oorspronkelijke Tilburger studeerde Nederlands in zijn geboortestad en Mediëvistiek in Nijmegen. Na een korte periode in het onderwijs is hij sedert twintig jaar werkzaam in de zakelijke dienstverlening. Hij woont ruim 25 jaar in Middelburg.Zou jij mijn woorden willen zijn is zijn debuutbundel uit 2006. Beide bundels zijn mooi uitgevoerde gebonden boeken met een stofomslag en een leeslint.

Ik zeg Emily

Ik zeg Emily is het debuut van Yentl van Stokkum. Een bundel die zich tussen poëzie en spookverhaal in bevindt waarin een jonge dichter het graf bezoekt van een door haar geliefde schrijver en bezeten terugkeert. IK ZEG EMILY onderzoekt de grens tussen bewondering en liefde, bezwering en gedicht, reis en ritueel, maar vooral de delicate lijn tussen het zelf en de ander.

Word maar beter

Ziek zijn is niet leuk. Voor niemand. Niet voor jezelf en niet voor de ander. Een bosje bloemen, een fruitmand of een kaart is een lief gebaar, maar wat schrijf je daar dan op? Dit boekje staat vol met word-maar-beter gedichtjes. Om weg te geven, of om door te bladeren op zoek naar inspiratie. Met tekeningen van Fiep Westendorp, die als geen ander een vrolijke twist wist te geven aan een benarde situatie.

Drie oden van Álvaro de Campos

Sommige schrijvers of dichters hebben een pseudoniem, om zich te verhullen, om iemand anders te zijn, in hun papieren bestaan. Sommige schrijvers hanteren meerdere pseudoniemen. Een enkele schrijver of dichter gaat nog een stap verder: hij schept zich een heteroniem, een afzonderlijk mens, namens wie hij schrijft of die namens hem schrijft. Maar er is er maar één schrijver en dichter die twintig heteroniemen in de lucht heeft gehouden: Fernando Pessoa (1888-1935). 'Persona' betekent zijn naam in het Latijn, een woord met als een van de omschrijvingen: masker. Pessoa gebruikt diverse maskers, niet om zich domweg achter te verschuilen, maar eerder om een aspect van zijn eigen zijn te expliciteren en uit te vergroten. In de huid, het hoofd en de ziel van Álvaro de Campos (1890-1935) schrijft de dichter zijn drie beroemde oden, hier voor het eerst in het Nederlands bijeen gebracht: Het lied van de zee, Triomfale ode en Groet aan Walt Whitman. Campos is de dichter van het gevoel, de 'sensationist'. In extremis, tot aan de twee kanten van één en dezelfde medaille: wat het is om geradbraakt te worden, wat het is om te radbraken.

Het spleen van Parijs

De bundel HET SPLEEN VAN PARIJS bevat 50 prozagedichten van Charles Baudelaire [1821-1867]. HET SPLEEN VAN PARIJS verschijnt op 9 april 2021 ter gelegenheid van de 200ste geboortedag van de dichter van 'Les Fleurs du mal', in een geheel herziene vertaling van Jacob Groot, die ook het nawoord schreef. De Tsjechische kunstenaar Miro Svolik creëerde speciaal voor deze nieuwe editie twintig illustraties. 'Spleen' is een gemoedstoestand die gekenmerkt wordt door melancholie, lusteloosheid, koestering van het verleden. Vanaf 1820 gaat het woord ook 'lijden aan de tijd' betekenen. Bij Baudelaire houdt het ook 'pijn' in, zoals 'le mal' van zijn bloemen ook 'leed' betekent. Het woord 'spleen' komt uit het Engels en betekent 'milt': dit orgaan werd destijds beschouwd als de zetel van de zwaarmoedigheid. 'Weltschmerz' is een andere benaming voor deze gemoedsgesteldheid. Wat de dichter voor ogen staat is om als 'flaneur', het gloednieuwe personage dat halverwege de 19e eeuw zijn intrede doet in Parijs, het moderne leven in de immense steden te beschrijven. De flaneur vergaapt zich aan de spectaculaire architectuur van de boulevards, horeca, parken en galerijen en de mensen die ze bevolken. Aan de hand van 'portretten' van minnaressen, hoeren, rouwende weduwen, arme oude vrouwtjes, kinderen, straatjongens,... komen thema's als schoonheid, verval, eenzaamheid, onverschilligheid, verveling, de tijd 'met zijn demonische stoet van herinneringen',... voorbij. Naast de genoemde bundels schreef Baudelaire kunstkritieken, proza en essays en vertaalde hij als een van de eersten werk van Edgar Allan Poe, in wie hij een geestverwant zag. Jacob Groot is dichter, schrijver, essayist en vertaler. In 2012 ontving hij de A. Roland Hoestprijs voor Poëzie.

Wij waar geen eind aan komt

Wij waar geen eind aan komt is een ode aan het grootse en rijke poëzie-oeuvre van Stefan Hertmans. Deze bijzondere bloemlezing toont het oeuvre in al zijn muzikaliteit en verrast door onverwachte beelden en wendingen – precies zoals het leven zelf. Dichter en schrijver Peter Verhelst, een van Hertmans’ literaire geestverwanten, maakte de keuze en schreef de inleiding waarin hij op hartstochtelijke wijze zijn bewondering voor Hertmans’ poëzie onder woorden brengt. Tussen de gedichten van Kaneelvingers, de twaalfde en meest lichamelijke bundel van Hertmans uit 2005, weeft Peter Verhelst gedichten uit alle bundels, van de ongepubliceerde dichtbundel De kleine woordwoestijnen (1975-1980) tot en met de laatste bundel Onder een koperen hemel (2018). Door deze geheel andere compositie staan de hertmansiaanse thema’s en motieven zoals herinnering, geschiedenis, liefde, erotiek, dood, verlies en vitale melancholie in een nieuwe orde, en flonkeren de gedichten van nieuwe mogelijkheden en betekenissen.

Je bent al heel

Gedichten waarmee je alles kunt accepteren wat je bent – inclusief die delen die je liever ontkent In de inleiding beschrijft Jeff Foster hoe hij na een jarenlange periode van ziekte en depressie, zelfhaat, verlammende angst en pogingen om zijn gevoelens te verdoven op het punt stond om er een einde aan te maken. Pas nadat hij zich volledig openstelde voor zijn emoties – zowel de afschuwelijke als de prachtige – zocht hij de dood niet meer en begon te leven. En hij kwam tot het fundamentele inzicht: Er was nooit iets mis met mij, en er is nooit iets mis met jou. In Je bent al heel geeft Jeff vorm aan dit inzicht door middel van gedichten die zo rauw en kwetsbaar zijn dat ze niemand onberoerd zullen laten. Ze bevatten het volledige spectrum aan menselijke emoties, en raken de kern van wat hij beschouwt als ‘ware meditatie’. Ze kunnen het begin zijn van de eerste stap op het kronkelige pad van echte zelf-acceptatie: de niet-oordelende beschouwing van alle destructieve gedachten die ons constant belagen. In zijn eigen woorden: “Deze gedichten laten je huilend overeind komen en uitroepen: Ja, ik voel me gebroken … maar ik ben onbreekbaar!” Over de auteur: Jeff Foster is een steeds bekender wordende spirituele leraar voor een nieuwe generatie zoekers, niet alleen door zijn boeken maar ook door zijn regelmatige blogs en video’s met ruim 200.000 volgers op sociale media. Zijn laatste vier boeken verschenen bij Panta Rhei: 'Onvoorwaardelijke acceptatie', 'De vrije val in het leven', 'De weg van rust', en 'De vreugde van ware meditatie.' www.lifewithoutacentre.com

Gebed tot de leegte

Gebed tot de leegte vormt een eenheid van lyrische, filosofische en verhalende gedichten. Het ritme van de taal wekt het gevoel van een aanwezigheid. Een aanwezigheid die als een leegte wordt ervaren. Steeds meer onthult deze leegte zich als een onbegrensde onuitsprekelijkheid. Taal en onzegbaarheid worden aan elkaar gelijk. Gebed tot de leegte is poëzie die spreekt over het wezen van de poëzie. Of het gedicht dat, zich onttrekkend aan de psychotische activiteitsdwang van de economie, door zijn traagheid, rust en stilte, als een kosmologie van de taal de vorm aannneemt van meditatie. Met illustraties van de auteur Claude van de Berge studeerde Dramatische Kunst aan het Conservatorium van Gent. Poëzie van hem werd opgenomen in allerlei tijdschriften in Nederland en Vlaanderen, zoals Het Liegend Konijn en Poëziekrant. Vertalingen werden opgenomen in buitenlandse bloemlezingen.

Dat ongrijpbare iets

Amerikaanse 'Poet Laureate' eindelijk vertaald. Charles Simic (1938) werd in Belgrado geboren, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog als kind de verschrikkingen heeft meegemaakt. Belgrado leed zwaar onder de Duitse bezetters. Tegelijk wierpen de geallieerden, als ze hun doelen in Duitsland hadden gebombardeerd, hun overtollige bommen boven dezelfde stad af, voordat ze op hun Italiaanse basis mochten landen. In 1954 emigreerde hij met zijn familie naar Chicago. Zijn oorlogservaringen kleuren Simic’ gehele, omvangrijke oeuvre: hij lijkt nauwelijks nog in staat naar de werkelijkheid te kijken zonder de oorlogsherinneringen uit zijn jeugd te herbeleven. Mede daardoor heeft zijn werk een grote actuele waarde behouden en – zeker nu – gekregen. ‘Misschien gaan we nog een keer maagden / Ophangen aan kale bomen, kerken plunderen, / Weduwen verkrachten in de diepe sneeuw?’ schreef hij in 1967. Hij kreeg talloze prestigieuze erkenningen voor zijn werk. Zijn laatste bundel, Come Closer and Listen, verscheen in de zomer van 2019 in de VS. Wiljan van den Akker koos en vertaalde de gedichten en korte prozafragmenten voor 'Dat ongrijpbare iets'.

Een mensenkind in niemandsland

Een mensenkind in niemandsland is een door Michiel van Kempen en Effendi Ketwaru samengestelde bloemlezing uit de tien bundels die van Jit Narain vanaf 1977 tot en met 2019 zijn verschenen. Zoals de meeste Surinaamse dichters heeft Jit Narain al zijn dichtbundels zelf laten drukken en alleen in kleine kring verspreid. Pas in 2018 heeft Uitgeverij In de Knipscheer een van zijn bundels in Nederland op de markt gebracht (‘Waar ben je daar / Báte huwán tu kahán’). Jit Narain dicht, net als veel andere dichters uit veeltalenland Suriname, in twee talen. Bij hem zijn dat Sarnámi en Nederlands. Veel van zijn Sarnámi poëzie is door hem zelf in het Nederlands vertaald en andersom. Voor de dichter Jit Narain is zijn eerste taal Sarnámi bovenal de taal die de geschiedenis van de contractanten en hun nakomelingen belichaamt. De bijzondere betekenis die Sarnámi voor hem heeft, maakt dat zijn gedichten in deze taal niet zomaar de persoonlijke uitdrukking van gedachten en gevoelens zijn; hij wil iets voor die taal doen. Hij wil Sarnámi – in zijn eigen woorden – ‘voornaam, klassiek maken’ en daarmee eer bewijzen aan de generaties die deze taal gevormd hebben. Een terugkerend woord is lied, in de ruime betekenis: al wat mij aan taal en cultuur (verhalen, liederen, feesten, rituelen, waarden, levenshouding) is doorgegeven. In Agni ke yád zegt de ik tot Ájá, zijn grootvader: ‘in het zingen van jouw lied ben ik tekort geschoten.’ Het is een van de sleutelzinnen van dit boek en van zijn oeuvre als geheel. Iets prils, iets moois, iets teers, iets van onnoembare waarde kan niet blijven bestaan, het gaat stuk. Dit motief bindt veel van Jit Narains poëzie tot een eenheid. Dat wat stukgaat is (bijna) onstoffelijk. Poëzie kan het gebrokene niet helen, maar wel de herinnering eraan bewaren en het verlangen ernaar verwoorden. Jit Narain is als Djietnarainsingh Baldewsing geboren op 7 augustus 1948 te Livorno, een plaats in het toenmalige district Suriname (nu district Wanica) bezuiden Paramaribo. Hij groeide op binnen een homogeen Hindostaanse cultuur. Als moedertaal sprak hij het Sarnámi, de taal van de Surinaamse Hindostanen. Na zijn Algemene Middelbare School in Paramaribo in 1969 studeerde hij medicijnen en culturele antropologie in Leiden om in 1978 als arts en in 1979 als huisarts af te studeren. Narain ging in december 1991 terug naar Suriname. Hij opende in het district Saramacca een polikliniek en bouwde achter zijn huis een cultureel centrum met bibliotheek, zwembad en mediavoorzieningen voor de districtsbewoners. Hij legde zich ook toe – in de traditie van zijn ouders en voorouders – op de landbouw. Voor zijn dichtwerk en voor zijn verdiensten voor de emancipatie van het Sarnámi werden hem tal van literaire prijzen toegekend. Anno 2021 is Jit Narain nog altijd huisarts en landbouwer en woonachtig in de plaats Uitkijk in Suriname.

Hop over de sofa

Hop over de sofa lijkt een opgewekte of komische titel, maar er gaat een gruwelijke werkelijkheid achter schuil in het klein en in het groot. De dichter verwondert zich over het kwaad in de wereld, over ongerijmdheden, over vreemde toevalligheden, maar ook over liefde. Alle mensen die hebben bestaan zijn vergeten op enkelen na. Ik vraag me af waarom ze hebben geleefd en of het van belang was voor henzelf dat ze hebben geleefd maar dan toch om het leven zelf voort te duwen tot meer bewustzijn. Er zijn plaatsen op de wereld waar de namen van de gestorvenen zijn gegraveerd, in steen gehakt om ze te kunnen behouden, hoe lang nog? Als iemand belt en zegt dat ik moet komen, hoe ver, het maakt niet uit. Is liefde de wijsheid van het samen voorbijgaan, zoals alles voorbij gaat? ‘Remco Ekkers is een denkend dichter. Hij schuwt de grote thema’s niet, maar hij kan daarbij bij het kleine alledaagse beginnen, waarna hij zich naar universele overwegingen toedicht waarbij hij alle middelen inzet, die de poëzie hem aanreikt. Soms krijgen zijn gedichten een strakke vorm, dan zijn ze weer meer parlando, een andere keer stuwt het rijm het gedicht.’ Ineke Holzhaus

Chinatown

Ronelda S. Kamfer, wier poëzie Antjie Krog bestempelde als 'het beste en meest opwindende wat in de afgelopen jaren in Zuid-Afrika is verschenen', is in haar vierde bundel Chinatown genadeloos direct en overtuigend. Bij vlagen woedend, sterk feministisch maar ook met veel (inktzwarte) humor schrijft Kamfer over een geschiedenis van complexe familieverhoudingen en hoe je een dochter opvoedt in het Zuid-Afrika van nu. Op betrokken, uitdagende en toch ook vaak luchtige wijze confronteert zij haar lezers met de realiteit van marginalisering, armoede en geweld - niet van buitenaf bekeken maar beschreven van binnenuit en vanuit eigen ervaring. Haar activistische inslag spat vanaf het eerste gedicht van de pagina af, maar Chinatown bevat ook juist intieme gedichten over liefde, familie en ouderschap. Dit alles resulteert in Kamfers meest uitgesproken bundel tot nu toe. Alfred Schaffer - dichter, vertaler en docent aan Stellenbosch University in Kaapstad - tekende voor een indrukwekkende Nederlandse vertaling.

De laatste repercussies uit het Russisch

Aan alles komt een eind. Ook aan de reeks repercussies uit het Russisch. De laatste bijna tweehonderd meest rijmende poëtische signalen uit een ver en minder ver verleden werden opgevangen en gecodeerd. De vertaler fungeert als omvormer die de vorm intact laat en de inhoud toegankelijk maakt. Een schone taak. De oudste dichter van deze chronologische gerangschikte honderdvijfenzeventig is van 1620, de jongste van 1908; het jongste opgenomen gedicht van 1680, het jongste van 1980. Elke dichter heeft een konterfeitsel meegekregen. En een biografietje van telkens exact 100 woorden. Jan-Paul Hinrichs in de De Parelduiker (2020/3): 'Het zou me verbazen als uitgever en vertaler niet broeden op een gebundeld eindproduct: de ‘Dikke Van der Ent’.'

Stofloze afdruk

Henry Sepers (Den Haag, 1955) publiceerde zes romans, waaronder ‘De aanwezigheid van Lara’ (2018). Toen bij De Arbeiderspers in 2009 zijn poëziebundel ‘Baaierd’ verscheen, toonde Sepers zich ook een dichter van formaat. De tweede bundel ‘Spreekt de troubadour’ werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. ‘Stofloze afdruk’ bestaat uit zes delen, waarin ruimte en tijd elkaar versterken en bevechten. De bundel beweegt van platteland naar stad, van dingen naar mensen, en eindigt in een cyclus over rouw en verlies. In de bijzondere afdeling ‘Plaatsen’ gaan foto en tekst een dialoog met elkaar aan. In zijn nieuwe bundel laat Henry Sepers zien dat zijn dichterschap zich blijft ontwikkelen. Over eerder werk van Sepers: ‘Het thema van de terugkeer naar het voorbije en verlorene wordt hier (…) overtuigend uitgewerkt.’ Rob Molin in De Poëziekrant over Je zadelt een vlinder. ‘Er zijn niet veel dichters die zo onverstoorbaar hun eigen gang durven gaan als Henry Sepers.’ Juryrapport J.C. Bloem-poëzieprijs. ‘Maar ook nu nog (…) wordt door dichters getoond hoe levend de klassieken zijn en blijven. Ook Sepers pakt hier op wat anderen eerder oppakten, om het op te poetsen met geheel eigen doek en in geheel eigen licht de mythologie weer te laten glanzen.’ Thomas Möhlmann in Awater over Baaierd.

Het gif

Het gif/Le poison - Charles Baudelaire (1821–1867) maakte op 20-jarige leeftijd een zeereis van tien maanden langs de kusten van Afrika, waaraan hij een hang naar het exotische overhield. Hij joeg er een fortuin door, werd onder curatele gesteld en door schuldeisers achtervolgd. Veel van zijn gedichten zijn gericht tot de vrouwen in zijn leven, met als belangrijkste de mulattin Jeanne Duval. Hij werd na de verschijning van Les fleurs du mal (1857) veroordeeld wegens de obsceen geachte inhoud van zes gedichten, die in de herdruk (1861) zijn verwijderd, maar aangevuld met vijfendertig nieuwe gedichten. Baudelaire bezweek na een bewogen leven, met onder andere een ballingschap in Brussel en gewaardeerde bijdragen aan de kunstjournalistiek, op 46-jarige leeftijd aan syfilis. Ter gelegenheid van zijn 200ste geboortejaar stelde meestervertaler Peter Verstegen deze bloemlezing uit diens gedichten samen. De nadruk ligt op het decadente dichtwerk: de drank, de dood en de grieven van de liefde worden bezongen, want juist uit het kwaad kan de schoonheid opbloeien. De gedichten uit dit giftige boeket blijven tot ons spreken zoals een glas absint uitnodigt tot drinken.

De tocht

Budé bezingt op beeldende wijze de tocht die het beroemde beeld van Rodin door Europa onderneemtOnder de indruk van de sculptuur ‘L’Homme qui marche’ van Auguste Rodin (1840-1917) is het Frans Budé gelukt om in zijn poëzie dit beeldhouwwerk in beweging te brengen. Met zijn sterke verbeeldingskracht geeft hij het menselijke trekken mee – dromen, verwachtingen, emoties, herinneringen – en laat hij het voor een voetreis, waarbij zowel lands- als tijdgrenzen worden gepasseerd, vertrekken vanuit het Parijse atelier. Het einde van de tocht blijft lange tijd een raadsel. Uiteindelijk blijkt de bestemming in Nederland te liggen. De pers over Frans Budé:‘Een scherp en eigenzinnig oeuvre dat bij herlezing recht overeind blijft.’ NRC Handelsblad‘Een tijdloos en nauwgezet onderzoek naar de grenzen van leven en dood, herinneringen en vergetelheid, taal en stilte.’ de Volkskrant‘Frans Budé laat zien dat mensenlevens wel uiteenlopende halteplaatsen aandoen, maar uiteindelijk dezelfde eindbestemming hebben.’ Trouw

Op de weg van Appia

‘ga met mij reisgezel over deze uitgesleten keien’ De Via Appia, de oudste en belangrijkste snelweg van het Romeinse Rijk, is na meer dan tweeduizend jaar nog steeds voelbaar in het Italiaanse schiereiland. De 650 kilometer lange weg verbindt Rome met Brindisi in de hak van de laars. Zij slingert langs ruïnes, groene heuvels, diepe kloven, rivieren en helderblauwe zeeën. In 2018 en 2020 reisden Michaël Vandebril en Bart Pluym de Via Appia af. Vandebril schreef een episch reisgedicht dat herinnering en fantasie laat samenkomen in een tijdloos Italiaans landschap. Hij vroeg Bart Pluym om tekeningen te maken bij het gedicht en de reis. Op de weg van Appia combineert de on-the-roadbelevenis met de vele geschiedenislagen die zich op de Appia bevinden tot een poëtische reiservaring. De dichter geeft u als toegift wetenswaardigheden en tips mee om de Appiareis zelf te kunnen aanvatten. Want dat is zijn ultieme wens. Michaël Vandebril (1972) debuteerde in 2012 met Het vertrek van Maeterlinck, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs. Hij schreef regelmatig gedichten in opdracht van De Morgen, De Standaard en Radio 1. In 2016 volgde New Romantics, waarvan vertalingen verschenen in het Frans en het Roemeens. Op de weg van Appia is zijn derde bundel. Bart Pluym (1969) is schilder/tekenaar, dichter en antropoloog. Voor zijn tekeningen haalde hij inspiratie uit Op de weg van Appia, aquarellen van de achttiende-eeuwse Labruzzi en de reizen die hij in 2018 en 2020 met Michaël Vandebril langs de Via Appia maakte. 'Deze bundel is een ode aan cultuur en natuur, aan mythe en geschiedenis, aan vriendschap en gastvrijheid. En de beelden van Bart Pluym geven een extra dimensie aan de woorden van de dichter.’ Patrick Lateur

De ware zin heeft niemand nog verstaan

Omar Khayyâm (1048-1131) was in zijn tijd beroemd als wiskundige en sterrenkundige, tegenwoordig kent men hem overal als dichter van Perzische kwatrijnen. Daarin klinkt een sceptische visie op de wereld, de mens en zijn eigen geleerdheid door. In 1859 publiceerde Edward FitzGerald naar een vijftiende-eeuws handschrift Engelse bewerkingen, die in bijna alle talen zijn hervertaald, ook in het Nederlands. Dichters als Leopold en Boutens werden door Khayyâm geïnspireerd. Deze uitgave bevat de vroegst bekende kwatrijnen, ouder dan de bron van FitzGerald. Ze zijn aangevuld met die van andere Perzische dichters. In zijn nawoord zet de vertaler uiteen wat in de Perzische middeleeuwen als typische Khayyâm-poëzie werd beschouwd en hoe de discussie over deze vierregelige epigrammen is verlopen. Voor lezers die het Perzisch beheersen zijn ook de oorspronkelijke teksten opgenomen. Van J.T.P. de Bruijn, emeritus hoogleraar Perzisch in Leiden, verschenen bij Bulaaq 'Een karavaan uit Perzië'; een omvangrijke bloemlezing klassieke Perzische poëzie en 'De rozentuin', het beroemde prozawerk van de dichter Saadi.

Pizza en de Dood

In Pizza en de Dood overziet Jan Vanriet het teruggetrokken leven in quarantaine. De stad even een oorlogsgebied, het huis een vaste burcht. Als ‘gedwongen deelnemer’ bekijkt hij het theater van het moderne leven, geen opbeurend spektakel, opeens ‘de wereld uit zijn as’. In ironische afstandelijkheid vindt hij verweer. Ook voor deze gedichten geldt wat Benno Barnard schreef: 'Vanriet heeft een belangrijke dichtbundel gepubliceerd, waarin hij ruzie maakt met de twintigste eeuw en het heden, zoals alleen hij dat kan.'

De koers van de eeuw

Van binnen naar buiten en weer omgekeerd, die beweging maakt de lezer in ‘De koers van de eeuw’ van Charles Ducal. Er is de binnenwereld met de onuitputtelijke thema’s die sinds zijn debuut Ducals poëzie voeden: de beklemmende kindertijd, het gevecht met de vader, de verhouding man-vrouw, het schrijven in het licht van de dood. Maar de betrokkenheid bij de samenleving, de medemens groeit. De buitendeur staat nu wagenwijd open, wat leidt tot een verontrustende evocatie van onze wereld en onze tijd. We razen op de afgrond af, maar voorlopig gaat alles goed.

Met heldere verf en verlangen

Tussen 2016 en 2020 verscheen er in elke aflevering van Poëziekrant een gedicht van een hedendaagse dichter bij een werk van ROGER RAVEEL. Daarmee werd een mooie traditie voortgezet, want in het verleden lieten vele grote namen zich inspireren door Raveels werk (Hugo Claus, Roland Jooris, Rutger Kopland, …). Die gedichten worden nu, samen de bijbehorende kunstwerken, gebundeld in een prachtige uitgave naar aanleiding van de grote Raveel-retrospectieve in Bozar (18/3–21/7). Met gedichten van onder anderen Anna Borodikhina, Paul Demets, Annemarie Estor, Lies Van Gasse, Dominique De Groen, Astrid Haerens, Joke van Leeuwen, Arno Van Vlierberghe en Bette Westera, en aangevuld met twaalf speciaal voor het boek geschreven gedichten van onder meer Amina Belôrf, Moya De Feyter, Asha Karami, Jens Meijen en Iduna Paalman. Met heldere verf en verlangen. Dichters bij Raveel is daarmee een uniek overzicht van het werk van Roger Raveel én een staalkaart van de contemporaine Nederlandstalige poëzie.

May

'May' describes the magical journey of adolescence against the background of Holland’s flowery dunescapes. In strokes of wonder-filled impressions a stunningly unspoiled girl, May, explores the promise of springtime and the intense spiritual life of youth. However, the cycle of life always moves on, and as May matures and returns to earth, she finds it readying for summer. When Herman Gorter published 'Mei' (May) in 1889, this spontaneous and vibrant epic poem was immediately recognized by his peers as a landmark work for Dutch literature. 'Mei' was perhaps an inevitable product of the artistically revolutionary and highly lucid spirit in The Netherlands of the 1880s. While Gorter’s contemporary, Vincent Van Gogh, had just completed the groundbreaking Sunflowers series of paintings, Gorter succeeded with Mei to compose his own artistic monument of colourful power and innovation.

Wyt ljocht

May

'May' describes the magical journey of adolescence against the background of Holland’s flowery dunescapes. In strokes of wonder-filled impressions a stunningly unspoiled girl, May, explores the promise of springtime and the intense spiritual life of youth. However, the cycle of life always moves on, and as May matures and returns to earth, she finds it readying for summer. When Herman Gorter published 'Mei' ('May') in 1889, this spontaneous and vibrant epic poem was immediately recognized by his peers as a landmark work for Dutch literature. Mei was perhaps an inevitable product of the artistically revolutionary and highly lucid spirit in The Netherlands of the 1880s. While Gorter’s contemporary, Vincent Van Gogh, had just completed the groundbreaking 'Sunflowers' series of paintings, Gorter succeeded with Mei to compose his own artistic monument of colourful power and innovation.