Kinderboekenweek 2020

kop kinderboekenweek 2020 a
Het thema van de Kinderboekenweek 2020 is ‘En toen? – op reis naar het verleden’.
Je hebt geen tijdmachine nodig om andere tijden te ontdekken. Verken werelden uit het verleden door het lezen van boeken!
Omdat het in de huidige omstandigheden niet mogelijk is activiteiten te verzorgen in onze winkel, werken we deze Kinderboekenweek samen met De Bron, de kerk op Hugo de Vrieslaan nummer 2 (hoek Middenweg).
Op woensdag 30 september en zaterdag 3 oktober hebben we een vrolijk en afwisselend programma met voorlezen, knutselen, een speurtocht en boekentafels met onze leukste tips en lievelingsboeken. Lees meer

Nu alle dagen open

Zondag- en maandagmiddag ook geopend
We hebben onze openingstijden weer verruimd. Vanaf nu zijn we ook op zondagmiddag en maandagmiddag geopend.

De winkeldeur staat open:
Maandag 13.00 tot 18.00 uur
Dinsdag t/m vrijdag 10.00 tot 18.00 uur
Zaterdag van 9.00 tot 17.00 uur
Zondag 13.00 tot 17.00 uur

BOEKEN IN DE MEDIA

“Het is inderdaad een sleutelroman over de muziekindustrie, en veel is autobiografisch. Het was zeker niet de bedoeling om mensen te beledigen maar ik wilde bepaalde zaken wel aankaarten.
[…] De wereld is geobsedeerd door commercie en cijfers. Niet alleen de streaming- en muziekwereld maar ook de journalistiek, die op zoek is naar clicks, of denk aan Instagram en andere sociale media. En kijk naar middelbare scholieren die overspannen worden omdat ze hoge scores moeten halen. We zijn allemaal betoverd door het kapitalisme en het competitiedenken dat daaruit voortvloeit. Het is deel van onze traditie geworden en dat vind ik jammer. En ja, dit is echt een beetje de moraal van mijn verhaal.” – Dieuwertje Heuvelings in gesprek met Robert van Gijssel in de Volkskrant.

‘De ene jeugdherinnering is nog treuriger dan de andere. Maar het wonderlijke van Snijders manier van vertellen is dat al die grauwheid ook iets onbedaarlijk komisch krijgt, terwijl hij daar nooit op uit lijkt te zijn. Hij mikt niet op de lach, ook niet op medeleven – maar weet ze steeds weer op te wekken. Snijders zinnen zitten vol rake, verhelderende beelden en goedgekozen sprekende details. Daardoor wordt haast elke gemoedstoestand, ervaring of terugblik pijnlijk invoelbaar.’ – Dries Muus in Het Parool.

“Er is de tendens onder mensen die boven aan de maatschappelijke ladder zijn beland om te denken dat hun succes door hun eigen toedoen en verdienste komt. De bovenlaag heeft te weinig oog voor het feit dat succes óók komt door zaken als toeval, geluk, aanleg, de juiste omstandigheden en ouders en docenten die je de weg wijzen. De elite denkt dat ze haar succes uitsluitend aan zichzelf te danken heeft, waardoor ze geen enkele dankbaarheid en nederigheid voelt. Deze manier van naar succes kijken heeft gezorgd voor wat ik een meritocratische verwaandheid noem. Mensen die het maken, denken dat zij hun succes zelf hebben verdiend en vinden dat de achterblijvers hun lot aan zichzelf hebben te wijten. De laagopgeleide arbeidersklasse heeft het gevoel gekregen dat de hoogopgeleide elite vol minachting op hen neerkijkt. Deze vernedering heeft, denk ik, gezorgd voor de huidige polarisatie. Want niemand vindt het leuk om geminacht te worden.
[…] Als het gaat om het bestrijden van ongelijkheid, richt de politieke retoriek zich nu veel te veel op het opklimmen op de maatschappelijke ladder en het behalen van een universitair diploma. Ik ben voorstander van het aanmoedigen van toegang tot hoger onderwijs, ik doceer al veertig jaar op de universiteit, maar het is te bekrompen om alleen maar daarop te focussen. Het veronachtzaamt het werk dat wordt gedaan door mensen die geen hoger onderwijs hebben gevolgd; dan heb ik het over ongeveer tweederde van de volwassen Amerikaanse bevolking.” – Michael Sandal in gesprek met Laura de Jong in de Volkskrant.

“Naast de vele ideeën en opvattingen over taal en politiek die ik in dit sprookje heb verwerkt, heb ik vooral geprobeerd een avontuurlijk verhaal te maken dat leuk is om te lezen. Eerder opbeurend dan tragisch, want mijn eerste verantwoordelijkheid als schrijver is om mijn lezer een goede tijd te bezorgen. Alles wat onderweg aan kennis en inzicht wordt meegepikt, beschouw ik als bonus.
Nou vooruit, natuurlijk draait dit boek om grote thema’s als vrijheid, onderdrukking en censuur.” – Michael Faber in gesprek met Pieter Sierksma in Het Parool.

‘Mij blijft ontgaan waarom het land der letteren zou moeten voldoen aan eisen die gelden voor een parlementaire democratie – waar iedere bevolkingsgroep recht heeft op representatieve vertegenwoordiging. Zoals me ook ontgaat waarom ‘meer variatie’ in achtergrond vanzelfsprekend zou leiden tot een ‘hogere algehele kwaliteit’. Een goeie schrijver is een goeie schrijver, punt uit.’ – Elma Drayer in de Volkskrant.

‘Het zou zelfs in sombere tijden geen verrassing moeten zijn. Black Lives Matterdemonstranten en trumpianen mogen elkaar de hersens inslaan, het Verenigd Koninkrijk en de EU afstevenen op een verdragloze vechtscheiding, maar als Nick Hornby (1957) schrijft over een interraciale mei-semptemberromance tegen het decor van het brexitreferendum van 2016, levert dat toch weer een lichtverteerbare feelgoodkomedie op.
[…] Love Actually met een geëngageerd randje, zoiets is het. Popcornvermaak met het hart op de juiste plek.’ – Dirk-Jan Arensman in Het Parool.

‘Met fijne weetjes zorgt hoogleraar sociale en economische geschiedenis Maarten Prak in ieder hoofdstuk van zijn nieuwe boek Nederlands Gouden Eeuw wel voor een paar aangename verassingen. Het maakt dat dit bondige overzicht van 300 pagina’s ondanks zijn grote informatiedichtheid prettig leesbaar blijft. En dat is maar goed ook, want het publieke debat kan dit boek dat meer feiten dan meningen bevat momenteel goed gebruiken.’ – Bart Funnekotter in NRC Handelsblad.

‘Gary, De Booses vader, De Boose zelf, de rest van zijn familie, de alcoholzuchtige, rafelige zielen in Gardner, de mormonen in Utah, de bedrijvers van wetenschap of die van de kunsten: De Boose beschrijft ze zó dat ze allen overkomen als mensen die zich krampachtig vasthouden aan hun eigen overtuiging, als wezens die doen wat ze doen omdat ze anders kopje-onder gaan in een golf van existentieel gemis. De één houdt de demonen eronder door stukjes steen of hoopjes zand in een potje te bewaren, de ander zoekt de troost van de roes.
De wereld is fascinerend door De Booses ogen, maar zeker niet op een een lieflijke manier. Zijn stijl resoneert in Dondersteen prachtig met de grimmige omstandigheden.’ – Sebastiaan Kort in NRC Handelsblad

‘Heel knap in deze roman is het consequent schakelen tussen ernst en luim. De Boer maakt veel grappen, maar behoudt toch de betrokkenheid van zijn lezers. Je blijft de personages serieus genoeg nemen om verder te willen lezen – je blijft in ze geloven. Zelfs in een uiterst satirische scène, wanneer de mannen van de Saamhorigheidsgroep aan het knutselen slaan en voorman Bronno op een kaart van Europa het IJzeren Gordijn nabouwt met wc-rollen, blijft De Boer buiten bereik van het al te bespottelijke. Ook in beschrijvingen van het haar van deze mannen, eindeloos veel neushaar, baardhaar, borsthaar, een ellenlange paardenstaart die zelfs even in een pot verf bungelt, is De Boer aldoor ontzettend geestig – en maakt hij het toch net niet te gek.
Doordat De Boer steeds soepel de focus verlegt van het ene naar het andere personage, maakt hij de diverse karakters en ieders drijfveren inzichtelijk. Hij laat de sympathie steeds verspringen. Wat in de ogen van de een doodnormaal gedrag is, wordt in de ogen van de ander karikaturaal.’ – Judith Eiselin in NRC Handelsblad.

‘Kleine, tedere vertelling.’ – Shira Keller in NRC Handelsblad.

‘Een literair-journalistiek verslag van een roofmoord op een boerderij; dan is de vergelijking met de klassieker In Cold Blood van Truman Capote nooit ver weg. Maar Het boek Daniel kan uitstekend op eigen benen staan. De Stoop verplaatst het verhaal naar het hier en nu. Ook al door de sterke compositie ontstaat zo een drama dat nog lang in je hoofd blijft nagalmen.’ – Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant.

“Het lijkt een paradox: u had het verlangen te schrijven over een sociale-mediahetze, maar het verhaal zit gecompliceerder in elkaar.”
“Het persoonlijke is politiek, maar het politieke is ook persoonlijk, hè. Het is, ook in hetzes op sociale media, altijd een verhaal van mensen. We weten op sociale media zo weinig van elkaar, maar behandelen elkaar wel alsof we familie zijn: ik kan jou daar ongefilterd verrot schelden, omdat de ander niet nabij is en er dus geen remming is. Het is een merkwaardige parallelle wereld, maar niettemin gaat het over mensen. Als ik mijn roman louter en alleen op hetzes door sociale media had willen richten, zou ik de complexiteit van ons leven tekortdoen.” – Nelleke Noordervliet in gesprek met Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

“Ik probeer Degas te begrijpen. Hij lijkt hierin op Granny uit De overgave. Daar was de vraag: hoe kom je tot vergeving? Hoever kun je gaan in het begrijpen van de ander als die je alles heeft afgenomen wat je dierbaar is? Bij Degas vind ik het belangrijk te begrijpen waar de mens zit achter een norse, ouwe man. Maar ik wilde ook weten waarom een blinde bloemen gaat schikken. Hoe vind je kleur in het donker? En wat betekent blind zijn voor een schilder? Want Degas wist, toen hij Estelle schilderde, dat hij waarschijnlijk zelf ook blind zou worden. Wat voor invloed heeft het op je persoon als je wereld kleiner wordt? Dat soort vragen, in combinatie met een exotisch milieu en een spannende tijd waarvan ik denk: wat heerlijk om daar een paar jaar in te mogen vertoeven, maken dat ik aan de slag ga.
[…] Ik ben erachter gekomen dat bij mij het ritme allesbepalend is. Dat zal door mijn dansachtergrond komen. Elke nieuwe zin komt voort uit het ritme van de vorige en kan maar op één manier lopen. Als er een woord is dat qua betekenis beter is maar niet in het ritme past, gebruik ik het niet. Dan kies ik voor het woord dat de gewenste cadans oplevert. In mijn hoofd is dat ritme heel belangrijk, ik mompel soms mee. Ik denk dat mijn boeken het best tot hun recht komen als je ze hardop voorleest.” – Arthur Japin in gesprek met Wilma de Rek in de Volkskrant.

“Ik heb zelf negen maanden bij een GGZ-instelling gewerkt op een angstafdeling. In dat gebouw had je verschillende afdelingen voor verschillende stoornissen. Dat hing daar in de lift op bordjes: verdieping 1: depressie en trauma, verdieping 2: adhd en eetsstoornissen. Dat beeld van een warenhuis van angsten zette zich vast in mijn hoofd. Het herinnerde me aan het verhaal van Sylvia­­ Plath, ‘Johnny Panic and the bible of dreams’, over een jonge vrouw die werkt in een dromenarchief. Zo kwam ik op het idee van het nachtmerrie-instituut waar nachtmerries van mensen worden geproduceerd om er winst mee te maken.
Ik koos ook voor een toekomstroman omdat wat er in de werkelijkheid gebeurt veel erger is dan wat ik kan verzinnen, en als ik daar dan nog eens overheen ga, wordt het te veel voor de lezer. De dystopie is behapbaarder en tegelijk afschrikwekkender dan een realistische roman, de lezer krijgt ruimte om te fantaseren over het ergste. Margaret Atwood zei over ‘The handmaid’s tale’: alles wat ik verzin is al eens gebeurd, misschien niet nu en niet hier, maar wel ergens anders en in een andere tijd. Wat Orwell verzon in ‘1984’ vond al plaats in de Sovjet-Unie. Zoiets kan je over mijn boek ook zeggen. Veel van wat er gebeurt, is een uitvergroting van wat er op sociale media aan de hand is. Denk aan wat Facebook met gebruikersprofielen doet. Hoe mensen elkaar met het online plaatsen van foto’s en filmpjes vernederen. Dan is het niet zo’n grote stap naar het maken van nachtmerries op basis van intieme onthullingen bij de therapeut.” – Emy Koopman in gesprek met Jann Ruyters in Trouw.

‘Daar zijn de personages van Bertram Koeleman (1979) telkens naar op zoek – het temmen van de chaos. En Koeleman is erop uit om het verhaal daaróver te vertellen: wie de chaos denkt te temmen, is vooral bezig zichzelf een verhaal te vertellen. Maar de chaos blijft.
Koeleman doet dat in proza dat minder ‘meta’ en theoretisch aanvoelt dan het nu misschien lijkt. De verhalen – die in zijn uitstekende eerste verhalenbundel Engels voor leugens (2016) en die in de tweede, nieuwe bundel Het dreigbed – zijn kraakhelder geschreven en lezen steevast soepel: er gebeuren eigenaardige dingen zonder dat die als eigenaardig worden ervaren; dat gevoel komt voor de personages pas achteraf. Bovendien gáán de verhalen niet alleen over de absurde elementen. Ze zijn instrumenteel, die geheime deur naar jeugdherinneringen waarop twee inbrekers stuiten, dat lustopwekkende bedframe, die opgloeiende grote insecten. Die zijn er vooral om die ‘emotionele waarheid’ over te brengen.’ – Thomas de Veen in NRC Handelsblad.

‘Als u echt versteld wilt staan van hoe de allerhoogste Britse adel de dag zoal doorkomt, dan kunt u dit najaar terecht bij de memoires van Anne Glenconner (1932), de oudste dochter van de vijfde graaf van Leicester. Ze was dertig jaar lang de hofdame van prinses Margaret, die nogal stoutige zus van de koningin. Verwacht van Glenconner trouwens geen ranzige onthullingen over bijvoorbeeld Margarets woelige liefdesleven: op de etiquetteschool voor adellijke meisjes wordt het er al jong ingestampt om niet alleen het juiste op het juiste moment te zeggen, maar ook en vooral ‘het verkeerde ongezegd te laten op het allerverleidelijkste moment’.
[…] En nu loopt Anne Glenconner tegen de negentig, kan ze zich als weduwe en grootmoeder eindelijk ontspannen en is ze vast van plan honderd te worden. En laat ze in het kielzog van ‘The Crown’ alvast een verzameling verrukkelijke anekdotes na over een wonderlijk milieu en twee oude vriendinnen, die deden wat gedaan moest worden en jarenlang graag samen met een drankje erbij naar de zee zaten te kijken, wachtend op dat zeldzame moment dat de ondergaande zon even helemaal groen is. Die magische ‘groene flits’ hebben ze al met al nooit gezien. Maar gelachen hebben ze wel.’ – Marijke Laurense in Trouw.

‘Geen schrijver voelde zo goed de tijdgeest aan als Ivan Toergenjev. De kersverse vertaling van zijn romans door Froukje Slofstra, die de bekroonde vertaling van Karel van het Reve uit 1950 zowel in frisheid als elegantie overtreft, maakt dat opnieuw duidelijk en laat treffende gelijkenissen zien met het onstuimige heden, waarin de gevestigde neoliberale orde door de jongere generaties ter discussie wordt gesteld.’ – Michel Krielaars in NRC Handelsblad.

Zomer is een bevredigende finale van een reeks romans waarin Ali Smith, associatief heen en weer springend in de tijd, experimenteel en essayistisch, maar speels en toegankelijk tegelijk, de essentie van het westerse leven anno nu probeerde te vangen.
Soms is het resultaat misschien een beetje belerend. Vaker leest het als een virtuoze literaire tijdcapsule: vitaal, urgent, imponerend.’ – Dirk-Jan Arensman in Het Parool

‘De stijl doet denken aan die van James Salter, hoewel de roman is geschreven lang voor bijvoorbeeld Salters beroemde verhalenbundels Dusk and other stories en Last Night. Calligarich schrijft bijna tijdloos, ondanks de veelvuldig rinkelende telefoons, en je vergeet dat dit boek zich afspeelt in de vroege jaren zeventig, en in 1973 is verschenen. Mooi portret van het enigszins decadente, afstandelijke Rome van die tijd. En ook in het melancholieke, het terugblikken op iets dat onherroepelijk verloren is gegaan, vinden de twee schrijvers elkaar.
Een dunne, maar prachtige roman om langzaam te lezen.’ – Maarten Moll in Het Parool

‘Hersey vertelt de canonieke verhalen, van de onthutste bewoners van Hiroshima die geen idee hadden wat hun precies overkwam, de gruwelijke vleeswonden en verminkingen, de schaduwen en bloemen op kimono’s die door de nucleaire straling beklijfden, de leukemie die slachtoffers in een later stadium vaak opliepen, de microcefale kinderen die erna geboren werden.
Het gekke is dat je dit verslag van een van de klassieke dieptepunten van onze beschaving toch ook leest als een soort loutering, een verhaal over veerkracht en voortzetting, zonder dat Hersey de naargeestige momenten ook maar een moment verdoezelt. Dat maakt het boek een monument van menselijkheid, in al z’n tegenstrijdigheid.’ – Rob Schouten in Trouw